National Gallery, Trafalgar Square, Londen, tot 22.5.05. Elke dag open van 10 tot 18 u. Woe. tot 21 u./Eurostar-treinen tussen Brussel-Zuid en Londen-Waterloo (2 u. 20'), www.eurostar.com.
...

National Gallery, Trafalgar Square, Londen, tot 22.5.05. Elke dag open van 10 tot 18 u. Woe. tot 21 u./Eurostar-treinen tussen Brussel-Zuid en Londen-Waterloo (2 u. 20'), www.eurostar.com.De man die in mei 1604 de genaamde Ranuccio Tomassini in Rome met het zwaard hoog in de dij verwondde en doodde, was geen onbekende van de politie. De schilder Michelangelo Merisi, bijgenaamd Caravaggio (1571-1610), moest bij herhaling door zijn beschermheer, kardinaal Francesco Maria Del Monte uit de handen van het gerecht worden gehaald wegens agressief gedrag. Zijn slechte reputatie, tot ver buiten de landsgrenzen doorgedrongen, was ook de Nederlandse biograaf en schilder Karel van Mander niet ontgaan. In hetzelfde voor Caravaggio zo noodlottige jaar 1604 stond in Van Manders Schilderboeck te lezen hoe de opvliegende man uit Lombardije, het zwaard op de heup, een knecht achter zich aan, met veel bombarie van de ene vermakelijkheid naar de andere trok, altijd klaar om te vechten. Het was een beproeving om hem op zijn tochten te vergezellen, aldus Van Mander, die ook wist te vertellen dat Caravaggio liever lui dan moe was. Wanneer hij eens veertien dagen onafgebroken werkte, had hij een maand of meer nodig om ervan te bekomen. Blind was Van Mander evenwel allerminst. Van Caravaggio loofde hij de heerlijke en ongemeen mooie manier van schilderen, 'een voorbeeld om na te volgen'. Niet van plan om in de kerkers van de pauselijke jurisdictie zijn doodvonnis af te wachten, vluchtte de onbesuisde van Rome naar Napels, waar de Spaanse onderkoning regeerde. Vanaf dat ogenblik gedroeg de zich om zijn onthutsende naturalisme door de enen verguisde, door de anderen op handen gedragen kunstenaar zich als opgejaagd wild. Religieuze leiders die in de Contarelli-kapel van de Franse kerk in Rome zijn Roeping van de apostel Mattheus (1599) aanschouwd hadden, zouden wel in de verleiding komen om hem enig altaarstuk te laten schilderen, zo speculeerde hij. Hij wist zich immers verzekerd van de gave, de zaken van het geloof te schilderen met het heilige vuur dat zijn collega's in bloedeloze vormen van maniërisme dreigden te verstikken. Een nieuwe geest ontkiemde, de geest van de barok. De Mattheus van Caravaggio, een dobbelende volksfiguur in een duistere herberg, gevangen in een bundel goddelijk helder licht. Precies om die reden was hij in staat om - ondanks zijn ongeloof - de uitgestoken vinger van de binnentredende Christus goed te verstaan. Het oprechte geloof, een zaak van doodgewone mensen. Schilderkunst, een aangelegenheid van waarachtigheid boven voorgekauwde schema's van waardigheid en schoonheid. De waarachtigheid, het wezen van elke mens, wordt gereveleerd in een of meerdere bundels licht die onveranderlijk van buiten het schilderij komen. Ze overvallen de naturalistisch voorgestelde figuren dan ook met de onweer-staanbare kracht van een bovennatuurlijk verschijnsel, omringd door een meestal wat bedreigend donker. In meer prozaïsche termen kan men zeggen dat Caravaggio aan het begin van de expressieve theater- en filmbelichting staat, door de ontdekking van de dramatische potentie in de contrasten tussen licht en donker. Daar durfde hij zelfs de gevoelige nuances in kleur aan opofferen, en ook het brio in de verfbehandeling, waar een kunstenaar als Titiaan zo groot mee was geworden. Caravaggio, kan men met enige overdrijving zeggen, projecteerde evenzeer een beeld als dat hij het ambachtelijk schilderde. Het ultieme bewijs daarvan werd mij onlangs bij toeval geleverd. Na de wenkbrauwen te hebben gefronst bij de manier waarop de picturale laag van het schilderij Het martelaarschap van Sint-Ursula (tijdens de conservatie- of restauratiebehandeling?) helemaal geëgaliseerd was en dus enigszins beeldverstikkend werkte, zag ik het beeld, als diapositief op een scherm geprojecteerd, plots helemaal tot leven komen, alsof