Walter Van Den Broeck, 'Op gelijke voet', uitgeverij Van Halewyck.
...

Walter Van Den Broeck, 'Op gelijke voet', uitgeverij Van Halewyck.We zagen al dat het leven een trager verloop kent in de provincie dan in de stad. We zagen ook dat de uitvinding van de klok de stedeling van dienst is bij een belangrijke aangelegenheid: tijdbesparing. Aan de hand van een drietal voorbeelden wil ik laten zien hoe verschillend het leven van de provinciaal en stedeling wel zijn, en vooral van welke strategieën de stedeling zich bedient om de kostbare tijdbesparing te realiseren. Als de provinciaal zijn huis verlaat, is dat meestal met een niet bijzonder urgent doel dat hij in de loop van de dag ge- realiseerd wil hebben. Maar haast is er niet bij. Hij neemt zijn tijd voor praatjes met de buren, de slager, de postbode. Hij beweegt van het ene groepje naar het andere, van het ene 'kapelletje' naar het andere, zoals dat op het platteland heet. Hij wandelt ook langs de velden, monstert de gewassen, probeert de oogst te schatten en het weer te voorspellen. Intussen heeft hij elke onregelmatigheid, elke beweging van mensen geregistreerd en stelt zich daarbij hardop vragen in het dorpscafé. Hoe lang die verzakkingen in die of die straat er al zijn? Van wie die Mercedes is voor het huis van die of die onbestorven weduwe? Maar ook dat bij die of die de rolluiken al drie dagen dicht zijn. Of die bijgeval met vakantie zijn? (Ah, die door de stedeling zo verafschuwde sociale controle!) Kortom, je weet wanneer de provinciaal van huis gaat, maar je weet nooit wanneer hij thuiskomt. Niet zelden is dat in het holst van de nacht, en vindt moeder de vrouw de volgende ochtend het broodbeleg op het aanrecht, dat voor de avondboterham van gis-teren was bedoeld. De stedeling daarentegen loopt sneller dan de provinciaal. Hij loopt sneller, maar ziet weinig of niets. Zeker geen bekenden, waardoor hij bij de provinciaal, die in zijn dorp elke passant pleegt te groeten, vaak de indruk wekt pretentieus te zijn. Dat komt doordat hij een doel heeft. De stedeling gaat ergens naartoe. Stilstaan, vooral in groep, wekt argwaan in de stad, niet op het platteland. Wie zich in een stadse publieke ruimte begeeft, aldus Rudi Laermans in De straat als thuis (Cultureel Jaarboek Stad Antwerpen 1999), dient te bewegen met een soort beschaafde onverschilligheid. Volgens Alain de Botton in 1 goed idee van Charles Baudelaire (cfr. De Standaard der Letteren van 15 juni 1999) was Baudelaire erg gekant tegen de eeuwige haast van de stedeling: 'Baudelaire vond dat de stedeling flaneur moest worden. De flaneur wandelt zonder welomschreven doel door de stad. Flaneurs zijn volgens hem pro moderniteit, ze willen alles zien wat nieuw is. Dat betekent dan ook dat ze trager moeten wandelen en aandachtig om zich heen moeten kijken. Flaneurs zijn ook op zoek naar een nieuw samenhorigheidsgevoel. Flaneurs zijn weg van huis, maar toch overal thuis.'Vreemd. Immers, ook de provinciaal wandelt zonder doel, maar dan door de natuur. Of beter, hij gebruikt zijn doel - het doen van een boodschap - als alibi voor een wandeling die in feite een herinbezitneming van zijn biotoop is. De flaneur wil alle nieuwe uitingen van de cultuur zien, de provinciaal die van de natuur. Naar een samenhorigheidsgevoel hoeft de provinciaal niet te zoeken, dat wordt hem opgedrongen door de natuur zelf. Ook hij is 'weg van huis en overal thuis', maar dan in de natuur. Ik durf zelfs te stellen dat als het op het pure, lijfelijke overleven aankomt, de provinciaal het altijd van