Zijn Belgische politici armoedzaaiers of rijkeluiskinderen ? Een blik op hun loonbriefje, op kleine en grote vergoedingen of op andere voorzieningen die het mandaat financieel de moeite waard maken.
...

Zijn Belgische politici armoedzaaiers of rijkeluiskinderen ? Een blik op hun loonbriefje, op kleine en grote vergoedingen of op andere voorzieningen die het mandaat financieel de moeite waard maken. WAT is er toch met parlementsleden en hun salariëring ? Een nukkige Kamervoorzitter Charles-Ferdinand Nothomb (PSC) weigerde enkele jaren geleden gewoon te antwoorden op de vraag wat een mandataris verdiende. De kasteelheer verzon ter plaatse dat de burger in ons land voor de democratie ?amper de prijs van een pakje sigaretten per jaar betaalt.? Op de viering van 25 jaar Knack verkondigde een malcontent CVP-parlementslid aan iedereen die het wou horen : ?Vier kinderen, allemaal universiteit meneer, en geen recht op een studiebeurs. In mijn advocatenpraktijk heb ik een vervanger moeten stoppen, die me 100.000 frank per maand kost. Van mijn mandaat word ik alleen armer.? Even later onthulde ex-weerman en SP-volksvertegenwoordiger Bob De Richter in De Standaard Magazine wat hem alvast niet naar de politiek gedreven had : ?Voor het geld doe ik het zeker niet.? En per toeval riep zijn VLD-collega Aimé Desimpel in de bijhorende krant : ?Ik doe het niet om den brode, wel uit idealisme.? De voormalige baksteenbakker verdient het voordeel van de twijfel, want wie zijn bedrijf verpatst voor afgerond twee miljard frank, kan zich effectief een behoorlijke portie idealisme permitteren. DE KLUTS KWIJT.Neem tenslotte Willy Taelman. Taelman ? Voor wie het niet weet : de man is VLD-kamerlid en voorzitter van de quaestuur. In een recent interview in de Burgerkrant, het ledenblad van de Vlaamse liberalen, meldde hij : ?Op dit ogenblik verdienen we 2,4 miljoen bruto per jaar (...) Wanneer we dit vergelijken met andere landen, liggen we in de middenmoot, iets naar de lage kant (...) Vergeleken met sommige ambtenaren of kaderleden die een gelijkaardige functie uitoefenen, zeg ik dat we onderbetaald zijn.? Taelman doet eufemistisch uitgedrukt in meerdere opzichten de waarheid geweld aan. Parlementsleden in ons land verdienen geen 2,4 miljoen per jaar bruto, wel afgerond 3,3 miljoen en voor quaestoren komt daar nog een stuk bijkomend salaris, annex kostenvergoeding bij, beide samen goed voor een supplementair netto-inkomen vergelijkbaar met dat van een kleine bediende. Die honorering is, getoetst aan salarissen in de ons omringende landen, zonder meer behoorlijk (zie kader). Frankrijk lijkt veel guller, maar hier vertroebelt een ruime secretariaatsvergoeding het beeld enigszins. Die vergoeding wordt echter integraal belast indien de verkozene ze niet gebruikt voor lonen en sociale lasten van medewerkers. En in Duitsland valt voor een vertegenwoordiger des volks zeker méér te rapen dan bij ons, maar daar staat één Bundestag-verkozene voor afgerond 90.000 potentiële kiezers, terwijl ons land één Kamerlid per 47.000 kiesplichtigen telt of amper de helft. Berekend naar rata van het aantal klanten, steken onze parlementsleden dus op het vlak van salariëring met kop en schouders boven de buitenlandse concurrentie uit. Taelman miskijkt zich ook op de hoogte van salarissen voor ambtenaren ; de overheidsfunctionarissen met 3,3 miljoen kunnen met gemak in enkele autobussen. Ter vergelijking : een regent met een volledige carrière achter de rug verdient Taelman zou