Het kind moet een naam hebben. Dus ook de Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Omdat de Luikse professor Michel Franchimont sinds 1991 een commissie van experten leidt die deze verbetering uitwerkt, was het evident dat de wet en de commissie zijn naam zouden dragen.
...

Het kind moet een naam hebben. Dus ook de Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Omdat de Luikse professor Michel Franchimont sinds 1991 een commissie van experten leidt die deze verbetering uitwerkt, was het evident dat de wet en de commissie zijn naam zouden dragen. De wet die op vrijdag 2 oktober van kracht wordt, wijkt echter gedeeltelijk af van wat de commissie beoogde. Door de amendementen van regering en parlement raakte de samenhang soms zoek. Hoewel de magistratuur nog altijd niet de bijkomende mensen, burotica en lokalen kreeg om haar vele nieuwe taken naar behoren uit te voeren, werd in een mediatieke bui beslist dat het vlug moest gaan. De wet moest en zou "uiterlijk zes maanden na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad" - 2 april 1998 - van kracht worden. Toch waren Franstalige en Nederlandstalige topmagistraten het vorige week nog oneens over de datum waarop de nieuwe wet in werking moest treden. De eersten dachten 3, de anderen 2 oktober. Intussen worden politiemensen, parketmagistraten, onderzoeksrechters, rechters, raadsheren en advocaten geconfronteerd met een wet die de vergelijking met een aardbeving kan doorstaan. Wie vanaf vrijdag door politiemensen of magistraten ondervraagd wordt, kan eisen dat alle vragen en alle antwoorden letterlijk worden genoteerd. De ondervraagde mag tijdens het verhoor gebruik maken van documenten. Het procesverbaal moet niet alleen het tijdverloop van het verhoor maar ook alle mogelijke aanwezigen vermelden. De ondervraagde heeft ook recht op een gratis kopie van dat pv. De onderzoeksrechter moet die kopie binnen de 48 uur bezorgen; de politiediensten binnen de maand - op enkele uitzonderingen na. Niet alleen het parket maar officiëel ook de onderzoeksrechter en de advocaten mogen aan de pers gegevens over een zaak verstrekken. Deze institutionalisering van al dan niet selectieve lekken is des te belangrijker omdat het recht op inzage van het gerechtsdossier vervroegd en opmerkelijk wordt uitgebreid. En omdat de betrokken partijen het verloop van het onderzoek kunnen beïnvloeden door het eisen van bijkomende onderzoeksopdrachten. Ondertussen krijgen getuigen en verdachten maar ook slachtoffers en zogenaamd benadeelde personen nieuwe rechten. Over al de nieuwigheden worden nu allerlei symposia en werkvergaderingen georganiseerd. Sommige professoren weigeren daaraan mee te werken omdat zij de wet te onsamenhangend vinden. Anderen sparen evenmin hun kritiek maar gaan wel het debat aan. Professor Chris Van den Wyngaert (UIA) is één van de meest actieve leden van de commissie-Franchimont en coauteur van het initiële wetsontwerp. In het licht van de wetswijzigingen en het nieuwe academiejaar herschreef zij haar referentiewerk "Strafrecht en Strafprocesrecht" bijna volledig. Was het geen nadeel gedurende al die jaren in de commissie-Franchimont een aantal wetswijzigingen uit te werken en intussen te moeten vaststellen dat regering en parlement steeds meer voorstellen op naam van de commissie schreven?Chris Van den Wyngaert: Toen ons voorstel in december 1996 aan het parlement werd voorgelegd, had de regering al verschillende van onze fundamentele opties bevraagd. Zo werd, op aansturen van de SP, de mini-instructie ingevoerd. Daarbij wordt het onderzoek volledig aan het parket overgelaten en wordt de onderzoeksrechter er slechts als rechter van het onderzoek bijgehaald om een of andere dwangmaatregel uit te vaardigen zonder dat hij het hele onderzoek in handen mag nemen. Theoretisch werd aan het klassieke jobprofiel van de