In Luik zijn ze dezer dagen het delirium nabij. Het mag nog niet hardop gezegd worden, maar iedereen weet dat het maar een kwestie van weken is voordat Standard zijn negende landstitel pakt. Dat belooft een feestje te worden waar ze aan de Maas nog jaren van zullen spreken. De laatste kampioenschapskroon dateert tenslotte al van 1983. Het jonge Standard telt tegenwoordig nauwelijks kernspelers die toen al geboren waren.
...

In Luik zijn ze dezer dagen het delirium nabij. Het mag nog niet hardop gezegd worden, maar iedereen weet dat het maar een kwestie van weken is voordat Standard zijn negende landstitel pakt. Dat belooft een feestje te worden waar ze aan de Maas nog jaren van zullen spreken. De laatste kampioenschapskroon dateert tenslotte al van 1983. Het jonge Standard telt tegenwoordig nauwelijks kernspelers die toen al geboren waren. Op 12 mei 1983, luttele weken na die fameuze laatste titel van Standard, kwam aan de andere kant van de planeet Igor De Camargo, een van de huidige publiekslievelingen, op de wereld. Dag op dag één jaar nadat Standard de finale van de Beker der Bekerwinnaars verloor van FC Barcelona. Het heeft een mensenleven geduurd voor Standard weer kon aanknopen bij de succesdagen van weleer. 'Het zou fantastisch zijn om onze trouwe supporters weer een reden te geven om te feesten. Ik hoop met heel mijn hart dat het ons lukt. Ons publiek verdient het', vertelt De Camargo op de eerste dag van het jaar waarin het Belgische weer een beetje doet denken aan de samba van zijn thuisland. Maar het zou dus fantastisch zijn? Spreken ze op Standard nog altijd in de voorwaardelijke wijs over de titel? 'Oh natuurlijk', antwoordt De Camargo ernstig. 'We staan er goed voor, maar we zijn er nog lang niet. We hebben nog een paar lastige klippen te omzeilen: thuis tegen Anderlecht, uit naar Charleroi, thuis tegen Dender, uit naar Genk... Dat zijn geen matchen waarin je het op voorhand cadeau krijgt, hè. Maar als het ons lukt, zal het een enorm feest worden, zoveel is zeker. Het mooiste zou zijn als we thuis de titel konden pakken, volgende zondag tegen Anderlecht. Dat is een rivaal, dat zou een goed gevoel geven.' IGOR DE CAMARGO: Neenee, die fout mag Standard absoluut niet maken. We moeten het wedstrijd per wedstrijd blijven bekijken. Er zijn tegen Anderlecht evenveel punten te verdienen als in de allereerste match van het seizoen. Tot de competitie beslist is, mag de concentratie niet verslappen. Volgens mij is dat de enige manier om kampioen te worden: ervoor blijven gaan, nooit denken dat je er al bent. DE CAMARGO: Het draaide niet bij hen, de ploeg straalde dat uit, ook al konden we niet van hen winnen. Anderlecht zat eigenlijk de hele heenronde in de hoek waar de klappen vielen. Maar een topclub blijft een topclub. Kijk maar waar ze nu staan en welk parcours ze daarvoor hebben afgelegd. We moeten zeker respect hebben voor Anderlecht, maar tegelijk zeg ik: deze thuismatch moeten we van hen winnen. Tegen Anderlecht kan Standard definitief bewijzen dat het de beste ploeg van het land is. Het zou onze titel nog wat extra glans geven. En zo kunnen we meteen ook een einde maken aan alle onfaire kritiek van de laatste maanden. DE CAMARGO: Kom, je weet waarover ik het heb. Onze keeper, Andres Espinoza, wordt van alle kanten ongenadig aangepakt. Tegen Moeskroen, een match die we nochtans met 1-0 wonnen, was het weer van dat - en dan nog door onze eigen supporters. Ik begrijp dat niet, Espinoza heeft al veel punten gepakt voor Standard. Hij speelt altijd zijn match en doet altijd zijn best. Ik daag iedereen uit onze wedstrijden te analyseren: je kunt Espinoza dit seizoen weinig verwijten. Gelukkig blijft hij nog vrij rustig onder alle kritiek. DE CAMARGO: (mijmert) Ik... denk het wel. Ik ben ook heel kritisch voor mezelf. Zo zal ik na een match altijd eerst op een rijtje zetten wat ik slecht gedaan heb. De supporters mogen gerust even kritisch zijn als ik voor mezelf ben. Maar als de kritiek zo meedogenloos is als nu voor Espinoza, dan word je daar als speler niet beter van. Om kampioen