de stedeling wint. Maar dit terzijde. Mag ik hieruit begrijpen dat volgens Baudelaire de stedeling weer moet leren bewegen en kijken zoals de provinciaal? Het kan niet hebben betekend dat hij de provinciaal modern vond zijn. Ach, misschien betekende het gewoon dat de jonge Baudelaire zijns ondanks provincialer was dan hij dacht. Een andere tijdbesparende factor vormen de stedelijke omgangsvormen. Polis, politie, politiek, politesse zijn aan elkaar verwant. Politie waakt over de naleving van de regels die door de politiek in de polis zijn uitgevaardigd. Politiek is een gesublimeerde vorm van vechten. In plaats van met elkaar op de vuist te gaan om de problemen op te lossen, worden ze uitgepraat in raden, besturen, parlementen. Politesse, beleefdheid, is een soort omgangssteno die omslachtige aftastings- en kennismakingsstrategieën overbodig maakt. Zo betekende het handen schudden en het elkaar aan de borst drukken en bekloppen oorspronkelijk: ik ben ongewapend, heb dus geen vrees, ik kom met vredelievende bedoelingen. De stedeling heeft de beschikking over een heel uitgebreid maar subtiel en efficiënt arsenaal van snelle beleefdheidsformules en -codes. Hiervan bedient hij zich om uitdrukking te geven aan de waardering (of het gebrek daaraan) die hij koestert voor de andere, zonder zich te compromitteren. Hij signaleert meer dan hij zegt als hij iemand een begroetingskus geeft, de hand drukt, een sigaret of een glas aanbiedt. De plaats die hij uitkiest voor een gesprek bepaalt grotendeels de aard van dat gesprek: zakelijk, ontspannend, frivool, amoureus... Kortom, de stedeling heeft weinig uitleg nodig om te zien wat voor vlees hij in de kuip heeft, of om zijn bedoelingen duidelijk te maken. De burgerlijke beleefdheidsrituelen uit de negentiende eeuw mogen ons vandaag omslachtig en tijdrovend voorkomen, ze moeten het zelfs vandaag nog in duur afleggen tegen die van het platteland. De manier waarop plattelanders met elkaar of met vreemdelingen omgaan wordt door stedelingen vaak als onbeleefd, boertig of onbeschoft beschouwd. Dat komt omdat de beleefdheidsformules en -codes van de stedeling hen ten enenmale onbekend zijn. Zijn vrienden en kennissen begroet de provinciaal nochtans met heel korte formules. Hoi! De mannen! Allemaal goei? Omhaal is overbodig. Ze kennen elkaar. Maar dat is slechts de opening. In wat dan volgt kruipt veel meer tijd. Elke dag opnieuw worden alle waarnemingen van eenieder naast elkaar gelegd en besproken. Er wordt een stand van zaken opgemaakt. Al het nieuwe wordt zodanig gekneed en geduid tot het past in het gewone. En ieders positie in de gemeenschap wordt opnieuw bepaald. Dat lukt niet altijd. De komst van een vreemdeling kan bijvoorbeeld als bijzonder storend worden ervaren. Het wantrouwen van de provinciaal verdwijnt pas als de vreemdeling door een betrouwbaar iemand geïntroduceerd en gesitueerd is. Hij is de oom, de zoon, de neef, de achterneef van een bekende. Dan is het goed. Kennismaken met een vreemdeling is op het land een werk van lange adem. Ook al omdat men er zich het recht voorbehoudt niet nader kennis te willen maken met iemand. Onbeleefdheid, zelfs onbeschoftheid, als zij niet werden uitgelokt, zijn in feite niet meer dan in grofheid omgezette onhandigheid. Provincialen zijn bepaald onhandig in het begroeten van vreemdelingen, ook als die hun worden voorgesteld door een bekende. Provincialen stuntelen aan loketten en aan de telefoon. Provincialen komen niet uit hun woorden bij de dokter. Provincialen kunnen niet overweg met complimenten