Er schuilen nogal wat apriori's in de kritiek op het voorstel van de Commissie-Dutroux om het politielandschap te herverkavelen. De inspirators van voor- en tegenstanders met mekaar geconfronteerd.
...

Er schuilen nogal wat apriori's in de kritiek op het voorstel van de Commissie-Dutroux om het politielandschap te herverkavelen. De inspirators van voor- en tegenstanders met mekaar geconfronteerd.Formeel heeft de Kamer vorige vrijdag de vaststellingen en de aanbevelingen van de Commissie- Dutroux unaniem goedgekeurd. In werkelijkheid is de eengezindheid minder groot dan de unanimiteit laat vermoeden. Zowel wat de voorgestelde integratie van de rijkswacht, de gemeentepolitie en de Gerechtelijke Politie tot één korps betreft, als inzake de vastgestelde individuele verantwoordelijkheden. Hierop reageren echter niet de politici, maar de geviseerde magistraten en politiemensen zelf of minstens sommige van hun beroepsorganisaties. Ze volgen daarbij de logica van het tuchtrecht, die uiteraard anders is dan die van de parlementaire onderzoekscommissie, en bespelen alle mogelijke incoherenties in het rapport. Zo wordt al de contrarevolutie gepredikt voor de bastilles van het corporatisme zijn bestormd. Dat doet ook het ?gemeenschappelijk vakbondsfront van politiediensten en magistratuur?. In weerwil van de Commissie-Dutroux, wil dit de rijkswacht en de gemeentepolitie ?in de eerste lijn? behouden maar de BOB van de rijkswacht met de Gerechtelijke Politie bij de Parketten (GPP) tot één federale, criminele politie samensmelten. Dat blijft ook het voorstel van de Franstalige liberalen en van sommige Franstalige socialisten. Want kort voor zij met zijn allen vorige vrijdag de aanbevelingen van de Commissie goedkeurden, waren bepaalde PRL- en PS-kamerleden op het spreekgestoelte van de Kamer niet mis te verstaan. De stellingen van sommige PSC'ers evenmin. Zij het dan niet in het parlementair halfrond. Velen onder hen halen hun inspiratie bij Christian De Valkeneer, rechter bij de correctionele rechtbank in Brussel, docent politiewetenschappen aan de Université Catholique de Louvain en voormalig (1991-1994) medewerker van premier Jean-Luc Dehaene (CVP) inzake politie- en veiligheidsaangelegenheden. De Valkeneers pleidooi voor het behoud van minstens twee politiediensten begin dit jaar in ?L'Affaire Dutroux ; la Belgique malade de son système? (Editions Complexe) klonk op een bepaald ogenblik sommige leden van de Commissie en haar expert, professor Françoise Tulckens (UCL), als muziek in de oren. Daar tegenover stond de stelling van de andere expert, professor Brice De Ruyver, die aan de Universiteit Gent de onderzoeksgroep leidt inzake strafrechtelijk beleid en internationale criminaliteit. Zoals intussen bekend, ligt zijn plan om alle politiediensten te fuseren aan de basis van het finale voorstel van de Commissie-Dutroux. Alle begrippen zijn echter nog niet uitgeklaard. Daarom deze allereerste confrontatie tussen De Ruyver en De Valkeneer. CHRISTIAN DE VALKENEER : Het bestaan van meerdere politiediensten biedt een democratische waarborg omdat alle mogelijke en gewenste controlemechanismen ten spijt de overheid en de burger dan van het ene korps naar het andere kunnen stappen als getwijfeld wordt aan de goede werking van een van beide korpsen. BRICE DE RUYVER : Alsof de ene politiedienst de andere controleert. De aanslepende politieoorlog en de affaires hebben voldoende bewezen dat zo'n controle theoretisch en illusoir is. Die opvatting sluit bovendien niet meer aan bij de moderne taakomschrijving van een politiedienst. Wij gaan ervan uit dat een politiedienst, zoals elke organisatie, een functionaliteit moet