te worden, heb je op zijn minst de steun van je eigen supporters nodig. DE CAMARGO: Hij heeft een andere stijl dan wat ze hier gewoon zijn, ja. Maar Olivier Renard had ook een andere stijl dan Vedran Runje. Elke keeper speelt volgens zijn eigen kwaliteiten. Espinoza is een typische keeper van de Zuid-Amerikaanse school. Je kunt daar voor of tegen zijn, maar je kunt in elk niet ontkennen dat hij efficiënt keept. Standard heeft de beste verdediging van het land en Espinoza is daar een essentieel onderdeel van. Men legt graag veel nadruk op zijn foutjes, terwijl men zijn sterke punten blijkbaar vergeet. Ik geef een voorbeeld: noem mij eens - misschien op Logan Bailly na - één Belgische keeper die even goed uitkomt als hij. DE CAMARGO: Niet mee eens. Als Stijnen uitkomt, heeft hij vaak een fout nodig. De helft van de tijd verdient hij dan een rode kaart. Stijnen komt niet uit met overzicht, Espinoza wel. DE CAMARGO: Het betekent dat een grote club als Standard mij als een waardige vertegenwoordiger beschouwt. En dat vind ik een enorme eer. DE CAMARGO: Dat begrijp ik niet. Communicatie is toch het belangrijkste wat er is? Als je elkaar niet kunt zeggen wat er scheelt, dan wordt het moeilijk om correct samen te werken. Hoe kun je in zo'n geval echt begrijpen wat de technische staf van je verlangt? Of zelfs tijdens een match: als Axel Witsel of Steven Defour mij iets toeroept, dan wil ik begrijpen wat ze bedoelen. Sommigen vinden dat je buitenlandse spelers moet verplichten om de plaatselijke taal te leren, maar dat lijkt mij niet zinvol. Een speler zou zoiets uit zichzelf moeten doen. Ik weet uit ervaring dat je je beter voelt als je de mensen rondom je begrijpt. Dat kost moeite, ja, maar dat moet je er dan maar voor over hebben. DE CAMARGO: Het heeft geen zin om het te ontkennen: een Belgisch paspoort is interessant om in een andere Europese competitie aan de slag te kunnen, maar Belg worden betekent voor mij echt wel meer. Ik woon hier ondertussen al acht jaar en dit land is mijn tweede thuis geworden. Ik gedraag me ook al echt als een Belg, vind ik. DE CAMARGO: Die eet graag frietjes met biefstuk! (lacht) Ik ook. Een keer per maand hè, dan blijft het nog gezond voor een profsporter. Maar om op je eerdere vraag te antwoorden: ik zou héél graag voor de nationale ploeg willen spelen, maar het gaat nog niet. Mijn paspoort is nog niet in orde. En dan moet ik ook nog afwachten of ze mij wel selecteren. Rode Duivel worden zou een droom zijn die uitkomt. DE CAMARGO: Porto Feliz is een klein stadje van ongeveer 80.000 inwoners, vlakbij São Paulo. Heel rustig hoor: weinig industrie en de drukte van de grootstad vind je er ook al niet. Eigenlijk is het een heel kalme, gezellige stad waar voor de rest niet veel over te vertellen valt. Rond mijn zesde ben ik er beginnen te voetballen bij Bonsuccesco, een amateurclub, tot Estrela me daar kwam weghalen. Ook Estrela is in Brazilië zeker geen topper. Omgezet naar Braziliaanse normen komt het zowat overeen met de vierde klasse hier. Daar heeft Genk mij op mijn zestiende gevonden. DE CAMARGO: Puur toeval! Mijn manager wist dat Genk een jonge, stevige Braziliaanse spits zocht. Ik paste perfect in het profiel dat ze voor ogen hadden en ik wou overkomen. Zo simpel is het gegaan. DE CAMARGO: Dat gebeurt alleen als je volledige naam te lastig is om uit te spreken of als je op een of andere manier sterk opvalt. Voor mij gold het een noch het andere, dus kreeg ik geen bijnaam. DE CAMARGO: Goed timen is het halve werk. Maar je hebt zeker ook kracht nodig, anders raak je gewoon niet bij de bal. Deels zijn dat aangeboren kwaliteiten, maar ik geloof dat je het toch kunt leren. Gewoon op training blijven bijschaven tot je het kunt. Zodra je op een punt komt dat je niet meer hoeft na te denken om de perfecte kopstoot te plaatsen, zit je goed. DE CAMARGO: Ik heb goed naar Dadá Maravilha en Mario Jardel gekeken, Braziliaanse spitsen die wisten hoe je een kopbalgoal moet maken. Leren met je ogen, noem ik dat. Dat is een van de grote uitdagingen die ik mezelf probeer te