Als Robert Jeurissen, de voorzitter van de Centrale Scheidsrechterscommissie, met de regelmaat van een klok op tv komt, weet iedere voetbalfan: de arbiters liggen weer onder vuur. Hier een strafschop die gefloten had kunnen worden, daar een positiebuitenspel verkeerd geïnterpreteerd, en spelers, trainers en voorzitters die daar gretig op inhakken, waarna Jeurissen voor de zoveelste keer voor de camera mag uitleggen dat fouten nu eenmaal gebeuren en er dus eigenlijk niets uit te leggen valt. Worden die scheidsrechters daar zelf niet moe van?
...

Als Robert Jeurissen, de voorzitter van de Centrale Scheidsrechterscommissie, met de regelmaat van een klok op tv komt, weet iedere voetbalfan: de arbiters liggen weer onder vuur. Hier een strafschop die gefloten had kunnen worden, daar een positiebuitenspel verkeerd geïnterpreteerd, en spelers, trainers en voorzitters die daar gretig op inhakken, waarna Jeurissen voor de zoveelste keer voor de camera mag uitleggen dat fouten nu eenmaal gebeuren en er dus eigenlijk niets uit te leggen valt. Worden die scheidsrechters daar zelf niet moe van? 'Je moet daarmee leren leven, en kritiek de waarde geven die ze verdient', zegt Paul Allaerts diplomatisch. Allaerts is een van onze meest ervaren en volgens velen ook onze beste ref. 'Een jonge scheidsrechter laat zich daardoor nog raken, maar een oude rot zoals ik kan perfect voorspellen wanneer die hetze weer zal losbarsten. Het eerste kritieke moment is het begin van het seizoen: ploegen mogen hun start niet missen, en dus staan de zenuwen overal gespannen. Daarna volgt zo rond de tiende speeldag een tweede kritiek moment: het klassement krijgt vorm en ploegen die niet staan waar ze willen staan, proberen het tij te keren. De teams die wel op hun plaats staan, hoor je niet klagen over de scheidsrechter, dat is echt geen toeval. Hoe moet je daar nu mee omgaan? Gewoon beseffen dat het zal gebeuren en dat het twintig jaar geleden ook al zo was. In een van die twee periodes zal men waarschijnlijk een twijfelachtige beslissing aangrijpen om iets uit te lokken. Ik schat dat in zowat 10 à 15 procent van de matchen die ik fluit twijfelachtige beslissingen vallen, dus keuze genoeg. Die kritiek is een onweer waarvan je weet dat het vroeg of laat weer overtrekt.' PAUL ALLAERTS: Eigenlijk wel. Maar wat wél veranderd is tegenover vroeger, is dat er toen één camera stond en nu een stuk of acht. Die ene camera kon het meestal ook niet goed zien, waardoor scheidsrechters het voordeel van de twijfel kregen. Maar met acht camera's is er altijd wel één die juist staat en uitsluitsel geeft. Voor assistent-scheidsrechters maakt dat het nog veel moeilijker. Bij hen gaat het om een tiental beslissingen per match, meestal cruciale, waarop soms maar tien centimeter speling zit, maar de camera legt dat genadeloos vast. Mentaal hebben zij een zwaardere job dan de scheidsrechters. Ik zeg hen altijd: probeer die camera's weg te denken of je wordt nog zot. Je zou eens moeten weten hoe moeilijk dat is, in een livewedstrijd beoordelen of een speler al dan niet buitenspel staat. Tijdens de wedstrijd zijn de spelers zelf het ook nooit zeker, hoor. Nadien zullen ze allemaal zeggen dat ze het perfect gezien hadden. Nadat ze de beelden bekeken hebben, natuurlijk. ALLAERTS: Je moet dat kunnen plaatsen. Ik heb ook voetbal gespeeld, ik weet hoe graag een voetballer wil winnen. En ik begrijp de stress waaronder die mensen staan. Ik snap ook dat een trainer soms, onterecht, het gevoel krijgt dat men al weken constant in zijn nadeel fluit. En soms gaat een mens uit de bocht, hè. Ik praat ook anders wanneer ik nijdig ben. Voetbal is emotie en moet vooral emotie blijven. Tezelfdertijd moeten spelers en trainers zich wel bewust blijven van hun voorbeeldfunctie. Je kunt niet van je fans verwachten dat ze kalm blijven als de iconen van de club dat ook niet kunnen. Maar wat die fans meestal niet weten, is dat trainers soms ook de scheidsrechter viseren louter om druk te zetten op de volgende ref die ze gaan tegenkomen. En dat kan een gevaarlijk spelletje zijn. Wij komen in beeld wanneer we het slecht hebben gedaan. Dat weet een scheidsrechter wanneer hij eraan begint. Journalisten hebben mij nog nooit achteraf iets komen vragen over een doelpunt waarbij ik mooi voordeel geef, maar als ik blunder, staan ze hier allemaal. Ondank hoort bij de job. ALLAERTS: Het is hard werken en als het kan, zoveel mogelijk genieten. Wij zijn als het ware