nastreven. En de controle daarop moet zowel intern als extern gebeuren. In een democratisch bestel moet de politie zich schikken naar de bestuurlijke overheid bij de uitvoering van taken van bestuurlijke politie ; en naar het gezag van de gerechtelijke overheid bij de uitvoering van taken van gerechtelijke politie. DE VALKENEER : Het gaat niet zozeer om de controle van de ene politiedienst door de andere, maar om de keuze die de overheid behoudt als zij problemen heeft met, of geen absoluut vertrouwen meer heeft in een van beide korpsen. Daarom pleit ik voor het behoud van meerdere politiediensten. Want laten we duidelijk zijn. Op dit ogenblik is noch de magistratuur, noch het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, het Comité-P, in staat om de nochtans zo nodige controle op de politiediensten uit te oefenen. DE RUYVER : Niemand van ons wil één monolitisch politiekorps onder de leiding van een alleenheerser. Dat ene korps, waarvoor wij opteren, zal in zijn werking én in de controle daarop gedecentraliseerd optreden. We mogen ook niet vergeten dat de strafrechtsbedeling een organisch geheel is, waarvan politie en justitie onlosmakelijk deel uitmaken. Daarom kan de voorgestelde reorganisatie van de politiediensten niet zonder een gelijklopende reorganisatie van de selectie, de opleiding, de bijscholing en de leiding binnen het gerecht. DE VALKENEER : Daar ben ik het volmondig mee eens. DE RUYVER : Bovendien weet u dat onderzoeksmagistraten nu al teams rond zich proberen te vormen en dat het makkelijker is om één enkele dan wel verscheidene politiediensten bij de uitvoering van hun rechercheopdrachten te controleren. Temeer omdat de controle ook alles vandoen heeft met interne gezagsstructuren. Tal van magistraten hebben, bijvoorbeeld, geen problemen met de lokale BOB, maar wel met het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) van de rijkswacht in Brussel. Dit soort soms prangende problemen werkt je niet weg door verscheidene politiediensten te behouden. DE VALKENEER : Hoe kan je tegelijk een geïntegreerde en toch gedecentraliseerde politie opzetten ? Zal die federale criminele politie, die dan deel uitmaakt van dat ene politiekorps, één of meer chefs hebben ? Zal die criminele politie met andere woorden werken voor het gerecht, maar in feite afhangen van de minister van Binnenlandse Zaken, zoals in Frankrijk ? Zal, bijvoorbeeld, de huidige brigadecommandant van de rijkswacht in de nieuwe structuur beter af zijn ? Nu doet hij tegenover de twee andere politiediensten, de burgemeester en de procureur binnen het vijfhoeksoverleg wel bepaalde beloftes, maar moet hij die op bevel van hogerhand al eens inslikken. DE RUYVER : Ons voorstel van één geïntegreerde maar toch gedecentraliseerde politie sluit nauw aan bij het concept van de basispolitiezorg. De politie moet inspelen op de noden van de bevolking, versta de burgemeester voor de bestuurlijke-, en de procureur voor de gerechtelijke taken. Daarom wordt het driehoeksoverleg tussen de politie, de burgemeester en de procureur van primordiaal belang. Het is echter duidelijk dat de lokale korpschef functioneel onafhankelijk van de algehele politiestructuur zal kunnen en moeten optreden. Hij en zijn diensten zijn er voor de burgemeester en de procureur. En zij bepalen het politiebeleid. Zoals het college van procureurs-generaal van zijn kant eindelijk bij machte is om, onder de leiding van de minister van Justitie, een strafrechtelijk beleid uit te stippelen waarnaar niet alleen de procureurs maar ook de federale criminele politie zich moeten voegen. Precies daarom wil de Commissie een federale magistraat, als vertegenwoordiger van