'Onze beleidsmakers hebben vrijwel uitsluitend oog voor nieuwe ondernemingen. Terwijl wat gebeurt met stopgezette bedrijven, minstens even belangrijk, zo niet belangrijker is voor een economie.' Dat concludeert professor Johan Lam-brecht, directeur van het Studiecentrum voor Ondernemerschap aan de Brusselse economische hogeschool EHSAL, uit zijn tweejarige studie over oprichting en stopzetting van bedrijven. 'Een overheid moet de bedrijfsdynamiek, de instroom van nieuwe bedrijven plus de uitstroom van bedrijven, met arendsogen volgen.'
...

'Onze beleidsmakers hebben vrijwel uitsluitend oog voor nieuwe ondernemingen. Terwijl wat gebeurt met stopgezette bedrijven, minstens even belangrijk, zo niet belangrijker is voor een economie.' Dat concludeert professor Johan Lam-brecht, directeur van het Studiecentrum voor Ondernemerschap aan de Brusselse economische hogeschool EHSAL, uit zijn tweejarige studie over oprichting en stopzetting van bedrijven. 'Een overheid moet de bedrijfsdynamiek, de instroom van nieuwe bedrijven plus de uitstroom van bedrijven, met arendsogen volgen.'JOHAN LAMBRECHT: Toch veel te weinig. Het klassieke beleidsdiscours luidt: er zijn te weinig startende ondernemers, we hebben meer nieuwe bedrijven nodig, en de politiek moet zoveel mogelijk maatregelen nemen die het ondernemerschap bevorderen. Daarbij wordt vergeten dat er een intense wisselwerking bestaat tussen de stopzetting van bedrijven en het ontstaan van nieuwe marktspelers. Het opduiken en verdwijnen van bedrijven kan worden voorgesteld als een grote economische draaideur. Hoe vlotter die deur beweegt, hoe sterker je economie. LAMBRECHT: Je moet trachten de bedrijfsdynamiek op een zo natuurlijk mogelijke manier te laten verlopen. Momenteel voert de Belgische overheid een tweeslachtig ondernemersbeleid. Enerzijds worden drempels gecreëerd voor startende ondernemers, zoals de recente verstrakking van de Vestigingswet (die stelt dat iedere starter een bewijs van beheerskennis moet leveren, nvdr). Anderzijds neemt men maatregelen om mensen willens of onwillens in het zelfstandige ondernemerschap te duwen, zoals de achtergestelde lening voor werklozen die een eigen zaak willen beginnen. In feite strooien we zand in het mechanisme van de draaideur en duwen we mensen er tegelijk met alle macht door. LAMBRECHT: Hoegenaamd niet. De oorsprong van de Vestigingswet verklaart al veel: in 1937 stelde de toenmalige Koninklijke Commissaris voor de Middenstand vast dat er te veel zelfstandigen waren, en dat die niet allemaal in hun levensonderhoud konden voorzien. In de jaren vijftig mondden zijn bevindingen uit in de Vestigingswet. Sinds 1989 daalt het aantal nieuwe bedrijven echter spectaculair en toch heeft men in 1998 de vestigingswet nog verstrakt, met als argument dat het aantal stopzettingen van nieuwe bedrijven te hoog lag. Ongeveer 20 procent van de bedrijven wordt na één jaar gesloten. Men wilde kortom dat de ondernemingen die startten, stuk voor stuk kwaliteitsvolle bedrijven waren met maximale kansen op overleving. Het grote probleem van die interpretatie is dat men stopzetting automatisch gelijkstelt met mislukking. Uit ons onderzoek blijkt nochtans dat zestig procent van de ondernemers die stopten met hun nieuwe bedrijf, achteraf vonden dat hun onderneming een echt succes was. Waarom houdt men er dan mee op? Er zijn meerdere redenen denkbaar: omdat de pensioenleeftijd bereikt was, om gezondheidsredenen, om meer vrije tijd te hebben, omdat de zaakvoerder geen loodzware werkdagen meer wilde, enzovoorts. De premissen van de Vestigingswet blijken dus niet te kloppen. Daarom zeg ik: laat wie wil ondernemen, dat toch proberen. Betuttel de mensen niet met een Vestigingswet. Maar duw ze ook niet in het ondernemerschap met renteloze