de moderators van een wedstrijd. Je moet proberen jezelf zo onzichtbaar mogelijk te maken, zorgen dat je geen enkel moment opvalt. Tegelijk moet je natuurlijk ingrijpen wanneer dat nodig is. Het is niet evident om daar het juiste evenwicht in te vinden. Weet je wat een goede scheidsrechter vooral nodig heeft? Een grote dosis geluk. Dikwijls is het gewoon onmogelijk om een situatie correct in te schatten. Een schot vanaf twintig meter dat tegen de onderkant van de deklat gaat en dan net wel of net niet achter de lijn belandt: tegen zoiets sta je kansloos. Je kunt hopen dat je beslissing de juiste is, meer niet. Zoiets heeft niets te maken met je feitelijke prestatie, met het leiding geven aan de wedstrijd. Maar ben je verkeerd, dan weet je al wat maandag de kop in de krant zal zijn. Een beslissing nemen waarvan je niet zeker bent en zelfs niet zeker kúnt zijn, is een raar gevoel, hoor. Zeker als het wedstrijdbepalend is. Maar dat maakt iedere scheidsrechter mee, ieder seizoen verscheidene keren zelfs. In het begin weegt dat zwaar, maar je moet dat van je afzetten. In lastige wedstrijden valt het genieten soms weg. Een scheidsrechter mag zijn concentratie geen moment laten verslappen. Eén foute beslissing kan het doen ontploffen, en dan is je match naar de vaantjes. ALLAERTS: Zeker beginnende arbiters komen dat nogal eens tegen. Bij sommige spelers zit het protesteren in de genen, ja. En weet je, als ik zelf ook niet 100 procent zeker ben van een beslissing, kan ik best verdragen als er eens een reactie komt. Ik zeg dan ook gewoon: sorry, ik ben niet zeker. Maar een speler die protesteert na een overduidelijke fout, neem je op de duur niet meer ernstig. In principe moeten we er geel voor trekken, maar dat iemand die aangetrapt wordt eens van zijn oren maakt, is niet zo erg. Die speler heeft pijn, het is toch menselijk dat hij reageert, zeker? Na verloop van tijd ken je de voetballers ook wel. Sommigen spelen gewoon hun wedstrijd, maar áls zij iets zeggen, dan is er waarschijnlijk echt iets aan de hand. Anderen zijn de hele match met de scheidsrechter bezig. Daar heb je meer mensenkennis nodig om ze in het gelid te houden. De gevaarlijkste momenten zijn die vlak na een doelpunt. De scorende ploeg is iets minder geconcentreerd, het andere team kan gefrustreerd reageren. Dan moet je extra alert zijn. In de eerste tien en de laatste vijf minuten van iedere helft is het ook oppassen. Dan zijn de ploegen het felst en kan er dus ook het meeste gebeuren. ALLAERTS: Persoonlijkheid. Hoe ga je met de druk van de vele camera's om? Hoe met een kolkend stadion? Aanvaarden de spelers je gezag? Iedereen vult dat op zijn eigen manier in. Mijn sterkte is dat ik rustig overkom, maar anderen behalen met een energiekere stijl een even goed resultaat. Het lukt het best als je je op het terrein gedraagt zoals in het gewone leven, is mijn ervaring. Sommige spelregels zijn zwart-wit, andere zijn grijs en wijzigen naargelang van de match en de sfeer. In die laatste categorie toont een scheidsrechter of hij het spelletje beheerst. Waarom trek je voor de ene fase geel en voor een soortgelijke fase in een andere match niet? Dat is aanvoelen, weten wanneer iets kan en wanneer niet. In vergelijking met vroeger zijn er veel regels bijgekomen, men wil het grijs blijkbaar zoveel mogelijk bannen - hoewel dat volgens mij nooit helemaal kan. Dat deed de zogenaamde 'imperatieve kaarten' ontstaan, spelsituaties waar je volgens de reglementen altijd geel of rood moet trekken. Ik ben daar niet altijd gelukkig mee. Als ik geel moet geven omdat iemand na een goal zijn trui uittrekt, dan zie je aan mij dat ik die niet graag geef. Dat zoiets voor mijn aanvoelen van die match en die fase niet hoeft. Maar ja, zo zijn de richtlijnen. Zijn dat goede richtlijnen? Dat laat ik in het midden. Feit is dat ik ze moet toepassen. ALLAERTS: Compenseren is twee keer fout doen. Dan ben je verkeerd bezig. Spelers kunnen daar trouwens ook niet tegen, en terecht. Ze zullen het wel proberen uit te lokken, maar au fond haten ze het wanneer dat lukt. Een scheidsrechter trekt tijdens een match een grens: dit mag wel en dit mag niet. Torn aan die grens, bijvoorbeeld door na een twijfelachtige goal een makkelijke penalty terug te geven, en spelers verliezen hun houvast. Dat voelt als willekeur aan, en zodra ze dat ervaren, gaan de poppen aan het dansen. ALLAERTS: Het is al verbeterd ten opzichte van vorig seizoen, wellicht omdat men er tijdens