onderzoeksrechter niet geraakt en wordt de mini-instructie voorlopig beperkt gehouden, maar toch krijgt de onderzoeksrechter nu een tweeslachtig statuut. Hier bevestigde de regering de macht van de parketten, goed wetende dat die toch onder het gezag van de regering zouden komen.Van den Wyngaert: Dit was inmiddels al gebeurd door het college van procureurs-generaal in mei 1997 te institutionaliseren. En door wettelijk vast te leggen dat de minister van Justitie het strafrechtelijk beleid bepaalt en de procureurs-generaal en de procureurs des konings in een uitvoerende rol te dringen. Er waait tegenwoordig natuurlijk meer dan één storm door justitie: tijdens de parlementaire behandeling van onze voorstellen werden telkens weer nieuwe thema's aangeroerd. Zo zal de procureur des konings die een zaak zonder gevolg klasseert, dit sepot voortaan moeten motiveren in het licht van de ministeriële richtlijnen en de uitvoering ervan door het college van procureurs-generaal. Deze motiveringsplicht is een gunstige evolutie: de parketten moeten nu rekening houden met de prioriteiten in het strafrechtelijk beleid en het slachtoffer zal eindelijk weten wat er met zijn zaak gebeurt. Mede onder invloed van de commissie- Dutroux werd ook de afbakening van de bevoegdheden tussen politie en parket, en tussen speurders en onderzoeksrechter, veel explicieter omschreven. Hier werden onze voorstellen ongetwijfeld verbeterd. Nu ligt de leiding van een opsporingsonderzoek duidelijker dan ooit bij de procureur, en van een gerechtelijk onderzoek bij de onderzoeksrechter. Hij waakt over de wettelijkheid en de loyauteit van de bewijsmiddelen. Op voorstel van de Kamerleden Marc Verwilghen (VLD) en Geert Bourgeois (VU) werd ook de proactieve recherche in de wet ingeschreven en binnen het opsporingsonderzoek ondergebracht. Sommigen beweerden vroeger dat de proactieve recherche, die bepaalde criminogene segmenten van de samenleving in kaart wil brengen voor het daar tot strafbare feiten komt, aan het eigenlijke opsporingsonderzoek voorafging en dus beter onder de autonome verantwoordelijkheid van de politiediensten werd gevoerd. Mede door de vaststellingen van de commissie-Dutroux heeft het parlement deze zienswijze resoluut verworpen. De wet bepaalt nu dat de proactieve recherche wel degelijk binnen het opsporingsonderzoek valt en een strafrechtelijk doel moet hebben. Deze benadering wordt ook essentiëel bij het aanwenden van bijzondere opsporingsmethodes of politietechnieken. Aanvankelijk beoogde de commissie geen bijkomende rechten voor het slachtoffer.Van den Wyngaert: Alleen voor de burgerlijke partij. Tijdens de behandeling in het parlement werden echter nieuwe statuten binnen het gerechtelijk onderzoek uitgewerkt. Naast een statuut voor het slachtoffer, is er een voor de benadeelde en een ander voor de burgerlijke partij. Ook bestaat de tendens om slachtofferverenigingen een vorderingsrecht te geven. De CVP-senatoren André Bourgeois en Hugo Vandenberghe stelden dit voor, maar gelukkig werd het niet aanvaard. Verenigingen kunnen zich echter wel op grond van al bestaande wetten burgerlijke partij stellen. Nieuw is dat zij nu, volgens de wet-Franchimont, al één maand na hun burgerlijke partijstelling kunnen vragen om het onderzoeksdossier in te kijken. Dat kan tot misbruiken leiden als malafide verenigingen zich burgerlijke partij stellen om in het strafdossier in te breken. Bovendien kunnen verdachte, slachtoffer en verenigingen allerhande, die zich burgerlijke partij stellen, voortaan het verloop van het onderzoek mee bepalen. Zij verwerven niet alleen het inzagerecht maar ook het recht om aan de onderzoeksrechter bepaalde onderzoeksdaden op te dragen. En ze kunnen beroep aantekenen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling als de onderzoeksrechter weigert die onderzoeksdaden uit te voeren. De