het van meet af aan als een lichtverschijning diende te worden bekeken. De religieuze stichting die de moordenaar bij zijn aankomst in Napels de opdracht voor een altaarstuk gaf, bracht - met toelating van de paus - radicale opvattingen van barmhartigheid in de praktijk: de Pio Monte de la Misericordia spijzigde de hongerigen, laafde de dorstigen, kleedde de naakten en begroef de voor dood op straat achtergelatenen metterdaad. Voor haar kerk in de volkse Spaanse wijk, gewijd aan Santa Maria della Misericordia, liet de congregatie Caravaggio De zeven werken van barmhartigheid schilderen. Voor een gemeenschap die zelfs het verlossen van gevangenen in het vaandel voerde, vormde dat geen enkel probleem. Toen ik het werk twee zomers geleden ter plaatse ging bekijken, werd het gedeeltelijk aan het oog onttrokken door het altaarmeubilair en zag het er enigszins verbleekt en bevuild uit. Intussen werd het door het Napolitaanse kunstmuseum van Capodimonte onder handen genomen en klaargemaakt voor de tentoonstelling Caravaggio, de laatste jaren, die eerst in Capodimonte te zien was. Om welke reden dan ook heeft het werk de reis naar Londens National Gallery, waar de tentoonstelling nu loopt, niet gemaakt. De afbeelding in de catalogus leert dat de schoonmaak en restauratie met de nodige grondigheid aangepakt zijn. Het blijven erg delicate zaken, waarbij de minste hypercorrectie de balans van het origineel en de bedoelingen van de kunstenaar kunnen verstoren. En vraagtekens zullen er altijd blijven. Is het bijvoorbeeld mogelijk dat bij de restauratie van De geseling het felle licht dat op de naakte torso van de aan de geselpaal gebonden Christus valt, net iets oogverblindender en glanzender uitgevallen is dan Caravaggio moet hebben geschilderd? In eerder oneerbiedige termen gesteld: de heiland, voorgesteld op het moment net voor de geseling, ziet er eerder uit als een paradepaard dan als een man van smarten. (Christus' elegante danspas kan alleszins niet op rekening van de restaurateurs worden geschreven.) In frappant contrast met de erotiserende visie op een lichaam voor de marteling, staat de rauw realistische blik waarmee de kunstenaar het uitgemergelde lichaam van de gekruisigde Sint-Andreas afbeeldt. Hoe het kon gebeuren, weet niemand, maar niet later dan in 1607 voelde Caravaggio zich geroepen om zijn diensten aan te bieden bij de militair-religieuze orde van de hospitaalridders met hoofdkwartier in Malta. Iemand moet hem in het oor gefluisterd hebben dat zoete broodjes bakken met de Grootmeester van de Maltese orde, Alof de Wignacourt, wel eens de te bewandelen weg kon zijn om van de paus gratie te verkrijgen voor zijn vergrijp. Het kwam hem goed uit dat De Wignacourt voor de verfraaiing van het streng ingerichte klooster- en vestingcomplex in Valletta een kunstenaar vast in dienst wilde nemen. Een eerste poging met een kunstenaar uit Firenze, wiens naam nooit bekend raakte, liep op de klippen omdat de man nooit kwam opdagen. Caravaggio dook in het gat en kreeg de toestemming om met een door oorlogsschepen van de hospitaalridders geëscorteerd schip naar Malta af te varen. Een gevaarlijke onderneming inderdaad, aangezien zeven schepen van het vijandelijke Barbarije in de buurt gesignaleerd waren. Na een voorspoedige vaart installeerde de voortvluchtige kunstenaar zich op het eiland en wist met zijn kunst een zodanige indruk te maken op de Grootmeester, dat die niet alleen stappen ondernam om het gratieverzoek bij de paus in te dienen, maar ook om de kunstenaar als ridder te laten opnemen in de orde van Malta. We kennen zijn op Titiaans vorstelijke portretten geïnspireerde portret van Alof de Wignacourt met page uit het Louvre, maar krijgen in de Londense tentoonstelling enkel het portret van een onbekende hospitaalridder te zien, en een vaag van Michelangelo afgeleide, lelijke Cupido in een bizarre houding van schijndood. Zijn Maltese meesterwerk, De onthoofding van Sint-Jan de Doper, bleef waar het was, in de bidkapel van de co-kathedraal van Valletta. Nooit slaagde een schilder