dat als ex-leraar Nederlands aan het atheneum van Brasschaat moeten weten bruto 1.418.404 frank of 42 procent van de wedde van een parlementslid. Nog altijd in datzelfde gesprek probeert de VLD'er ook het recent optrekken van de parlementaire vergoedingen glad te strijken. Enkele maanden geleden werd immers de invoering goedgekeurd van een onbelaste, forfaitaire vergoeding voor parlementsleden (28 procent van de jaarwedde of 694.264 frank). Zeer terecht, toetert de quaestor want ?we hebben met de minister van Financiën besloten dat de forfaits die in elk vrij beroep bestaan ook op ons zouden worden toegepast.? Het geacht lid nochtans voorzitter van het pensioenfonds van de Kamer en verantwoordelijk voor het personeelsbeleid (?Mijn taak is te vergelijken met het dagelijks beheer van een bedrijf?) lijkt hier lichtelijk de kluts kwijt. Een zogenaamd forfait voor vrije beroepen staat helemaal niet voor het toekennen van een stuk belastingvrij inkomen, maar wel voor een forfaitaire kostenaftrek (van het belastbaar inkomen, dus). Zo kunnen bijvoorbeeld advocaten een forfaitaire kostenaftrek claimen van 2 procent op hun eerste inkomensschijf van 1 miljoen, wat niets te maken heeft met de 28 procent. GEBUISD.In feite toont ons land zich relatief genereus voor parlementsleden. Zo bestaat nergens ter wereld een regeling waarbij vertegenwoordigers van een lokale gemeenschap financieel op gelijke voet worden behandeld als hun federale collega's. Enkel in België is dat het geval (Vlaams Parlement,...) en : er bestaat in de meeste landen ook een wezenlijk onderscheid tussen de traktementen voor leden van een Eerste en een Tweede Kamer (bij ons Senaat en Kamer). Neem Nederland. De leden van de Eerste Kamer verdienen er zegge en schrijve 605.690 frank (belastbaar) per jaar, aangevuld met een belastingvrije kostenvergoeding van 263.120 frank. De Belgische generositeit schuilt niet alleen in de lonen in strikte zin, maar ook in de extralegale voorzieningen. En dan gaat het niet om het uitstekend restaurant in het Paleis der Natiën, de schitterende wijnkelder, de dokter die de verkozenen er kunnen raadplegen, de fitnesszaal of het in wezen vernederend gehaspel rond Makro-kaarten. In onze sociale zekerheid vormt een parlementslid een, wat heet, ?niet beschermd persoon?. Tenzij hij of zij (elders) verzekerd zou zijn, bijvoorbeeld als zelfstandige of als werknemer. Maar toch zorgen de verschillende volksvergaderingen er voor dat hun leden in elk geval kinderbijslag krijgen en (samen met hun gezinsleden) verzekerd zijn voor geneeskundige zorg, tegen lichamelijke ongevallen, ziekte en overlijden. Zo krijgen nabestaanden wanneer hun parlementslid tijdens zijn of haar mandaat overlijdt, 14,8 miljoen frank en bij blijvende arbeidsongeschiktheid ligt er voor de betrokkene maximaal 22,5 miljoen klaar. Dat zit bij onze noorderburen wel héél anders. Nabestaanden krijgen er drie keer de laatste maandwedde uitbetaald en daarmee is de kous volledig af. De pensioenregelingen voor de verscheiden Belgische Vergaderingen verschillen onderling lichtjes. Zo kan een lid van de Senaat vanaf zijn of haar 58ste op rust met een vergoeding van 4,2 procent (van de vergoeding) per gepresteerd jaar. Leden van het Vlaams Parlement mogen vanaf hun 52ste thuis blijven, tenminste als ze acht jaar zetelden in Kamer, Senaat of Vlaamse Raad. Inzake pensioenen lijkt de Duitse regeling de meest gestrenge, want de Abgeordnete heeft normaal gesproken pas op zijn of haar 65ste recht op een