Vlaanderen is verhoudingsgewijs groot in biotechnologisch onderzoek in het algemeen, en in de biomedische wetenschappen in het bijzonder. Als er Vlaamse weten- schappers opduiken in de wetenschappelijke topvakbladen is de kans reëel dat ze uit de biomedische sector komen. Maar de problemen zijn immens. Hoe méér wetenschappers kijken naar de systemen die ons lichaam sturen, hoe complexer het wordt. De ziekte van Alzheimer is maar één voorbeeld van een aandoening die ingewikkelder wordt naarmate men dieper doordringt in de processen die er de oorzaak van zijn.
...

Vlaanderen is verhoudingsgewijs groot in biotechnologisch onderzoek in het algemeen, en in de biomedische wetenschappen in het bijzonder. Als er Vlaamse weten- schappers opduiken in de wetenschappelijke topvakbladen is de kans reëel dat ze uit de biomedische sector komen. Maar de problemen zijn immens. Hoe méér wetenschappers kijken naar de systemen die ons lichaam sturen, hoe complexer het wordt. De ziekte van Alzheimer is maar één voorbeeld van een aandoening die ingewikkelder wordt naarmate men dieper doordringt in de processen die er de oorzaak van zijn. Gelukkig zijn er ook basiselementen in lichamelijke reacties. Ingrijpen daarop kan een wezenlijk verschil maken in het succes van de strijd tegen een ziekte. Daarenboven groeit in het kleine Vlaanderen de gezonde tendens dat goede wetenschappers met elkaar samenwerken om grote uitdagingen aan te pakken. Het bestaan van het overkoepelende Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) is daar niet vreemd aan. Als afsluiter van deze gesprekkenreeks met topwetenschappers in Knack brachten wij drie onderzoekers samen, van drie verschillende universiteiten: Peter Carmeliet van de Katholieke Universiteit Leuven (van het voltallige Vlaamse onderzoeksgild publiceerde hij allicht het grootste aantal artikelen in Nature en Science), Danny Pipeleers van de Vrije Universiteit Brussel en Martine De Vos van de Universiteit Gent. Drie doctors in de geneeskunde die in het onderzoek terechtkwamen, in drie disciplines: de strijd tegen respectievelijk kanker, diabetes en chronische darmontsteking. Drie ziektes die niet noodzakelijk los van elkaar gezien moeten worden. PETER CARMELIET: Uiteraard. De beste illustratie daarvan is dat we alle drie samenwerken in verschillende projecten. Ik bestudeer vooral de vorming van bloedvaten door een speciale groeifactor. Als Danny cellen wil transplanteren, moeten die zuurstof en voeding krijgen, en daar zijn bloedvaten voor nodig. DANNY PIPELEERS: Als je tumoren lam wilt leggen, moet je de bloedtoevoer afsnijden. Als je een nieuw weefsel wilt introduceren, moet je het voeden. MARTINE DE VOS: De balans vinden is niet altijd gemakkelijk. De darm heeft zeker bloedvaten nodig om goed te functioneren, maar een ontsteking remmen, kan gebeuren door het afsluiten van bloedvaten. Ons werk heeft ook een sterke gemeenschappelijke genetische component, met vele genen die samen een rol spelen in het bepalen van een aandoening. DE VOS: De ziekte van Crohn die ik bestudeer, is zeker een beschavingsziekte. Ze komt veel meer voor in de westerse wereld dan elders. PIPELEERS: Diabetes is al bekend sinds het begin van het schrift, hoewel we de ziekte nu uiteraard gemakkelijker detecteren dan vroeger. Maar het type 2 van de ziekte is zeker aan onze levensstijl gekoppeld. Zwaarlijvigheid is bijvoorbeeld een bezwarende factor. We zijn onze eet- en leefgewoonten nu ook aan het overdragen op Afrikaanse landen, waardoor de mensen er uiteindelijk meer insuline nodig zullen hebben om de extra suikers te verteren. Terwijl ze geprogrammeerd zijn voor minder. PIPELEERS: Klopt. Dat is al zeker één reden waarom de frequentie van de ziekte toeneemt, en de leeftijd daalt waarop ze zich manifesteert. CARMELIET: Kanker is zo oud als de straat. Het is al bij mummies aangetoond. Veel