leningen. LAMBRECHT: Ja, zo wordt het voorgesteld. Maar wat zit er eigenlijk écht achter die maatregel? Enkel het doen dalen van de werkloosheid. Vergeet niet dat de achtergestelde leningen niet zijn ingevoerd door de ministers van Economie of van Middenstand, maar wel door de minister van Tewerkstelling. De achtergestelde leningen waren van het begin af niet gericht op het bevorderen van ondernemerschap. En uit mijn onderzoek blijkt dat ze dat ook niet doen. Bij beginnende ondernemers die er gebruik van maken, is de kans veel groter dat ze hun onderneming vroegtijdig stopzetten. Eigenlijk is het altijd hetzelfde liedje: de overheid richt al haar pijlen op de startende zelfstandige, terwijl de ondernemer die zijn zaak stopzet volkomen in de kou blijft staan. Zo wordt onrechtstreeks aan stigmatisering gedaan. Alsof men zegt: 'We helpen je nu wel starten, maar je kan dan ook maar zien dat je bedrijf een succes wordt.' Terwijl bestaande ondernemers succes enorm relativeren. De scheidingslijn tussen slagen en mislukken is flinterdun. LAMBRECHT: Dat is toch logisch? Mislukking is in de economische realiteit uiteindelijk toch een normaal iets. En faillissementen hoeven op zich ook niet noodzakelijk nadelig te zijn voor de economie. Dus waarom de 'falende' ondernemer zo streng straffen? Succesvolle delen van het mislukte bedrijf kunnen worden overgenomen door andere bedrijven, die daar dan sterker door worden. LAMBRECHT: Dat is zeker waar. Ondernemers in nood zijn beschaamd, beschouwen hun mislukte zaak als een persoonlijk falen. Dikwijls ontvluchten ze zelfs de streek waar hun zaak gevestigd was. Er is geen opvang voor die mensen. Ik pleit voor een overheidsorgaan dat ondernemers in nood begeleidt. Een failliete ondernemer zei me onlangs: 'Toen ik succesvol was, ontving ik dagelijks brochures. Maar de dag dat ik problemen kreeg, kon ik nergens terecht.' Zelfstandigen die in moeilijkheden raken, willen soms wel stoppen, maar vaak kunnen ze dat niet. Feitelijk zijn ze gedoemd om voort te doen, want ze kunnen nergens op terugvallen. Met als gevolg dat ze van de regen in de drop kunnen belanden. Waar kunnen die ondernemers terecht? Momenteel bestaan er een paar lovenswaardige vrijwilligersorganisaties die hen begeleiden, zoals de West-Vlaamse vzw Efrem. De overheid staat ondertussen aan de zijlijn en kijkt toe. Is het overigens ook niet bizar dat een ondernemer die stopt met zijn zelfstandige activiteit, géén recht heeft op een vervangingsinkomen, als hij langer dan negen jaar aan de slag is? Alsof ervaren ondernemers niet in de problemen kunnen geraken. LAMBRECHT: Misschien door een verplichte bijdrage, of anders een systeem met vrijwillige schenkingen? Ik wil de ondernemers aanmoedigen om toch tenminste íéts te organiseren. Al weet ik dat zoiets niet evident is. Bedrijfsleiders die nu succesvol zijn, gaan er maar al te vaak van uit dat ze dat eeuwig blijven. Maar het geluk van vandaag biedt geen garanties voor morgen. Een zelfstandige loopt tot drie keer meer kans om in de armoede te belanden dan een niet-zelfstandige. Dat is toch onrechtvaardig. De enige risiconemers in deze maatschappij, zij die dag in dag uit met hun eigen centen werken, zijn de enigen voor wie een sociaal vangnet nagenoeg niet bestaat. De clichéopvatting dat veel geld verdienen haaks staat op sociale bescherming, maakt slachtoffers. En niet iedere zelfstandige is een grootverdiener, al denken veel mensen dat wel. De inkomensverdeling onder de zelfstandigen is enorm ongelijk, dertig procent heeft tweederde van de koek. En zelfs de rijksten kunnen van de ene dag op de andere in de problemen komen, vaak zelfs door zaken waaraan ze niets kunnen doen. n Jef Van Baelen'Een zelfstandige heeft tot drie keer meer kans om in de armoede te belanden.'