pensioenuitkering. Parlementslid zijn, geeft soms aanleiding tot een vrij onzeker bestaan. Daarom werden voorzieningen getroffen voor degenen die bij verkiezingen uit de boot vallen : de eenmalige, zogenaamde afscheids- of uittredingsvergoeding. In onze Vergaderingen wordt een onderscheid gemaakt op grond van de duur van het mandaat. Bedroeg het minder dan één jaar, dan geeft elke gepresteerde maand recht op één maand afscheidspremie (één twaalfde van de gewone vergoeding van 2,4 miljoen). Van één tot twaalf gepresteerde jaren, leveren onveranderlijk een vol jaar aan afscheidspremie op. Voor méér dan twaalf dienstjaren krijgt de betrokkene ook één jaarvergoeding plus één maand bonus daar bovenop per gepresteerd jaar. Al bij al lijkt hier voor één keer het Nederlands systeem het interessantst. Een voormalig lid van de Tweede Kamer krijgt namelijk voor elk geklopt jaar ook een uitlooppremie van één jaar, met een maximum van zes jaar uitkering. Bovendien kennen onze noorderburen het verschijnsel wachtgeld. Een gebuisd parlementslid van 50 of ouder en een mandaat van minstens één decennium, heeft tot zijn 65ste namelijk recht op dat wachtgeld en gaat daarna definitief op pensioen. KWADE DROOM.De verschillende landen kennen op het gebied van deze extrasociale voorzieningen allemaal hun eigen particulariteiten. Duitsland biedt, bijvoorbeeld, de meest sluitende verzekeringspolis tegen alle mogelijke calamiteiten van vallende meteoren tot persoonlijke agressie en is zo begaan met de veiligheid van de afgevaardigden dat het zelfs de kosten terugbetaalt voor alarminstallaties in hun privé-woning of -appartement (tot 656.000 frank). De Fransen voorzien hun députés dan weer van een aanvullende kinderbijslag dat vanaf de derde spruit begint aan te tikken. Die levert namelijk al 115.200 frank per jaar op. Begin jaren zeventig beriep een overzees afgevaardigde zich in Parijs overigens op 37 nakomelingen bij verschillende vrouwen. Na eindeloos soebatten, reisden twee leden van de administratie van de Assemblée Nationale naar de betrokken circonscription af om dat na te trekken. Een ambtenaar van de vergadering herinnert zich vandaag nog altijd de verhalen over ?hilarische scènes met krijsende moeders en een woest parlementslid, waarbij de twee ambtenaren beslisten van deze kleine aanvaarden we, die andere niet en finaal een kroost van elf stuks overhielden.? Frankrijk toont zich ook het vrijgevigst bij de honorering van de parlementsvoorzitter. Net zoals in alle andere landen krijgen voorzitters, ondervoorzitters, quaestoren, fractieleiders en (enkel in Frankrijk) commissievoorzitters een extra vergoeding, gedeeltelijk als belastbaar inkomen, deels als onbelaste vereffening van vermeende kosten. Parijs, waar de primus inter pares van de Assemblée zich kan beroepen op één van de meest prestigieuze banen van het land, vangt de voorzitter 3,2 miljoen frank extra per jaar als loon, plus ruim één miljoen als onkostenvergoeding. De president van de Bundestag heeft recht op een dubbele parlementaire vergoeding en in ons land schommelen deze bonussen tussen 14 en 72 procent van het normale salaris. Plus een alomtegenwoordige, belastingvrije kostenvergoeding. Nog een factor die het inkomen van parlementsleden grondig kan beïnvloeden : de cumulregeling. Kamer, Senaat en Raden bij ons, schuiven dat heikel hoofdstuk losjes door naar de partijen ; vooral zij beslissen wat hun mandatarissen mogen en statutair leggen hun assemblées hen nauwelijks één beperking