Nochtans heeft Joris Note op één punt gelijk. Er is dwang. Iets te zeggen hebben, is immers ook maar een vorm van 'moeten'. Dat hij zo nodig opiniepagina's moest lezen, zich druk moest maken over zoveel drukdoenerij van geleerden, en zowaar zelf in de pen moest kruipen, is toch een wonderbaarlijk staaltje van dwang. Ik zou maar eens zo vermetel moeten zijn te beweren dat míjn tekst hem daartoe gedwongen heeft! Hoe moet hij dergelijke argumenten gaan weerleggen, tenzij door te zeggen dat hij schrijft wat hij denkt te moeten schrijven? Het 'moeten', dat ik evoceerde in mijn stuk, hoeft u heus niet zo beperkend uit te leggen, heer Note. Van iemand die zich koestert in de taal en in het leven, kon ik verwachten dat hij woorden in hun context interpreteert, veeleer dan ze met houten handboeien aan een telraampje vast te klemmen. (Kijk, alweer een hele paragraaf vol 'moeten ...

Nochtans heeft Joris Note op één punt gelijk. Er is dwang. Iets te zeggen hebben, is immers ook maar een vorm van 'moeten'. Dat hij zo nodig opiniepagina's moest lezen, zich druk moest maken over zoveel drukdoenerij van geleerden, en zowaar zelf in de pen moest kruipen, is toch een wonderbaarlijk staaltje van dwang. Ik zou maar eens zo vermetel moeten zijn te beweren dat míjn tekst hem daartoe gedwongen heeft! Hoe moet hij dergelijke argumenten gaan weerleggen, tenzij door te zeggen dat hij schrijft wat hij denkt te moeten schrijven? Het 'moeten', dat ik evoceerde in mijn stuk, hoeft u heus niet zo beperkend uit te leggen, heer Note. Van iemand die zich koestert in de taal en in het leven, kon ik verwachten dat hij woorden in hun context interpreteert, veeleer dan ze met houten handboeien aan een telraampje vast te klemmen. (Kijk, alweer een hele paragraaf vol 'moeten en dwang'!) Om maar iets te noemen: geboren worden na negen maanden is een kwestie van 'moeten'. Mij lijkt dit _ vooral voor de moeders _ op termijn een gezonde zaak. Of vindt u zelf van niet, heer Note? Joris Note moraliseert het begrip 'moeten' om niet op de realiteit zelf in te hoeven gaan. In mijn tekst viel nergens het soort dwang te bespeuren dat hij er binnensmokkelt, niet eens het begrip, laat staan de politieke waarde. Dat mijn betoog 'op een overweldigende manier dwang oplegt' schrijf ik toe aan een zekere dwangmatigheid in zijn verbeelding. Behalve Note, De Dijn en enkele andere verzetsstrijders, begrepen de meeste lezers perfect mijn invalshoek: niet zozeer de morele dwang van een gelijkhebberige visie, als wel de macht der gebeurtenissen. Samen met de lezer _ en dat vormt een soort 'wij', niet? _ stel ik de vraag of die massieve, brutale macht der feiten wel zo simpel is als sommigen ons doen geloven. 'De wereld is onhoudbaar', schreef ook cultuurfilosoof Lieven De Cauter naar aanleiding van de WTC-catastrofe. Wat is dat voor iets, heer Note, een 'onhoudbare wereld'? Stelt u zich soms die vraag? Wordt u wel eens gegrepen door zoveel onhoudbaarheid? De twijfel die ik als een fundamentele filosofische houding naast fatale gebeurtenissen als 11 september plaats, is gericht tegen het simpele geloof in simpele overtuigingen, zoals die van Joris Note, wanneer hij zegt: 'ik voel me verbonden met de Amerikanen, voilà'. Voilà? 'Ongedwongenheid' kan ook een alibi zijn voor intellectuele norsheid. Voorzichtig, heer Note, of u wordt nog zoals die Spaanse edelman, die zijn oksels liet vervangen door prothesen omdat hij niet langer kon verdragen dat ze hem dwongen te krabben telkens als het jeukte. Mijn 'ongeloof' was nadrukkelijk mede in het christelijk humanisme van Erasmus gefundeerd. Joris Note leest bewust over die passage heen, en bevindt zich daarmee alweer in het eminente gezelschap van Herman De Dijn. Welnu, ik blijf erbij dat Erasmus in Europa geen kans had gemaakt, als er niet de reuzin van de antieke wijsbegeerte was geweest op wier schouders hij dankbaar ging staan. Beweren dat ik dus 'maar één traditie wil erkennen' getuigt niet langer van een slordige lezing maar van zelfverblinding. De lezer vergeve me nogmaals mijn partijdigheid, maar ik verkies Erasmus' guitige blik boven het blinde gekijf der Cyclopen.Ik wil niet mijn spreken ophouden als een plas, wat Joris Note doet, tot ik de kans zie om andermans vermeende dwaling als een geschikt richtpaaltje voor mij uit te zetten. Wil ik 'iets te zeggen hebben'? Allicht. Kan ik mij daarin vergissen? Zeker, en bedankt om mij eraan te herinneren. Verder wacht ik af, in 'ongeloof', jawel, om te zien of onze Amerikaanse vrienden na de oorlog in Afghanistan hun domme en vaak al te onrechtvaardige politieke tradities zullen kunnen omgooien. Ik gun ze het voordeel van de twijfel, want ook zij ondergaan de onhoudbaarheid van deze wereld. Geloven zal ik het pas, als het ook gebeurt. En zolang het niet gebeurt, zullen 'wij', 'hier', in 'Europa', misschien nog een en ander te zeggen hebben. Tenminste, dat hoop ik.Dus, heer Note, zet gerust uw tv uit en laat uw dag- en weekbladen beschimmelen. Maar dan ook die waar u zelf aan meewerkt. Want waarom zou voor uw eigen gedrukte opinie níét gelden wat u de gedrukte opinies van anderen verwijt? Zodra de 'zelfgenoegzame' berichtgeving over die verschrikkelijke wereld daarbuiten u niet langer bereikt, kunt u weer met maagdelijke vingertjes verderbladeren onder de fluwelen kaft van uw eeltloze ziel. Ik zal de laatste zijn om u daarbij te storen.Peter De Graeve