of dankbetuigingen. Provincialen zeggen waar het volgens hen op staat en hebben weinig zin voor nuancering. Ze doen stoer om de groep te behagen. Provincialen komen altijd op tijd of zelfs iets te vroeg. Provincialen lijden aan 'terrasblindheid'. Zelfs in een wereldstad menen ze overal hun vrienden en kennissen te ontwaren. Kortom: provincialen komen in het ongerede bij elke drempeloverschrijding. [... ] Etymologisch betekent het woord cultuur zowel bebouwing als beschaving. Beide begrippen hebben met zorgen te maken. Mannen en vrouwen verschillen biologisch en bijgevolg ook psychologisch van elkaar. Daardoor staan ze anders in het leven en in de wereld. Het duidelijkst komt dat tot uiting in hun manier van zorgen. Als er iets als een zorg-gen bestaat, dan heeft het ongetwijfeld zoals een muntstuk een avers en een revers, een mannelijke en een vrouwelijke dus. De vrouwelijke kant is gericht op het binnen, het verzamelen, het basale, de continuïteit. De mannelijke kant is gericht op het buiten, de jacht, het vluchtige, het onmiddellijke. Deze verschillen leiden al duizenden jaren tot misverstanden tussen de seksen doordat ze allebei vinden dat hun wijze van zorgen de belangrijkste is. Ze zijn er zich niet van bewust dat beide kanten wel degelijk bijeenhoren, en dat beide seksen wel degelijk over beide kanten beschikken. Het ligt er maar aan welke kant door de omgeving wordt aangesproken. Er zijn dus uitstekende vrouwelijke bouwvakkers en uitstekende kinderverzorgers. Anne More en David Jessel schrijven in Brainsex dat mannenhersenen beter zijn uitgerust om zich op één ding te concentreren, wat heel handig was bij het geduldig besluipen van een prooi, en dat vrouwenhersenen beter zijn uitgerust om verschillende taken tegelijk uit te voeren, te organiseren en te communiceren, wat dan weer heel nuttig was in de nederzetting. Volgens Desmond Morris in The Human Sexes was, voordat de jacht werd vervangen door de landbouw als middel om te overleven, het evenwicht tussen beide seksen gewaarborgd. De mannen gingen uit jagen, de vrouwen bleven in de buurt van de nederzetting en verzamelden plantaardig voedsel. Mettertijd trok het planten van gewassen herbivoren aan. Die werden gevangen, later zelfs gekweekt, zodat de jacht overbodig werd. Landbouw en veeteelt waren geboren. In die tijd was de vrouw het middelpunt van het sociale leven. Toen de steden ontstonden, deed de jacht haar herintrede. Ze had nu plaats IN de stad zelf. Daardoor kwam de man centraal te staan en werd de vrouw naar de periferie verdrongen. 'Voor zover het mogelijk is bij sociale instellingen op deze manier een verbinding te leggen met sekse, was het dorp "vrouwelijk" in zijn inspiratie geweest, maar de stad zeker "mannelijk",' aldus Elaine Morgan. De stadsbevolking is het resultaat van een migratie, een uittocht, een vlucht. Een avontuurlijke vlucht weg van de moeder die het platteland is. Stedelingen zijn zoals we reeds zagen in oorsprong migranten, afkomstig van het platteland, die zich van hun knellende streek- en familiebanden hebben ontdaan en hun fortuin in een ander, artificieel milieu gaan zoeken. Deze jacht, die geleid heeft tot de uitvinding van de tijd, tot de uitvinding van het ik, heeft ook het concurrentiebeginsel veroorzaakt. Immers, waar vele ikken samenkomen om persoonlijk succes na te jagen, ontstaat vanzelf naijver en strijd. De verwijdering tussen beide levenswijzen deden stad en land van elkaar vervreemden. Stedelingen zijn banger voor de dood dan provincialen, en dus ook voor het leven. Ze