stellen: leren uit elk moment van mijn leven. Ook nu, uit dit interview, leer ik. Weer een extra ervaring erbij gewonnen. DE CAMARGO: Wij zullen bewijzen dat het wél kan. Ik heb dat soort commentaar dit seizoen wel vaker gelezen en ik heb me er altijd aan gestoord. Alsof jeugd per se een nadeel zou zijn. Ons middenveld is gemiddeld 18 jaar. Het is gemakkelijk om al op voorhand aan die jongens te twijfelen. Maar ik zie ze wel wedstrijd na wedstrijd beter worden, iets wat onze tegenstanders ook wel al gemerkt zullen hebben. En voetballers kunnen volgens mij alleen beter worden als ze spelen. Deze ploeg leert in een ongelooflijk snel tempo bij. Als je ziet hoezeer sommige jongens gegroeid zijn sinds begin dit seizoen, daar móét je toch bewondering voor hebben? DE CAMARGO: Zo'n vraag valt op dit moment niet te beantwoorden. Iedere voetballer uit onze kern kan nog een mooie carrière maken, als hij geconcentreerd en ambitieus blijft. Je moet altijd naar meer blijven streven. Volgens mij is dat het geheim van elke geslaagde carrière. Als je een auto wilt, moet je meteen op een Ferrari mikken. Dat wil niet zeggen dat je met een Volkswagen niet tevreden mag zijn, maar de ambitie moet altijd blijven bestaan, vind ik. DE CAMARGO: Pfff, moeilijke vraag, er zijn er zo veel. Spontaan denk ik aan Dieumerci Mbokani. Maar Milan Jovanovic en Axel Witsel hoeven bijvoorbeeld niet veel voor hem onder te doen. En ik kan er vlot nog vijf anderen noemen ook. DE CAMARGO: Verwarrend vooral. Je kunt goed spelen, in vorm zijn en toch op de bank belanden. Dat is elke keer weer jezelf ter discussie stellen en uitzoeken waar het beter moet. Makkelijk is dat niet, nee. Maar goed, voor de club is het natuurlijk wel interessant dat er zoveel concurrentie bestaat tussen de aanvallers. DE CAMARGO: Ik weet het niet vanbuiten, maar ik gok dat het met Jovanovic is (klopt, tot voor de match op Lokeren scoorde De Camargo vijf keer met Jovanovic, tegenover drie keer met Mbokani, nvdr). Mbokani beweegt anders dan Jovanovic, waardoor ik me anders moet opstellen om in scoringspositie te komen. Dat is aanpassen, ja. Maar ik voetbal net zo graag met Mbokani als met Jovanovic, hoor. Het zijn allebei topspitsen. DE CAMARGO: Je hoeft het niet ver te zoeken: op Sclessin zijn er misschien één of twee ploegen niet met een extra verdediger komen spelen. Ze denken ons zo te ontwrichten of, als dat dan niet lukt, er tenminste weinig binnen te krijgen. Dat lukt niet helemaal, maar het zorgt er automatisch voor dat je als spits minder scoort. Ik vermoed dat de andere teams vroeger met meer aanvallende intenties naar ons kwamen. Tja, uiteindelijk speelt iedereen zoals hij wil, hè. Aan ons om efficiënter te worden en het gat te vinden. DE CAMARGO: Later is er nog tijd genoeg om naar dat soort competities te gaan. Oké, ik weet dat er in landen zoals Zuid-Korea veel geld omgaat in de voetballerij. Maar geld is niet het allerbelangrijkste voor mij. Ik wil eerst naam maken in Europa. Dat is de uitdaging nummer één. Zodra ik daarin geslaagd bent, komt het geld vanzelf. En mijn plezier op het voetbalveld is natuurlijk ook belangrijk. Bij Standard heb ik dat nu in overvloed. Dat zou ik niet lichtzinnig op het spel zetten. Dat achterlaten, kan alleen voor een club en een competitie waarin ik me helemaal kan vinden. DE CAMARGO: Natuurlijk. Elke Belgische voetbalfan zou het erg moeten vinden dat die club zakt. Brussels, dat is de club van Johan Boskamp, van Franky Van der Elst, en tal van andere grootheden hè. Een ploeg met zo'n geschiedenis en zulke supporters hoort in eerste klasse te spelen. Ik heb er een heel mooi jaar beleefd. De mensen hebben er de voetballer Igor De Camargo min of meer ontdekt. Ook met voorzitter Johan Vermeersch, die de laatste tijd heel veel kritiek krijgt, had ik eigenlijk een heel goeie band. Veel mensen kunnen blijkbaar moeilijk omgaan met zijn stijl, maar ik kan uit persoonlijke ervaring getuigen dat hij heel veel goeds doet voor zijn club. Nee, aan mijn tijd met Vermeersch heb ik alleen goede herinneringen. DOOR JEF VAN BAELEN