op. Duitsland is op dit vlak heel wat rigider. Amper 29 procent van de Bundestag-verkozenen heeft links of rechts een schnabbel, waarvan de opbrengsten overigens stipt aan de voorzitter moeten worden gemeld. Cijfers voor ons land zijn niet te achterhalen, maar wellicht leeft niet eens één parlementslid op tien enkel en alleen van zijn of haar vergoeding. Frankrijk houdt zich evenmin als Groot-Brittannië niet bezig met cumuls in de privé-sector, maar beperkt het aantal zogenaamde grote mandaten (lid van de Assemblée, van het Europees Parlement, burgemeester van een stad met meer dan 20.000 inwoners,...) tot twee per verkozene. De strengste regeling terzake geldt in Nederland. Hier mag een lid van de Tweede Kamer behalve zijn of haar schadeloosstelling (de geijkte term daar voor de parlementaire vergoeding) maximaal 275.595 frank per jaar totaliseren als inkomen uit ?andere arbeid?. Bij het overschrijden van die grens, wordt onmiddellijk een bedrag ingehouden op de schadeloosstelling. Namelijk 50 procent van alles boven de 275.595 frank maar wel met een maximale boete van 803.509 frank per jaar. Dat levert dus in het slechtste geval nog een parlementair inkomen op van amper 1.474.259 frank en dat is meteen ook het bedrag dat een verkozene krijgt wanneer hij of zij weigert alle neveninkomsten netjes aan de Kamer mee te delen. Voor Belgische mandatarissen, met omzeggens onbeperkte cumuls, lijkt het Nederlands systeem gewoon op een kwade droom. KARIG LOON.Is nu 3,3 miljoen per jaar, plus al de voorzieningen die het halen van het einde van de maand zoveel makkelijker maken, een vette wedde ? Belgische parlementsleden hebben zich nu al ruim 160 jaar moeten bekwamen in het verantwoorden van hun salaris tegenover een achterdochtige kiezer, maar zijn daarbij niet verder geraakt dan clichés. Hoge verantwoordelijheid onder meer, lange werkdagen en -weken, veel kosten van de pinten op bals tot kiescampagnes of nog : aanzienlijke (verplichte) afdrachten aan hun partij. Hoeveel bedragen die concreet ? Van alle Vlaamse politieke partijen, is alleen de CVP daar open over. Zegt algemeen secretaris Chris Taes : ?Dat ligt vrij simpel. Lokale verkozenen dragen bij ons 7 procent af op presentiegelden, wedden en lonen. Leden van het Vlaams Parlement, de Senaat en de Kamer betalen ons 10.000 frank per maand en ministers 15.000.? Blijft de vraag : hoeveel is 3,3 miljoen ? Het is objectief veel voor een klein land en berekend per stemgerechtige of kiesplichtige. Het lijkt veel omdat het hele scala aan vergoedingen en bijkomende voorzieningen niet toegekend wordt aan een kleine, goeddraaiende volksvergadering, maar aan enkele honderden verkozenen, zeer heterogeen inzake kwaliteit, die zich bovendien politiek buitenspel hebben laten zetten. Het kan veel worden wanneer zich op het parlementair mandaat lucratieve bijbanen enten in intercommunales of op stadhuizen, wanneer ze gecumuleerd worden met inkomsten uit advocatenkantoren of een hele waslijst van andere, goed gehonoreerde activiteiten. Maar het is tenslotte geen jackpot voor de (zeldzame) verkozene die alleen leeft van zijn mandaat. De goegemeente gedoogt overigens zonder verdere vragen dat een derderangskomiek, bekend van VTM of uit andere verheffende media, per avond bruto het nettosalaris van een lager kaderlid meepikt. Dat een voetballer uit tweede klasse een paar miljoen opstrijkt, zal zelden of nooit een punt vormen aan de kroegtoog. Of neem de salarissen van managers. In het weekblad Trends