commissie-Franchimont had deze mogelijkheid van hoger beroep resoluut verworpen. We wilden vermijden dat een onderzoek gemanipuleerd zou worden. Die mogelijkheid is er echter tijdens de behandeling in de Senaat, op aandringen van senator Fred Erdman (SP), toch weer ingeslopen. We krijgen meer dan ooit lekkende onderzoeken en comités die zich als volksrechtbanken opwerpen.Van den Wyngaert: Dit dreigt de nieuwe toonzetting van het gerechtelijk debat te worden. De vraag is of al deze nieuwe rechten voor verdachten en burgerlijke partijen wel het algemeen belang dienen. Op die manier wordt justitie immers ten dele geprivatiseerd. De wetgever heeft hoe dan ook de deur open gegooid voor een totaal ander concept van het gerechtelijk onderzoek. Vroeger ging men ervan uit dat de overheid vrij spel moest hebben tijdens het onderzoek en dat de rechten van de verdediging pas tijdens de terechtzitting aan bod kwamen. Nu kunnen verdachte zowel als slachtoffer die rechten al tijdens het onderzoek uitoefenen. Dit zal de openbare terechtzitting tot een vrij summiere papieren procedure herleiden.Wie een steeds grotere mediatisering van het theoretisch nog steeds geheim en niet-tegensprekelijk onderzoek wou vermijden, zal nu het tegenovergestelde krijgen. De betrokken partijen zullen de media voor hun kar willen spannen.Van den Wyngaert: Dit is niet uitgesloten. Als u ziet wat er in de Agusta-zaak gebeurde: alle media beschikken omzeggens over het volledige dossier. Dat zal voortaan al kunnen tijdens het gerechtelijk onderzoek en dus voor de zaak voor de rechter komt. In de wet-Franchimont zijn tijdens de parlementaire behandeling wel enkele artikels ingebouwd om misbruik van het inzagerecht te bestraffen. Maar hoe zal dat misbruik vastgesteld, laat staan gesanctioneerd worden? U bent het ook oneens met de nieuwe wet waar die stelt dat het debat over het wettelijk karakter van de bewijsgaring niet langer in openbare terechtzitting zal gevoerd worden, maar voortaan in de beslotenheid van de Kamer van Inbeschuldigingstelling.Van den Wyngaert: In België worden gerechtelijke onderzoeken afgesloten door de raadkamer, die achter gesloten deuren zetelt. In de meeste landen bestaat dat niet. Daar wordt een zaak rechtstreeks en in het openbaar voor het vonnisgerecht gebracht. Dit systeem is eenvoudig en laat vooral een publieke controle op de rechtspleging en op procedurefouten toe. Mijn voorstel in die richting werd echter niet aanvaard. Nu zal bij het einde van de rechtspleging het dossier eerst ter beschikking van de partijen worden gesteld. Die krijgen dan vijftien dagen om bijkomende onderzoeksdaden te vragen. Dat kan veel tijd kosten, zeker als er verschillende partijen betrokken zijn. Als die dan uitgeprocedeerd zijn, begint er er weer een termijn van vijftien dagen. Volgens sommigen kunnen ook tijdens deze tweede termijn nog eens bijkomende onderzoeksdaden gevraagd worden. U kan zich voorstellen hoelang het zal duren voor een onderzoek, dat door de onderzoeksrechter is afgesloten, uiteindelijk door de raadkamer kan behandeld worden. Haar beschikking kan dan nog eens worden aangevochten voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep en voortaan zelfs voor het Hof van Cassatie. Finaal zal dan wel een procedureel uitgezuiverd dossier voor het vonnisgerecht komen, maar wanneer? Intussen tikt de klok van de verjaring verder.Gewiekste advocaten kunnen hun cliënt nog dichter bij de verjaring van de strafvordering en bij de straffeloosheid brengen.Van den Wyngaert: Je kan advocaten niet verwijten dat zij gebruik maken van de achterpoortjes die de wet hen biedt. Je kan wel betreuren dat de wetgever het gebruik van dilatoire technieken aanmoedigt door een opeenstapeling van procedures te voorzien en tegelijk de uiterst verdacht vriendelijke verjaringstermijnen onaangeroerd laat. De termijn