Verhofstadt I, zonder commentaar.

‘Wij zetten door. Ik zal nooit kiezen voor zinnetjes als er is geen ruimte voor of geen commentaar.’ Dat zei premier Guy Verhofstadt (VLD) in zijn beleidsverklaring van 9 oktober 2001. De premier gebruikt opvallend veel metataal. Taal over taal, zinnetjes over zinnetjes.

Het nieuws was niet goed in oktober 2001. Door omstandigheden buiten de macht van de premier en zijn regering om. En als Verhofstadt voelt dat de macht hem ontglipt, schakelt hij op geloof over. En geloof is taal. Bezwerende formules. Dat deed hij ook in 1988, toen alles erop wees dat hij van de macht zou worden gehouden. ‘Wij zetten door’, was zijn verkiezingsslogan. En dat bleef zo in de jaren voor en na Maastricht, jaren zonder veel ‘ruimte voor’. In 1999 verzaakte ook hij aan commentaar. Op zijn affiche stond gewoon: ‘Verhofstadt’. En tóén werkte het.

Politiek is behalve keuzes maken in het beleid, ook kiezen voor taal, toon, zinnetjes. Noemen en benoemen. Zoals openbare onderstand maatschappelijk welzijn werd, zo werd het bestaansminimum een leefloon. Regen bleef evenwel regen, drop drop.

Op de avond van 13 juni 1999 schrapte Guy Verhofstadt ‘de Belgische ziekte’ uit het Wetstraatlexicon. Het begrip had zijn dienst bewezen, de toon gezet. In se zocht ook de inmiddels tot CD&V herdoopte CVP ruim twee jaar lang vooral naar een toon. Allemaal zochten de partijen naar nieuwe labels en leestekens: koppel- en uitroepteken, ampersand. Allemaal, op eentje na, een partij die het nochtans meer dan de andere uitsluitend van taal moet hebben omdat ze mensen wil laten denken wat zij zegt. En die partij kan, omdat ze in de schaduwgrot van Plato huist, om het even wat zeggen.

Politiek is taal. Woorden tellen zegt niet alles. Als Jean-Luc Dehaene (CD&V) ‘geen commentaar’ zei, wilde dat iets zeggen. Dat is niet altijd het geval als Guy Verhofstadt commentaar geeft. Europees Commissievoorzitter Romano Prodi werd horendol van zoveel monoloog. Een monoloog is gesloten, maar in de monologen van de premier wordt vaak het open debat geprezen. Kwatongen beweren dat dit de enige tegenspraak is die de premier duldt.

BOODSCHAP TE KOOP

Er kan niet genoeg communicatie zijn, en ze kan niet goed genoeg zijn. Maar communicatie is, zoals democratie of kwaliteit, een hoer van een woord. Reclamebureaus noemen zichzelf het liefst communicatieconsulenten. Ook bedrijven praten graag over communicatie als ze het over hun nieuwsbrieven en geïllustreerde jaarverslagen hebben. Maar niet als vakbonden of pers ‘gevoelige’ bedrijfsinformatie bemachtigen en verspreiden. Dan heet dat spionage, intoxicatie, negativisme.

Vlaanderens grootste grossiers in taal en communicatie, Jo Lernout en Pol Hauspie, zwegen eerst abrupt. En toen ze toch praatten, was het om te verzwijgen. They talked communication, but did not communicate. Open gesloten, als een luchtbel.

Communicatie heeft drie functies. Perceptie: je moet iets tonen om het te laten zien, je moet een inhoud vormgeven om hem te verkopen. Informatie: de communicerenden moeten elkaar voeden in een wederkerig verband. Kritiek: inhoud wordt getoetst door het proces van woord en wederwoord, macht en tegenmacht.

Op de markt heeft communicatie genoeg aan de perceptie. In de politiek zijn de drie functies van gelijk belang. De overheid moet haar boodschap zo goed mogelijk verkopen door die leesbaar, aantrekkelijk en toegankelijk te maken. Ze moet communiceren om de samenleving te voeden en zich te laten voeden. En ze moet zichzelf bevragen door zich te laten bevragen.

In de Wetstraat is tien jaar geleden het belang van een betere communicatie tussen politiek en bevolking met een mokerslag doorgedrongen. Daar is toen veel over gepiekerd en er werd van alles uitgeprobeerd. Begin 1992 richtte de regering een ‘adviesbureau voor de leesbaarheid van overheidsdocumenten’ op. In 1996 zei diensthoofd Michel Leys: ‘Tien jaar geleden was bijna niemand zich bewust van het probleem. Administratieve taal was wat ze was en de mensen moesten zich maar redden. Nu begrijpen heel wat ambtenaren dat er iets moet veranderen.’ Een handvest voor de overheidsdiensten maande de ambtenaren verder aan om burgers proactief op hun rechten te wijzen en betwistingen niet hooghartig af te wijzen.