er beter in om de daad van een bloederige onthoofding in een zo gesmoorde stilte voor te stellen, met een ijskoud opererende beul, onbewogen registrerende medeplichtigen en een enkele getuige met een menselijke reflex van naakte afschuw. Slechts luttele maanden hield Caravaggio het deugdzame leven van een hospitaalridder vol. Bij een ordinaire nachtelijke ruzie onder ridders bij een van hen thuis, sloeg hij er een verrot. Vijf maanden nadat hij erin was opgenomen, werd hij in december 1607 uit de orde gezet. Maar op dat ogenblik was hij al op mysterieuze wijze, men denkt bij middel van een touw, ontsnapt uit de vesting van Sant'Angelo waar hij opgesloten zat. De vermaardste kunsthistorici ter wereld hebben zich het hoofd gebroken over de vraag hoe een man wiens overkokende temperament in het werkelijke leven voor zo veel ellende zorgde, zich bij het schilderen perfect wist in te tomen. Men staat voor een raadsel. Hoe passioneler, moorddadiger en verschrikkelijker de taferelen die hij borstelde, des te groter de beheersing die hij daarbij aan de dag legde. Zonder de hulp van medeplichtigen zou Caravaggio nooit uit Malta hebben kunnen ontsnappen, zoals hij zonder vrienden onmogelijk direct weer aan de slag had gekund in zijn nieuwe toevluchtsoord, het eiland Sicilië. Mario Minniti, een oude schoolmakker en collega uit zijn Romeinse tijd, hielp hem aan een opdracht van het stadsbestuur van Syracuse. Dicht op de huid van het leven, naturalistisch en verschrikkelijk als altijd, bracht Caravaggio voor de zoveelste keer het thema van de dood op doek: De begrafenis van Sint-Lucia, dit keer met niet al te geforceerde licht-donkercontrasten, in roodbruine en vale tinten genuanceerd geschilderd en met synthetisch-expressieve lijnen getekend. Ook dat schilderij wist de National Gallery niet los te krijgen, maar het gemis wordt ruimschoots goedgemaakt met de Opwekking van Lazarus uit dezelfde periode, een werk dat bewaard wordt in het Museo Regionale in Messina. Hoewel duidelijk sporen van beschadiging vertonend, en van de rook van kaarsen waarbij het moet zijn geschilderd, laat dit meesterwerk van Caravaggio een als in een koortsige droom geboren ritueel van menselijke opschudding en knetterende verrijzenismagie zien. De scène is gevat in een adembenemend mooie, complexe beweging, tussen de uitgestrekte, bezwerende arm van de mirakelman in de halfschaduw links en het vol belichte, nog door rigor mortis verstijfde lijf van Lazarus aan de rechterkant. Veel conventies van schilderkunst bleven hier niet overeind. Ze zouden de hoofdzaak slechts in de weg hebben gestaan: de kijker op de meest direct mogelijke manier aan de grond nagelen met een beeld dat de kracht van een niet verstandelijk te bevatten verschijning heeft. Voldragen, gerijpt - op weg naar onthechting -, evenzeer als het Lazarus-schilderij de kern van een onwezenlijke, radicale boodschap zonder omwegen overbrengend: de Annunciatie uit het museum van Nancy. Alweer volstrekt ongehoord en ongezien, hoe een zwaargebouwde engel met een lelijke, door de schouder gedeeltelijk aan het oog onttrokken kop (die aan Malcolm McDowell in de film A Clock-work Orange doet denken) op een giftige rookwolk neerzakt tot vlak boven het hoofd van de diep ontvankelijke Maagd: 'U zal een kind geboren worden'. De zwaarte van de engel in zijn opzichtig gedrapeerde witte kleed, zijn pokende vinger, ze voorspellen Maria de last van het lijden, het hare en dat van haar zoon. Ook Caravaggio's laatste pad liep niet over rozen. You can't go home again, zoveel wist hij wel, maar toch probeerde hij via Napels - waar hij verschrikkelijk toegetakeld werd tijdens een messengevecht - naar zijn geliefde Rome terug te keren. Bij een tussenhalte voer zijn schip er zonder hem maar met zijn spullen vandoor. Koorts kluisterde hem op een bed en velde hem ten slotte. Het was in Porte Ercole. Hij was amper achtendertig jaar. Door Jan BraetDicht op de huid van het leven schilderde hij voor de zoveelste keer de dood. Het was een beproeving, hem op zijn tochten te vergezellen.