zijn er in feite zo bang voor dat ze hem ontkennen, verdringen, verdrijven naar zieken- en bejaardenhuizen en zelfs uit hun bewustzijn. Stedelingen willen er altijd jong uitzien, en proberen zodoende de tijd stil te zetten. Oud worden is voor de stedeling een gruwel. In de provincie gaat men het leven en dus ook de dood niet uit de weg. Niet dat men hem er als huisvriend beschouwt, maar men maakt er zich gewoon geen illusies. Het leven is wat het altijd geweest is en zal zijn. Men wordt geboren, men loopt school, men werkt, men trouwt al dan niet, men krijgt al dan niet kinderen, men wordt - in het beste geval! - oud en sterft aan het eind. De problemen die al deze etappes vergezellen zijn niet modieus, dit wil zeggen: ze kunnen niet voor iets NIEUWS worden geruild. Ze hangen aan het leven zelf vast, ze zijn er de producten van. De provincie gelooft niet in iets anders, iets nieuws, in VERNIEUWING. Zij weet dat alleen uiterlijkheden kunnen veranderen, maar dat de essentie onveranderbaar is, en leeft daarmee. De provincie be-leeft het leven zoals het is. Ze gelooft niet in revoluties, wél in evoluties. Revoluties veroorzaken breuken met de traditie, evoluties doen de traditie evolueren. De provincie beleeft wat Heidegger het eigenlijke leven noemt, de stedeling het oneigenlijke. Door zijn dagelijkse omgang met de dood en de elementen krijgt de provinciaal in de ogen van de stedeling soms iets duivels. Films als Straw Dogs van Sam Peckinpah en Deliverance van John Boorman lijken een uitvergroting te zijn van de angst van de stedeling voor het platteland (of wat Deliverance betreft: het bergland). In de eerste wordt een stedeling die zich op het land komt vestigen geterroriseerd door malicieuze boeren, maar weet aan het eind door zijn vernuft en slimmigheid in een indrukwekkende één-tegen-allenstrijd het geboefte uit te roeien. In de tweede gebeurt iets soortgelijks. Gedegenereerde bergbewoners belagen een groepje stedelingen die voor een avontuurlijke vakantie hebben gekozen. Hier vallen aan beide kanten doden. Alsof stad en land elkaars vijanden zijn. Zelfs onze eigenste Herman de Coninck had het niet begrepen op het platteland. In De Morgen van 24 februari 1995 schreef hij in zijn stuk Hoekige originaliteit: 'Nogal wat van de grote romans van deze eeuw zijn stadsromans, en die zijn bijna per definitie progressief. De plattelandsbewoner is dan weer per definitie reactionair. Ulysses speelt in Dublin, Ernest Claes in Zichem. Berlin Alexanderplatz kon vanzelfsprekend de titel van een beroemde roman worden. Kerkstraat Erps-Kwerps is als titel ondenkbaar. Kerkstraat Erps-Kwerps mag dan geen boektitel zijn.' (Was hij hier al dan niet opzettelijk De Kapellekensbaan even uit het oog verloren? Uitgerekend Boons meesterwerk, uitgerekend een van de belangrijkste, zo niet ons belangrijkste boek uit de vorige eeuw? WvdB) /... / 'Heb ik de laatste jaren nog wel een interessante stadsroman gelezen? Heeft iemand nog wel het overzicht om die wirwar in beeld te brengen? Wie wil de grote Antwerpen-roman van het decennium schrijven?' Vanwaar die indruk dat er vandaag geen belangrijke stadsromans zouden bestaan? Misschien is het schrijven van een stadsroman niet evident. Het feit dat hij voornamelijk door vrouwen wordt gelezen, betekent misschien wel dat de roman in wezen een provinciaal genre is. Hoeveel stadsromans schreef onze belangrijkste naoorlogse schrijver Hugo Claus? Het platteland is overzichtelijk, de stad niet. Doordat, zoals reeds eerder gemeld, mens en platteland met elkaar