Wanneer jongeren voortstuderen, nemen ze het waardepatroon van hun ouders mee.
...

Wanneer jongeren voortstuderen, nemen ze het waardepatroon van hun ouders mee.VAN DE HONDERD jongeren die zich voor de eerste keer in het hoger onderwijs inschrijven, behalen er uiteindelijk 68 een diploma. Maar de wegen naar het succes verschillen nogal. Sommigen bissen en trissen. Anderen volgen de waterval van de universiteit naar het hoger onderwijs van het korte type. Dit soort onderwijs heet nu overigens hoger onderwijs van één cyclus en duurt minstens drie jaar. Afgezien daarvan is er ook nog hoger onderwijs van twee cycli om, bijvoorbeeld, industrieel ingenieur te worden. Wie naar de universiteit gaat, volgt academisch onderwijs in twee cycli. Veranderen van studierichting, waarbij soms ook weer het eerste jaar meer dan een keer gevolgd wordt, resulteert bij honderd starters in 145 inschrijvingen. Dit berekende professor Annie Colla van de Vlaamse Economische Hogeschool (Vlekho) in Brussel. Zij onderzocht hoe achttienjarigen een studierichting in het hoger onderwijs kiezen. Daarvoor nam ze een steekproef bij 621 leerlingen van het laatste jaar secundair onderwijs in het vrije net. Schrijven steeds meer achttienjarigen zich in voor een hogere studie ? ANNIE COLLA : Een tijd terug dacht ik dat het aantal inschrijvingen in het hoger onderwijs aan een plafond zat. Ik vergiste me. In tien jaar tijd is er een toename van twintig procent. Terwijl in 1984 slechts 36 procent van de achttienjarigen aan een hogere studie begon, is dit percentage in 1994 toegenomen tot 56 procent. Van hen gaat 19 procent naar de universiteit, 26 procent naar het hoger onderwijs van één cyclus en 11 naar twee cycli. Zo te zien, heeft de economische context geen invloed op de steeds groeiende bereidheid van de jongeren en hun ouders om voort te studeren. Waarom kiezen veel jongeren een studierichting met weinig toekomstkansen op de arbeidsmarkt ? COLLA : Zowel mijn als andere onderzoeken wijzen erop dat jongeren enorm door interesse gedreven zijn. Ik vind het zelf belangrijk dat ze gaan studeren wat ze graag doen. Een deel van de studenten is het beu te horen welke studierichtingen het niet goed doen volgens de VDAB. Volgens andere signalen uit de maatschappij moeten ze dan weer vooral hun persoonlijkheid ontwikkelen en zich waarmaken, ongeacht het diploma dat ze behalen. Deze gedachte is breed verspreid. Jongeren in de economische richtingen en in andere brede opleidingen kiezen veeleer met het oog op de arbeidsmarkt. Je kan trouwens niet verwachten dat ze belangstelling zouden hebben voor alle mogelijke vakken in hun pakket, van rechten tot wiskunde, over talen en filosofie. Gaan de jongeren met een pak goede raad naar het eerste jaar hoger onderwijs ? COLLA : Ik plaats een groot vraagteken achter de invloed van hun examenresultaten in het secundair onderwijs op de studiekeuze. De achttienjarigen houden er weinig rekening mee. Ze blijken ook weinig aandacht te besteden aan de adviezen van hun leraren en het PMS-centrum. Wat wel een rol speelt, is dat sommigen hun huidige sociale status willen bevestigen of verhogen. Dit valt op bij studenten talen in het hoger onderwijs van één cyclus, economie aan de universiteit en de uniformberoepen, zoals in de burgerluchtvaart en de krijgsmacht. Hierbij hecht de prestatiegerichte student geen belang meer aan het al of niet studentikoos karakter van zijn toekomstig studentenmilieu. Meisjes kiezen meer dan jongens voor opleidingen in het hoger onderwijs van één cyclus. COLLA : Meisjes hebben het graag een beetje prettig en studentikoos. Ze kiezen meer voor kleine, studentvriendelijke instellingen waar iedereen elkaar kent. Die sfeer vinden ze makkelijker in het hoger onderwijs van één cyclus. Daarentegen spreekt het tweecyclionderwijs overwegend jongens aan. Die kiezen veeleer voor een meer studiegerichte omgeving. Aan de universiteit is hierrond geen opvallend verschil tussen beide geslachten. Het klassieke rollenpatroon is nog niet echt verdwenen. Zijn meisjes minder ambitieus ? COLLA : Er blijven typisch ?vrouwelijke richtingen? bestaan. De vervrouwelijking neemt zelfs toe in de biomedische richtingen aan de universiteit. In het talenonderwijs van één cyclus van 80 procent in 1984 tot 87 procent in 1993. Het pedagogisch hoger onderwijs van één cyclus telde in de periode '84-'93 gemiddeld 77 procent meisjes. Toch is er in de laatste jaren een lichte vermannelijking. De sociale en paramedische richtingen blijven overwegend vrouwelijk. Wanneer we een studierichting bekijken, met richtingen in twee of drie types van hoger onderwijs, telt het ééncyclusonderwijs altijd meer meisjes dan het tweecyclionderwijs aan de hogescholen of de universiteiten. Wanneer een meisje, bijvoorbeeld, kiest voor een richting talen of economie, kiest ze frequenter voor een ééncyclusopleiding dan een jongen. Meisjes mikken over het algemeen niet op het allerhoogste, terwijl jongens hun ambitie kracht bijzetten. Welke rol speelt de sociale klasse van de ouders bij de studiekeuze ? COLLA : Leerlingen die in het secundair onderwijs in een zogenaamde moeilijke richting afstuderen, komen meestal uit een sociale klasse met een hoger aanzien dan de leerlingen die afstuderen in ?makkelijke? richtingen. Grieks-Latijn-wiskunde, Latijn-wetenschappen, wetenschappen-wiskunde en Latijn-moderne talen hebben een hogere sociale-klasse-index dan economie-moderne talen, handel of secretariaat-talen. Blijkbaar bepaalt de sociale klasse van het ouderlijk milieu nog mee de afstudeerrichting in het secundair onderwijs. Dit ondanks alle pogingen in het recente verleden om het secundair te democratiseren en de afstudeerrichtingen enkel afhankelijk te maken van de persoonlijke kwaliteiten van de leerling. Hierbij zou je vragen kunnen stellen over het mislukken van het democratiseringsproces. Zou het niet kunnen zijn dat de kwaliteiten die het secundair onderwijs positief waardeert, net samenvallen met de kwaliteiten die de gezinnen van de hogere sociale klassen het meeste stimuleren ? Zet die trend zich voort in het hoger onderwijs ? COLLA : Bij die doorstroming is er een lichte afzwakking. De richting economie-wiskunde, bijvoorbeeld, heeft niet zo'n hoge sociale-klasse-index. Toch stromen de meeste leerlingen ervan door naar de universiteit. Maar de leerlingen uit de andere sociaal lager gewaardeerde richtingen gaan veelal naar het hoger onderwijs van één cyclus. Ook degenen die in het secundair al eens bleven zitten. In het hoger onderwijs blijft er evenwel een duidelijke samenhang tussen de sociale klasse en de gekozen studierichting. Wie kiest voor een studie die uitmondt in een sociaal sterk gewaardeerd beroep, komt gemiddeld uit een hogere sociale klasse dan wie opteert voor een studierichting die aansluit op een beroep uit de middenklasse. Onder sociaal sterk gewaardeerde beroepen vallen onder meer arts, apotheker, tandarts en veearts. Juristen en notarissen staan tot mijn verbazing wat lager op de ladder. Bij de beroepen uit de middenklasse behoort het bediendenwerk. Kinderen van aannemers beginnen over het algemeen aan een minder prestigieuze hogere studie. Wellicht zijn die mensen praktischer gericht en ontwikkelen hun kinderen minder vaardigheden die de school juist beloont met goede studieresultaten. Hebben ouders nog enige invloed op de studiekeuze van hun kinderen ? COLLA : Ik denk dat een jongere van kleinsaf tracht te doen wat zijn ouders wensen wat hij doet. Er zijn genoeg voorbeelden van artistieke beroepen die van vader op zoon voortgezet worden. Ook bij de wielrenners. De zogenaamde sociale ongelijkheid in het onderwijs heeft tegenwoordig minder met geld te maken dan met de sociale achtergrond van de ouders en hoe ze hun kinderen opvoeden. De meeste bevraagde studenten beweren dat de ouders hen niet gedwongen hebben om één of andere studierichting te volgen. Onbewust nemen ze misschien het waardepatroon van thuis over en volgen ze toch het voorbeeld van de ouders. Maar ze geven dat niet graag toe. Gaby De Moor Annie Colla (inzet) : Sociale klasse blijft een rol spelen bij de studiekeuze.