het college, dicht bij die federale recherche-eenheden plaatsen. Die moet zorgen voor de implementatie van het strafrechtelijk beleid en zit bovendien op het kruispunt van de politiële en justitiële informatie, die hem of haar zal bereiken via het voorgestelde nationaal meldpunt. Dit wordt een computernetwerk waarlangs de 27 parketten eindelijk zullen weten waarmee ze in hun arrondissementen bezig zijn. Dat voor elk van die gespecialiseerde recherche-eenheden een aparte verantwoordelijke zal aangesteld worden, ligt voor de hand. DE VALKENEER : Wie is dan de uiteindelijke chef ? De federale magistraat, de procureur des konings, de burgemeester of de commissaris die ze allemaal tegen elkaar uitspeelt ? DE RUYVER : Het sleutelwoord van de voorgestelde reorganisatie is responsabilisering. Daarom is overleg op alle niveaus van cruciaal belang. Omdat bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten zo nauw op elkaar aansluiten, moeten wij daar zeker in geen scheiding voorzien. Integendeel. Zowel het driehoeksoverleg op gemeentelijk- en op federaal niveau als het overleg tussen het college van procureurs-generaal en Binnenlandse Zaken kunnen nog beter. Zoniet lukt het niet. DE VALKENEER : Er moet inderdaad overleg zijn. Maar het nu bestaande vijfhoeksoverleg werkt toch niet zo goed. DE RUYVER : Omdat al te veel burgemeesters al te weinig afweten van veiligheidsbeleid. En omdat wij nu met drie politiediensten zitten waarvan de korpschefs meestal van zeer ongelijk niveau zijn. Die van de rijkswacht weet doorgaans zeer goed wat hij wil, die van de GPP doorgaans niet en die van de gemeentepolitie heeft niets te willen maar moet luisteren naar zijn burgemeester, die meestal al even weinig visie heeft als de betrokken procureur des konings. DE VALKENEER : Ik geef toe dat ook daar een culturele revolutie nodig is. En dat het bestaande overleg beter kan. Toch blijf ik voorstander van één enkele criminele politie onder de uitsluitende leiding van het gerecht. DE RUYVER : Maar de Commissie wil dat de federale recherche-eenheden functioneel onder het gezag en de leiding van een federale magistraat opereren. Casuïstisch zal voorts elke onderzoeksmagistraat verantwoordelijk zijn voor de afhandeling van zijn onderzoek. En dan is er nog de interne controle eigen aan elke politiedienst die zich respecteert. DE VALKENEER : Het gerecht moet echter ook zeggingschap krijgen over de beschikbare mensen en middelen. Zoniet kunnen de politiechefs allerlei drogredenen inroepen om hun zin te doen. DE RUYVER : Daartoe vragen wij de wet op het politieambt (artikel 6) zodanig te wijzigen dat de magistratuur meer zeggingschap krijgt over het beheer van de politie. DE VALKENEER : Goed dan. Rest ervoor te zorgen dat de politiemensen binnen dat ene korps tijdig van functie kunnen veranderen. Al was het maar om alert te blijven en voor een goede doorstroming tussen de lokale basispolitie en de federale criminele politie te zorgen. DE RUYVER : Dit is meteen de reden waarom wij niet geloven in uw concept. Het is eigen aan alle korpsen overal ter wereld dat een politiebeambte die over interessante informatie beschikt deze moeilijk afstaat. En als hij die informatie toch doorgeeft, wil hij weten aan wie en liefst nog betrokken blijven ook. Wie voor meer korpsen blijft pleiten, moet weten dat soms belangrijke informatie nooit zal circuleren. Zij die, zoals u, opteren voor het behoud van de rijkswacht en de gemeentepolitie in de eerste lijn en op federaal niveau de BOB van de rijkswacht willen fuseren met de GPP, moeten weten dat in dit scenario de structurele handicaps van de GPP in het hele politielandschap worden ingebracht. De GPP