Ook de partijen zochten allerlei wegen naar ‘hun’ burgers. Guy Verhofstadt muntte zijn burgerdemocratie. Toenmalig SP-voorzitter Frank Vandenbroucke bevroeg zijn leden met het oog op informatie en kritiek. En met de eerste functie van communicatie, perceptie, in gedachten schoof hij de enigszins rauwe resultaten in een diepe lade.

Er is veel geëxperimenteerd, maar weinig geleerd. In 1991 betreurde Patrick Dewael (VLD) dat hij in het VTM-programma Wie ben ik? was komen opdraven. Hij schreef daarover: ‘Sommige producenten gaan er te gemakkelijk van uit dat het publiek elke zin voor kritiek mist.’ Vandaag kom je ze bijna elke avond op televisie tegen, kletsende koppen.

DE KLOOF BESTAAT

Deze regering heeft veel op communicatie en openheid ingezet. Maar over e-government wordt à la L&H gecommuniceerd. De volksraadpleging over Copernicus, de hervorming van de federale overheid, was geen volksraadpleging. Experts weten dat, de bevolking voelt dat. Zoals ze het ruikt als een referendum over een parking niet over een parking maar over het staan of vallen van een coalitie gaat.

De kloof bestond en bestaat wel degelijk. Het is geen stijlfiguur, geen taal die zich heeft verwerkelijkt. Dat ze niet is gedicht en zich straks nog dreigt te verwijden, heeft wél met taal te maken. Wat de regering vandaag het meest bedreigt, is niet dat ze niet zou doen wat ze belooft. Wel dat ze niet zegt wat ze zegt. Ze verkoopt akkoorden als ‘historisch’ nog voor ze werkelijkheid zijn. Nog voor ze werken. In juni vorig jaar noemde de premier het Copernicusplan ‘de grootste administratieve revolutie sinds de onafhankelijkheid van het land’.

In zijn eerste Burgermanifest schreef Verhofstadt: ‘Er is niet veel politiek meer, alleen nog beelden van politiek.’ Als premier besloot hij tot voor kort zowat elke toespraak met zinnetjes zoals: ‘Het negativisme ebt weg. Uit elk opinieonderzoek blijkt dat de politiek, de regering, het parlement en de politieke partijen stilaan uit een diep dal kruipen.’

Niet alleen deze regering, maar de hele politiek is bezeten door opinieonderzoeken, door images dus. Net als de media door kijk- en leescijfers. Ze volgt niet gewoon de electorale markt, ze laat zich erdoor leiden in de keuze van wat ze van haar politiek laat zien. Wat en hoe ze communiceert. Als de peilers van La Libre Belgique hun driemaandelijkse rondgang doen, is er in de Wetstraat veel kans op ‘nieuws’. Want wie dan in het nieuws komt, heeft meer kans om gepeild te worden. En dat dit zo is, blijkt uit weer andere peilingen.

De politiek heeft geruisloos het marktconcept van communicatie overgenomen. Zeker met de intrede van spin doctors dient communicatie in haar eerste functie (perceptie) om de tweede (informatie) te controleren, en de derde (kritiek) te neutraliseren. Een spin doctor beheerst niet zozeer de mate als wel het moment van ‘openheid’. Het is een zeer gesloten systeem.

In het Verenigd Koninkrijk zorgde dat het afgelopen jaar voor een kortsluiting. Een spin doctor van een minister liet, via elektronische post, aan zijn collega’s weten dat 11 september ‘een goede dag’ was om ‘slecht nieuws’ te lossen. Daar kwam een rel van. En die ging over de erosie van het democratische besef. De rel die ontstond toen Noël Slangen onvriendelijke dingen zei over Marc Verwilghen (VLD) ging daar níét over.

Misschien heeft de Wetstraat niet langer nood aan een commissie Politieke Vernieuwing. Misschien moet de regering naar Nederlands model een commissie Toekomst Overheidscommunicatie oprichten. En laat Noël Slangen daar maar eens gehoord worden. Zodat er eens openlijk over perceptie, informatie en kritiek gesproken kan worden. Over democratie, zeg maar.

Filip Rogiers

Wat de regering vandaag het meest bedreigt, is niet dat ze niet zou doen wat ze belooft. Wel dat ze niet zegt wat ze zegt.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content