kankers zijn natuurlijk leeftijdsgebonden: als de mensen ouder worden, neemt ook de frequentie van kanker toe. En dan zijn er uiteraard de bekende omgevingsfactoren met een rechtstreekse link naar de ziekte, zoals roken. CARMELIET: Dat denk ik niet. Zelfs kankers zoals die van de luchtwegen, die sterk aan roken gebonden zijn, zullen nooit helemaal verdwijnen. DE VOS: Tegen bepaalde door virussen gedreven kankers zullen misschien ooit efficiënte vaccins ontwikkeld worden, maar ik denk dat het onmogelijk is kanker als concept te doen verdwijnen. PIPELEERS: Dat is in essentie de vraag naar hoe je het budget besteedt dat er voor gezondheidszorg beschikbaar is. We zullen voor grote keuzes komen te staan. Mensen zullen het altijd belangrijk vinden dat hun familieleden nog een halfjaar in leven worden gehouden, ongeacht de kostprijs. Op gezondheid staat geen prijs, zegt men wel eens. Maar als je bedenkt wat er gedaan kan worden aan de strijd tegen ziektes van jonge mensen, of van andere volkeren dan het eigen volk, dan is dat uitgangspunt niet zo evident. PIPELEERS: Toch moeten we deze gesprekken voeren. Bij diabetes is er een verschil tussen kinderen die voor de rest van hun leven een ernstige vorm van de ziekte zullen hebben, en mildere vormen die pas op oudere leeftijd tot uiting komen. Beide moeten even goed verzorgd worden, maar de prioriteiten zijn niet dezelfde in het onderzoek naar preventie en genezing. DE VOS: Je moet het breder proberen te zien, in een farma-economische context. Je moet je afvragen wat je wint door jongere mensen minder ziek te maken, aan lagere hospitalisatiekosten en hogere inzetbaarheid voor de maatschappij. Soms los je met medicatie het ene probleem op, maar introduceer je een ander. We moeten dat trachten te toetsen aan de realiteit van wat beschikbaar is. CARMELIET: Hoe langer mensen leven, hoe groter de kans dat ze met meer ziektes te kampen krijgen. DE VOS: Ik denk dat veel mensen onvoldoende beseffen hoe drastisch wij met de nieuwe medische technieken interfereren met de werking van de natuur. Ik vind het soms zelfs verwonderlijk dat onze ingrepen zo weinig neveneffecten veroorzaken. PIPELEERS: Er wordt gesteld dat de natuurlijke evolutie in aanpassingsmogelijkheden voorbijgesneld wordt door onze manier van leven, waardoor meer mensen moeilijkheden ondervinden van stress. Prozac en andere pillen kunnen de grens van wat we aankunnen misschien verleggen, maar hoe ver nog? CARMELIET: Zelfs voor kinderen wordt de stress almaar groter. Steeds meer kinderen nemen het kalmeringsmiddel rilatine als ze examens moeten doen. De ouders denken dat ze daardoor beter gaan presteren. DE VOS: Mensen die ziek zijn, mogen zelfs niet meer uitzieken. Die moeten onder de pillen en blijven werken. Je mag de natuur haar genezende werk niet meer laten doen, want de maatschappij aanvaardt dat niet. CARMELIET: Ik tracht me bezig te houden met belangrijke medisch-biologische vraagstukken, waarvoor ik fundamentele oplossingen zoek. In mijn achterhoofd ben ik toch voortdurend op zoek naar toepassingen, naar nieuwe therapeutische mogelijkheden. Als ik naar mijn loopbaan kijk, zijn de beste zaken voortgekomen uit de fundamenteelste opzoekingen. De groeifactor waarrond ik mijn werk gebouwd heb, werd beschouwd als een dode molecule toen ik eraan begon. Nu blijkt hij een sturende rol te spelen in heel wat fundamentele processen in het lichaam. Hetzelfde met ons genetisch onderzoek. Als we de werking van genen in muizen onderzoeken, is dat meestal met het oog op een eventueel nuttige behandeling. DE VOS: Zelf werk ik bijna altijd met patiënten, maar in mijn laboratorium zijn ook fundamentele wetenschappers, die dikwijls heel anders redeneren. De combinatie is echt belangrijk. CARMELIET: Zelfs de interactie met de industrie is belangrijk, want dan krijg je weer andere inzichten. DE VOS: Je bent