verweven zijn, schept de dorpsroman de illusie van eenheid en overzichtelijkheid. Wie over het koren schrijft, schrijft tegelijkertijd over de boer, de zomer, de natuur, de vergankelijkheid, het leven en de dood. De stadsroman kan dit niet aan wegens het ontbreken van evidente banden tussen mensen en dingen. Doorlopend de hele stad in al haar facetten belichten, is haar onzichtbaar maken. De hechte alles-met-iedereenverbinding uit de dorpsroman komt in de stadsroman alleen tot stand bij rampen, die het hele stadsleven ontregelen en meteen van al die ikken een wij maken, een angstig wij in hoge nood. Het mooist zag ik dat geïllustreerd in de film Magnolia van Paul Thomas Anderson, waarin negen verhalen worden verteld over mensen die ooit rechtstreeks of zijdelings met een kinderprogramma te maken hebben gehad. Sommige verhalen passeren elkaar zoals stedelingen lopen, met een beschaafde onverschilligheid dus. Tussen andere worden verbindingen gelegd, maar iedereen krijgt pas met iedereen te doen als een fenomenale kikkerregen het hele stadsleven plotseling verlamt. De meeste stadsromans zijn eigenlijk dorpsromans die zich in de stad afspelen. Of je nu Manhattan Transfer van John Dos Passos, Illusions perdues van Balzac, Au bonheur des femmes van Zola, Berlin Alexanderplatz van Döblin, of zelfs Bright Lights, Big City van McInerney leest, telkens gebeurt hetzelfde. Na een vluchtig oproepen van de grootstad wordt ingezoomd op een paar personages waartussen de intrige zich zal afspelen, precies zoals in de traditionele dorpsroman. Met dit verschil dat in de personages van de dorpsroman het hele dorp met zijn heden, zijn verleden en zijn toekomst voortdurend meeresoneert. Waar Streuvels van de zon, de wolken, de regen, de akkers... inzoomt op boer Vermeulen en zijn familie met haar generatieconflict en overlevingsproblemen, heeft McInerney het over nachtbars, wolkenkrabbers, fotostudio's en krantenredacties en zoomt vervolgens in op het 24-jarige hoofdpersonage, volgt hem een paar dagen van nachtbar naar werk, van werk naar nachtbar, en maakt intussen melding van tientallen vluchtige contacten. Zelfs in het hyperbolische gruwelepos American Psycho van Bret Easton Ellis wordt snel duidelijk gemaakt dat het verhaal in Manhattan speelt, waarna wordt ingezoomd op de hoofdpersoon die jong en knap is, overdag een vermogen verdient in Wall Street, en die zich 's nachts aan de meest gruwelijke misdaden tegenover vrouwen te buiten gaat. Wat ik aanstipte met betrekking tot de aard van de stadsbevolking, blijkt ook te gelden voor de personages uit een stadsroman. Over de hoofdpersoon uit zo'n roman schrijft Rudi Laermans in zijn opstel 'De romaneske stad', dat opgenomen is in zijn bundel Schimmenspel, dat de hoofdpersoon van buiten de metropool pleegt te komen en onbekend is met het stadsleven. Hij moet stedeling leren worden: dit wil zeggen relaties aanknopen die hem leren hoe hij zich moet kleden, die werk voor hem vinden, hem kunnen helpen bij het carrière maken... 'Al snel leert de held zich voortbewegen tussen het vele volk op de brede boulevards, al gauw komt hij erachter welke buurten 's avonds te mijden zijn en welke men zeker moet bezoeken. In de loop van het verhaal verandert de buitenstaander ongemerkt in een binnenstaander, in een stedeling die blasé de weg wijst aan nieuwkomers en gekscheert over de kleren van de 'provincialen'. Stadsromans zijn inderdaad vaak Bildungsromans, levensverhalen waarin wordt getoond wat traditionele mensen leren van de Grote Stad en hoe ze worden (om)gevormd tot moderne stadsbewoners.' De dorpsroman heeft een centrale intrige, de stadsroman valt uit elkaar in vele vluchtige geschiedenisjes, waarin het toeval een grote rol speelt. (Literair-technisch bekeken is de stad een ideaal stramien voor de romancier om moeiteloos de meest uiteenlopende verhalen in onder te brengen.) Leven in een stad is dan leren leven met het toeval dat zowel veel gunstigs als ongunstigs op kan leveren. Vluchtigheid is het sleutelwoord. 