waarbinnen bijkomende onderzoeksopdrachten kunnen gevraagd en door de onderzoeksrechter gevorderd worden, duurt slechts vijftien dagen, maar het antwoord daarop van de onderzoeksrechter en de uitvoering van deze opdrachten zal uiteraard veel meer tijd vergen. Zeker als meerdere partijen betrokken zijn en er buitenlandse rogatoire opdrachten bijhoren. Die kunnen jaren aanslepen. En als de raadkamer het dossier dan uiteindelijk kan behandelen, kunnen tegen haar beschikking opnieuw procedureslagen gevoerd worden.De verjaringstermijnen werden in 1994 al van twee keer drie tot maximaal twee keer vijf jaar opgetrokken. U wil ze nogmaals verlengen?Van den Wyngaert: Ik stel voor de verjaring in strafzaken gelijk te schakelen met die in burgerlijke zaken. Eens de vordering binnen de wettelijke termijn is ingesteld en de zaak in behandeling is genomen, moet zij kunnen afgehandeld worden. En niet, zoals nu dikwijls gebeurt, midden in een strafzaak worden stopgezet. In strafzaken komt daar wel de redelijke termijn bij als een voorwaarde van goede rechtspleging. Wie een zaak laat aanslepen door gedurende maanden geen enkel initiatief te nemen, brengt de redelijke termijn in het gedrang. Dat is dan een mogelijke reden voor verval van de strafvordering, zeg maar een reden tot vrijspraak, zoals de Brusselse rechter vorige week besliste in de obussensmeergeldaffaire. Daar werd de sleutelfiguur schuldig bevonden maar niet gestraft omdat de rechter oordeelde dat de redelijke termijn in deze zaak overschreden was. Parketten en onderzoeksrechters mogen hun zaken niet laten aanslepen maar het nodeloos rekken van een zaak mag voor de verdachte zeker geen lonende strategie blijven, zoals nu het geval is. De wet-Franchimont creëert jammer genoeg een aantal nieuwe procedures die dit verder in de hand werken. Een procedure en het naleven ervan moeten het evenwicht tussen het belang van de partijen en het algemeen belang dienen. Ik heb er ook problemen mee dat de wet-Franchimont een rechtszaak aan de openbaarheid onttrekt. Ten dele werd blijkbaar met mijn kritiek rekening gehouden. Zo is nu wél voorzien dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling de behandeling op verzoek van één van de partijen met open deuren kan bevelen. Zowel in de Kamer als in de Senaat heb ik - vox clamans in deserto - laten opmerken dat de openbaarheid van de procedure even zeer een recht is van het publiek, dat niet om de openbare behandeling kan vragen. De parketten krijgen enerzijds meer macht in verhouding tot de onderzoeksrechter, maar worden in het Octopus-akkoord aan banden gelegd door de uitvoerende macht.Van den Wyngaert: Die evolutie begon met de institutionalisering van het college van procureurs-generaal, en wordt nu verder gezet. Ik blijf de autonomie van de rechterlijke macht verdedigen en daartoe behoort volgens mij ook het parket. Volgens Octopus gaan de parketten nu tot de uitvoerende macht behoren en worden ze ondergeschikt aan de regering. Ik betreur deze evolutie. Anderzijds moet ik toegeven dat enkele parketten en onderzoeksrechters er zo een boeltje van gemaakt hebben dat de politiek moeilijk anders kan dan orde op zaken te stellen. En dus de controle invoeren die de parketten-generaal en de parketten zelf niet hebben waargemaakt. Het gerecht heeft niet tijdig zijn eigen grote schoonmaak gehouden en moet nu met lede ogen vaststellen dat anderen het in zijn plaats doen. Bovendien is de publieke opinie intussen in een dynamiek van wantrouwen tegenover het gerecht meegesleurd. Iedereen pleit nu voor meer "inspraak" van de burger in het strafproces. De vraag rijst of de kwaliteit van de gerechtelijke onderzoeken hierdoor zal verbeteren. En of de inbreng van de privé-partijen in het onderzoek ook het algemeen belang zal dienen. Men zou wel eens van de regen in de drop kunnen belanden. FRANK DE MOOR