Door de stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer wordt het zeewater zuurder, en zuur water breekt de kalk in mosselschelpen af. Je zou dus verwachten dat de schelpen dunner worden, maar het omgekeerde is waar. Bioloog Thierry Backeljau van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen onderz...

Door de stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer wordt het zeewater zuurder, en zuur water breekt de kalk in mosselschelpen af. Je zou dus verwachten dat de schelpen dunner worden, maar het omgekeerde is waar. Bioloog Thierry Backeljau van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen onderzocht met een aantal collega's de evolutie van de schelpdikte van de diertjes tussen 1904 en 2016. Hun resultaten verschenen in Global Change Biology. Ze tonen aan dat de schelpen in die tijd aanzienlijk dikker zijn geworden. Misschien wordt het verlies gecompenseerd doordat de mossels zich aanpassen aan wijzigingen in het bestand van hun voornaamste prooidieren. Zo neemt door de stijging van zowel de zeewatertemperatuur als de eutrofiëring (door afvalwater en meststoffen die via rivieren in zee terechtkomen) het aantal wiertjes toe. Die vormen de voeding voor de larven van krabben en kreeften. De laatste zijn echte mosseleters, die met hun scharen mosselschelpen kraken. Om dat tegen te gaan, hebben de mossels blijkbaar krachtiger schelpen ontwikkeld. Andere factoren zijn overbevissing van kreeften- en krabbenlarveneters zoals de kabeljauw, en het succes van zeemeeuwen, die ook mossels eten. Maar het goede nieuws is dus dat onze mossels mogelijk beter tegen de klimaatopwarming gewapend zijn dan we dachten. In Science beschrijven wetenschappers in detail hoe mossels de stevige draden maken waarmee ze zich aan een substraat vasthechten. Ze schakelen daarvoor een stof in die weinig in de natuur wordt gebruikt: vanadium.