'Stadsfilosofie is vluchtig, het tempo van waarnemen is nerveus, de wisseling van onderwerp abrupt', aldus Ernst Bloch. Een van de belangrijkste stadsromans, de reeds genoemde Manhattan Transfer van John Dos Passos, is bevolkt met mensen die allemaal zo gauw mogelijk weer uit de stad weg willen! In McInerney's Bright Lights, Big City zucht het hoofdpersonage op bladzijde drie al: 'Als je haar tegenkomt, ga je haar vertellen dat je eigenlijk een huis op het platteland wilt met een tuin. New York, de club scene, onthaarde meiden - je bent het allemaal zat. Je aanwezigheid hier is alleen maar een kwestie van een experiment met grenzen, die je herinneren aan wie je niet bent.' Misschien voelt de roman zich nog het beste thuis op het platteland, op het platteland in ons. Betekent roman niet: verhaal verteld in de volkstaal? Het is opvallend dat de traditionele roman nooit weg is geweest. Gemorrel aan het genre blijkt in het beste geval de traditie te verrijken met nieuwe vertelwijzen, maar van iets radicaals als de nouveau roman in de jaren zestig, of het postmodernisme in de jaren tachtig, neemt de welwillende lezer een tijdlang minzaam kennis en voegt zich vervolgens bij de niet-welwillenden die al veel eerder hadden afgehaakt of er nooit naar om hebben gekeken. Erg veel romanciers leven overigens in provinciesteden en dorpen. Enkelen leven zelfs diep verscholen in de bossen van Vlaanderen, alleen en door geen mens gestoord. Hun verhouding met steden is dubbel. Enerzijds voelen ze zich erdoor aangetrokken vanwege al het razend interessante dat ze te bieden hebben, anderzijds worden ze er om dezelfde reden door afgestoten. Vooral romanciers klagen dat het stadsleven afleidt, hen van hun werk houdt. De acteur/auteur Josse de Pauw die in het elfduizend zielen tellende Asse is geboren, trok naar Brussel maar is intussen naar zijn geboortedorp teruggekeerd. In Humo van 3 juli 2001 zegt hij daarover het volgende: 'Op een bepaald moment moest ik mezelf beschermen tegen het leven dat ik in de stad leidde. Dat leven had te maken met het feit dat ik niet in de stad ben opgegroeid, en daardoor Brussel permanent als een soort speeltuin ervoer. Ik wou avond aan avond mijn huis uit, en ik wist dat ik altijd wel vrienden op een of ander terrasje zou aantreffen. Daar tegen ingaan, was voor mij onbegonnen werk: ik ben daar heel zwak in. Dus moest ik letterlijk afstand nemen, en smoezen bedenken als: "Het platteland is misschien beter voor mijn dochtertje." Ineens werd schrijven belangrijker voor mij, en ik merkte dat ik in Brussel van het schrijven wegliep: even een wandelingetje maken. En iemand tegenkomen: feest, zeer prettig, maar weer niets geschreven.' (Ik begrijp hem volkomen.) De roman in de literatuur is te vergelijken met het portret in de plastische kunsten. In beide disciplines mogen zogenaamde revoluties bij tijd en wijle ware ravages aanrichten, op de roman en het portret schijnen ze geen vat te hebben. Die evolueren gewoon, maar blijven tegelijkertijd zichzelf. Zoals een voorbijstromende rivier. Walter Van Den Broeck