is onder meer ten onder gegaan omdat deze brigades niet of onvoldoende ingeplant zijn in de lokale gemeenschappen. Zij zijn nochtans de voedingsbodem van goed speurwerk. Vorige zomer heb ik tijdens een studiereis bij het Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) en de Drug Enforcement Administration (DEA) kunnen vaststellen hoeveel geld en middelen zij dikwijls tevergeefs besteden om, als supergeorganiseerde politiediensten, toch voeling te krijgen met de straat. Ook daarom lijkt het opzetten van één korps ons veel efficiënter. DE VALKENEER : Nu zijn er toch ook wrijvingen tussen de rijkswachtbrigades en de BOB. Zullen die dan in één geïntegreerde politiedienst ondenkbaar zijn ? Het is een kwestie van bedrijfscultuur. DE RUYVER : Vanzelfsprekend. En het uitwerken van één statuut voor alle politiebeambten, zoals ook u voorstelt, zal daar ongetwijfeld toe bijdragen. Wij hebben in de Commissie kunnen vaststellen dat er geen politieoorlog is als de onderzoeksmagistraat zijn onderzoek echt leidt. In de voorgestelde eenheidsstructuur komt het bovendien de onderzoeksmagistraat toe om te beslissen of een onderzoek verder door lokale politiemensen, dan wel door een gespecialiseerde recherche-eenheid op het federale, ja zelfs op het internationale niveau moet voortgezet worden. DE VALKENEER : Zou het niet eenvoudiger zijn van de 589 politiekorpsen toch een dertigtal grootstedelijke steeds beter georganiseerde korpsen te behouden mits de opslorping van de stedelijke rijkswachteenheden en daarnaast de landelijke gebieden aan de hoede van de resterende rijkswachteenheden toe te vertrouwen ? DE RUYVER : Wat is de meerwaarde van dit plan ? Dit is een halve en halfslachtige oplossing. DE VALKENEER : Behalve de garantie voor de democratie, zijn er ook de menselijke gevoeligheden. Ik denk dat de gemeentepolities sinds vorige week diep ongelukkig zijn met de voorgestelde integratie. DE RUYVER : Een aantal verklaringen van eminente hoofdcommissarissen spreken dat tegen. Ook zij beseffen dat er door een goed georganiseerde integratie enorme mogelijkheden zullen vrijkomen om in betere omstandigheden nog beter werk te leveren. Laat mij erop wijzen dat er geen verschil mag zijn in aanpak tussen de wijkagent in Louvain-la-Neuve, Brugge of Brussel. De chefs werken onder het gezag en de leiding van de burgemeester op wiens grondgebied de opdrachten van bestuurlijke politie worden uitgevoerd. Het beheer van het korps daarentegen kan, in het kader van de bestaande en goed draaiende Interpolitiezones (IPZ), toevertrouwd worden aan een daartoe gemandateerd burgemeester of schepen. Betwistingen worden binnen het driehoeksoverleg tussen de burgemeester, de procureur en de korpschef uitgepraat. Zoniet kan de politiechef in het raam van zijn voorlichtingsopdracht zijn noden aan de gemeenteraad kenbaar maken. Tenslotte mogen wij niet vergeten dat de Vaste Commissie van de Gemeentepolitie al in januari 1996, bij het schetsen van de toekomstige gemeentepolitie, opteerde voor een tweeledige, functioneel geïntegreerde politiestructuur met een lokale en een federale component én voor de integratie van de werkingsmogelijkheden. In het document van de Vaste Commissie wordt gezegd : ?het creëren van een federale criminele politie en tegelijkertijd de rijkswacht en de gemeentepolitie laten voortbestaan, zou alleen maar kunnen leiden tot nog grotere spanningen, ook op het niveau van de eerste lijn.? Frank De Moor Dehaene, Vande Lanotte en De Clerck : het is nu aan de premier en zijn ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie om te voorstellen van de Commissie-Dutroux zo snel mogelijk te concretiseren en uit te voeren.