Begin januari 2000 neemt een verzoeker, de heer Potters (*), contact op met het College van de federale ombudsmannen. Hij heeft in december 1999 de nummerplaat van zijn auto laten schrappen bij de Directie Inschrijvingen Voertuigen. Toch krijgt hij op het einde van diezelfde maand december een verzoek tot betaling van de verkeersbelasting waarbij geen rekening gehouden werd met de schrapping. Bovendien moet de betaling gebeuren voor 10 januari 2000.
...

Begin januari 2000 neemt een verzoeker, de heer Potters (*), contact op met het College van de federale ombudsmannen. Hij heeft in december 1999 de nummerplaat van zijn auto laten schrappen bij de Directie Inschrijvingen Voertuigen. Toch krijgt hij op het einde van diezelfde maand december een verzoek tot betaling van de verkeersbelasting waarbij geen rekening gehouden werd met de schrapping. Bovendien moet de betaling gebeuren voor 10 januari 2000.Iedereen die een auto bezit, herinnert zich die periode; de pers heeft daarover uitgebreid geschreven en gesproken, omdat de fiscale autoriteiten geen betaling van een belasting kunnen eisen binnen een termijn van enkele dagen. Uiteindelijk werd de termijn waarbinnen de belasting moest worden betaald, verlengd tot 31 januari 2000. Op dat ogenblik heeft de heer Potters het College van de federale ombudsmannen al ingeschakeld want voor hem was niet zozeer de korte betalingstermijn het probleem (zoals voor duizenden andere automobilisten), als wel het bedrag dat hij zou moeten betalen terwijl hij een terugbetaling verwacht voor de periode dat hij zijn auto al niet meer had.In februari informeert de federale ombudsman bij de Dienst Belastingen Auto's naar de reden van de toezending van de oproep tot betalen en naar de datum van terugbetaling van de verkeersbelasting die niet moest betaald worden, de onverschuldigde verkeersbelasting. Bovendien vraagt hij aan de administratie een onderzoek te voeren naar de oorzaken van wat er fout gelopen is. Bijna onmiddellijk verontschuldigt de dienst zich; een nieuw, correct, betalingsbericht wordt verzonden en de terugbetaling zou gebeuren voor het einde van de tweede maand volgend op het aanslagbiljet. De Dienst Belastingen Auto's verschaft ook de gevraagde uitleg: een nieuw informaticasysteem werd ingevoerd en de dienst heeft nieuwe bevoegdheden toegewezen gekregen. Het informaticasysteem is echter onvoldoende getest en lijdt erg onder een aantal kinderziekten. Daaruit volgt een inflatie van klachten waardoor de motivatie van het personeel flink onder druk komt te staan en de arbeidsvoldoening zo goed als volledig verdwijnt. Het College van de federale ombudsmannen krijgt in de daaropvolgende maanden tientallen soortgelijke klachten. Daardoor krijgt ook de dienst een heel pak werk meer met een grote achterstand als gevolg. Bovendien worden honderden automobilisten in die periode ten onrechte aangemaand hun verkeersbelasting te betalen of vragen ze aan de ombudsman waar hun terugbetaling blijft. Maar laten we terugkeren naar de heer Potters die tegen einde mei zijn terugbetaling zou mogen verwachten. Die komt er echter niet en Potters vraagt welke administratieve sancties mogelijk zijn en of hij recht heeft op nalatigheidsinteresten. Het CFO geeft hem de gevraagde inlichtingen inzake de interesten en verwijst naar de informatieambtenaar voor de vragen inzake administratieve sancties. Elk federaal ministerie heeft immers zijn informatieambtenaar. Hij of zij is speciaal aangesteld om de burger met kennis van zaken te helpen met zijn vragen. Let wel, de informatieambtenaar geeft informatie en is geen ombudsman die een oplossing zoekt voor uw klachten en geschillen.Uiteindelijk komt het verlossende bericht dat de terugbetaling ingekohierd werd op 30 juni en de terugbetaling volgt in de loop van de maand november. Voor de individuele verzoeker Potters is hiermee het dossier gesloten. Het is echter duidelijk dat er hier sprake is van een structurele disfunctie. Daarom heeft het College al in februari 2000 gevraagd dat er een intern onderzoek zou worden uitgevoerd naar de oorzaken van dit falen. Terwijl andere individuele klachten worden behandeld, wordt de leiding van de administratie van de Invordering gevraagd de tussentijdse resultaten van het interne onderzoek in verband met de technische disfuncties mee te delen. Het probleem wordt ook ter sprake gebracht op de zesmaandelijkse vergadering van de top van het ministerie van Financiën met de federale ombudsmannen en hun medewerkers om de toestand te verbeteren en soortgelijke ontsporingen in de toekomst te voorkomen. Men kan zich immers voorstellen wat een chaos er kan ontstaan indien men weet dat de Dienst Belastingen Auto's de dossiers van circa 6 miljoen voertuigen behandelt en dat er maandelijks ongeveer 600.000 uitnodigingen tot betaling worden verzonden door de informaticadienst die verantwoordelijk is voor de verkeersbelastingen. Het invoeren van een onvoldoende getest informaticasysteem mag dan eenvoudig niet tot de mogelijkheden behoren. Intussen doet de dienst wel haar uiterste best om de ontstane achterstand in te lopen. Om intussen de klachtenstroom toch enigszins te kanaliseren, kreeg de Dienst Belastingen Auto's enkele extra medewerkers en werd het aantal beschikbare telefoonlijnen uitgebreid. Toch ontvangt het College van de federale ombudsmannen nog steeds klachten over de moeilijke bereikbaarheid van deze dienst. Men rekent erop dat tegen de zomermaanden het grootste leed zal geleden zijn.(*) Om redenen van privacy werd de naam van de betrokkene veranderd. Met dank aan mijn medewerker Patrick De Becker, attaché bij het College van de federale ombudsmannen.Dr. H. Wuyts