verscheen onlangs een vrijpostige column van Marc Buelens, docent aan de universiteit van Gent. Hij betoogde dat loon en verantwoordelijkheid dezer dagen nog slechts voor een klein deel aan mekaar gekoppeld zijn (?Vraag dat maar aan de mensen die verantwoordelijheid dragen voor ons kostbaarste bezit. Of worden gouvernantes en kleuterjuffrouwen zo vorstelijk betaald ??) Recht voor de raap schreef Buelens : ?Topmanagers zijn niet meer beschaamd om netto twintig tot vijftig keer meer te verdienen dan hun arbeiders of bedienden. Zonder schroom worden (afscheids)premies aanvaard van tientallen miljoenen, een bedrag dat de meeste bedienden niet eens verdienen in hun hele loopbaan.? De docent dacht dat de torenhoge lonen niet te verklaren zijn door een schaarste op de markt, noch door de meerwaarde die managers creëren, maar wel door het feit dat ze slaafs de belangen dienen van hun aandeelhouders. En in één adem noteerde hij dat ?toppolitici in vergelijking met privé-managers nog steeds een karig loon verdienen.? De opmerkelijke visie van Marc Buelens werd onthaald op een oorverdovend stilzwijgen. Alleen Paul Buysse, opgeklommen van koffiejongen bij Ford tot manager bij de multinational Hanssen en intussen het zelfbenoemd orakel van de Antwerpse ondernemerswereld, reageerde giftig in een vrije tribune. Vooral omdat Buelens ?bovendien een partner van de Vlerick School voor Management? het aandurfde vragen te stellen bij belachelijke lonen van managers. NIET THUIS.Parlementsleden, wellicht bevreesd voor het misprijzen van de kiezer, doen onveranderlijk besmuikt over hun inkomen. Ze draaien het publiek, liever dan de waarheid eruit te smijten, een rad voor de ogen de 2,4 miljoen waarop altijd gehamerd wordt. Dat is niet eens typisch Belgisch. Tot twee keer toe probeerde de in Genève gevestigde Interparlementaire Unie een vergelijkende studie uit te werken over de honorering van parlementsleden in Europa. Met antwoordpercentages op de uitgestuurde vragenlijsten van 7 en 14 procent waren die plannen snel opgedoekt. Zegt een woordvoerder van de Unie : ?In Groot-Brittannië informeerden we naar de pensioenregeling en kregen een zeer kort, bitsig briefje terug. Dat gaat u hoegenaamd niets aan.? In eigen land is het een al even grote martelgang om achter de ware cijfers te komen. Bij de Senaat, geen echt probleem. Het Vlaams Parlement dat pretendeert een open huis te zijn, antwoordde na eindeloos aandringen met een vage nota over het parlementair statuut. De diensten van de Kamer meldden mondeling letterlijk : ?Alle inlichtingen nopens de inkomsten van de leden, horen schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde dienst, namelijk de voorzitter.? Maar die gaf ook na twee schriftelijke aanvragen om inlichtingen nog altijd niet thuis. Toen de parlementsleden zichzelf 28 procent van hun loon toekenden als bijkomende, niet belastbare vergoeding, wou een Vlaamse politieke partij een soort verantwoordingsnota uitwerken. Het ontwerp voor dat document kwam van de parlementsleden zelf en opende met een voltreffer : ?De 28 procent is bestemd voor het bijwonen van recepties en andere feestelijkheden.? Met dit soort weerwerk win je niet onmiddellijk de volksgunst. Wat moet een mens tenslotte denken van verkozenen die hun eigen verdiensten niet kunnen verantwoorden ? Jos GrobbenBelgië is relatief genereus voor parlementsleden.VLD-Kamerlid Willy Taelman : lichtelijk de kluts kwijt.Boetes voor absenties worden in Frankrijk gewoon niet toegepast.