inderdaad geneigd sneller resultaten te willen in confrontatie met de vraag van patiënten. In het ziekenhuis heb je minder geduld dan in het laboratorium. PIPELEERS: Ik heb me altijd vooral bezig gehouden met de vertaling van de inzichten uit een laboratorium naar het ziekenhuis. Een vertaling die uiteraard in twee richtingen moet verlopen. Als fundamentele wetenschapper is het heel belangrijk te begrijpen wat het klinische probleem is. CARMELIET: Ik bel soms mensen uit de valorisatiecel van het VIB op met de vraag of ze denken dat iets wat we op het spoor zijn te patenteren is. Dikwijls is dat al na één goed experiment. Meestal komen ze vrij snel terug met aanwijzingen voor wat we nog moeten doen om een patent te kunnen aanvragen. Daar houd ik dan rekening mee, hoewel ik mijn onderzoek er niet noodzakelijk naar richt. Tien jaar geleden bestond die alertheid niet. CARMELIET: Ik houd er rekening mee, maar laat mijn fundamenteel werk er niet door leiden. Je moet je daar trouwens geen illusies over maken. Dit soort onderzoek kost handenvol geld. Het VIB is zelfs verplicht om rekening te houden met valorisatie. Maar dat legt ons geen windeieren hoor. Als je ergens op tijd bij bent en een patent kunt nemen, wordt het mogelijk om met de eventuele financiële return meer onderzoek te bekostigen. Met relatief weinig moeite. Eén telefoontje! CARMELIET: Jawel, en dat kan op verschillende manieren, zoals een contract voor co-development: het samen ontwikkelen van een middel. DE VOS: Wij werken veel met geld van de farmaceutische industrie voor klinisch onderzoek, om te kijken of een behandeling efficiënt is bij patiënten en geen nevenwerkingen veroorzaakt. Daar blijft soms wat van over voor fundamenteel werk, waarmee we onze andere kredieten aanvullen. DE VOS: Ja en nee. Je kunt natuurlijk de vraag stellen naar de zin en onzin van het omslachtige systeem dat rond klinische tests is ontstaan. Het vergt zeer veel inspanningen van zeer veel mensen, en het is absurd dat je in Europa soms door hetzelfde proces moet dat in de Verenigde Staten al is afgerond. Het is echter wel essentieel wetenschappelijk werk: extrapolatie van onderzoek op muizen naar mensen en patiënten is niet zomaar mogelijk. PIPELEERS: Wij zijn voor ons werk sterk afhankelijk van financiering uit het buitenland, omdat de vertaling van de inzichten uit het laboratorium naar het ziekenhuis heel veel kost. Maar zodra we dat geld hebben, zijn we redelijk vrij om te beslissen wat we ermee doen. PIPELEERS: Klinisch én preklinisch. Zonder buitenlandse middelen is dat onmogelijk. Daarmee spijzen wij zelfs de Belgische schatkist. We krijgen onvoldoende Belgisch geld om ons onderzoek te doen, maar op het geld dat we uit het buitenland binnenhalen, betalen we vreemd genoeg veel belastingen. Daardoor betalen we indirect zelf een belangrijke fractie van onze eigen overheidsfinanciering. Dat zou toch niet mogen. PIPELEERS: Ja, hoewel ik me ervan bewust ben dat het geen populaire politieke beslissing zou zijn. Maar er zijn toch ook fiscale tegemoetkomingen voor buitenlandse investeringen in bedrijven. CARMELIET: De Vlaamse regering en de universiteiten hebben het idee gehad zwaar te investeren in een aantal kerngroepen, en niet zoals vroeger alles te versnipperen in te kleine budgetten, wat het moeilijker maakt sterk te staan. Het is bewezen dat zoiets werkt, ook in het buitenland. Toponderzoek in de biomedische wetenschappen kost handenvol geld. PIPELEERS: Het zou wel helpen mocht de Vlaamse regering nóg meer werken op de manier waarop het VIB dat nu doet, vooral voor de vertaling van wetenschappelijke vondsten naar klinische toepassingen. Er moet dringend een minimum aan kritische financiële massa gecreëerd worden om de grote uitdagingen waar we voor staan efficiënt te kunnen aanpakken. MET DE MEDEWERKING VAN JULIE VAN GARSSE.DOOR DIRK DRAULANS