het EK zo streng op is geweest. Maar corners zijn geen evidente spelfases, nee. Preventief optreden is de truc. Je ziet zo'n duel meestal al borrelen voor het foutloopt. Wat dat betreft, is het ook belangrijk dat je op voorhand inschat wat voor een match het zal worden. Je moet niet alles geloven wat in de pers verschijnt, want daar is veel van opgeklopt, maar je moet wel eens kijken wat er in eerdere confrontaties is gebeurd, want spelers hebben meestal een goed geheugen. Als je door een eerder akkefietje weet dat er tussen twee spelers iets kan ontstaan, kun je daar sneller de angel uit halen. Het helpt dat ik zelf gevoetbald heb. Een speler die tackelt om de bal te hebben of een die zijn tegenstander pijn wil doen, dat voel ik aan. ALLAERTS: Dat hoor je elke week, ja. Grote clubs krijgen meer strafschoppen dan kleine clubs, maar ze komen gewoon ook vaker in het strafschopgebied. De kans op een penalty is dus een stuk groter. Akkoord, iedereen zal wel voorbeelden kunnen aanhalen van fouten die in hun nadeel werden gefloten. Scheidsrechters vergissen zich soms, dat weten wij ook wel. Maar aan onze integriteit hoef je niet te twijfelen. Als ik een veld op stap, dan bestaan er voor mij geen grote ploegen. Het is gewoon elf tegen elf. ALLAERTS: Eerlijk, voor mij niet. Een topscheidsrechter trekt zich van dat hele randgebeuren niets aan. Ik kreeg ooit een heel mooi compliment van een trainer, ik mag niet verklappen wie het was. Hij zei me dat hij mij liever in uitmatchen trof, want dat ik mij nooit door de sfeer of door het publiek laat beïnvloeden. En zo moet het ook. ALLAERTS: Je hoort dat, maar het blijft eigenlijk niet hangen. Wanneer 30.000 supporters schreeuwen, vang je alleen een kwaad gezoem op. Vroeger floot ik in provinciale voor een publiek van veertig man en als ze toen riepen, stoorde het me veel meer. Want je hoort elk woord en elke belediging kruipt in je hoofd. Als ik op lager niveau ga kijken, verbaas ik me er altijd weer over hoe goed de refs het daar doen. Die meestal wat oudere arbiters staan er ieder weekend, weer of geen weer. Zij zijn de echte helden van het voetbal. Ze krijgen bakken kritiek over zich heen, want ze vergissen zich inderdaad soms - logisch als je er alleen voor staat. Toch zijn ze er het volgende weekend opnieuw, om al die spelers weer het plezier van een wedstrijd te gunnen. Ik heb daar een grenzeloos respect voor. ALLAERTS: Boertig, dat is het woord. Mijn kinderen spelen voetbal. Wat de mensen daar de scheids naar zijn kop slingeren... Ik ben beschaamd in hun plaats. Zo'n arbiter komt zijn vrije tijd offeren, die doet altijd zijn best. Maar als je dan ziet hoe daar ongenadig op ingehakt wordt, en meer dan eens nog onterecht ook. Ik begrijp perfect dat zoveel jonge scheidsrechters afhaken. Dat gescheld steekt natuurlijk de jonge spelertjes aan. Ik zie soms voetballertjes van nog geen tien jaar die zich laten vallen, met alle trucs van de foor erbij. Is dat nu echt nodig? Trainers die zoiets zien, zouden eigenlijk direct moeten ingrijpen. Eigenlijk zou men iedereen die een aansluitingskaart tekent, moeten verplichten om minstens één match per jaar te fluiten. Dat ze weten hoe moeilijk het is. En misschien krijgt er hier en daar wel een de smaak te pakken. ALLAERTS: Niets eigenlijk, wij worden voldoende afgeschermd. Maar op de lagere niveaus gebeurt dat zeker. Wie op dergelijk vandalisme betrapt wordt, mag wat mij betreft trouwens nooit nog op een voetbalveld komen. Het ergste wat ik meemaak, is af en toe vervelende mails. Maar dat neem ik niet al te ernstig. Ik heb nooit voor mijn veiligheid gevreesd of zo. ALLAERTS: Daar is eens veel commotie rond geweest in de aanloop naar een Anderlecht-Club die ik deed. Na die match had men het in ieder artikel over 'die ref van Club'. Men bleef dat maar oprakelen, dus heb ik gezegd dat ik liever geen wedstrijden van Club Brugge meer aanneem. Je moet de controverse ook niet zoeken. Nochtans is het een belachelijke redenering. Ik werk al twintig jaar voor dit bedrijf, al van toen het nog het Gemeentekrediet heette. Lang voor men Club begon te sponsoren. ALLAERTS: Ik houd van de sport, ja. Maar niet in die mate dat ik iedere match van het EK heb bekeken, om maar iets te zeggen. Er is meer in het leven dan voetbal. En ik kan het niet laten om toch vooral op de scheidsrechter te letten wanneer ik een match zie. Die beroepsmisvorming is niet altijd bevorderlijk voor het kijkplezier. ALLAERTS: Een arbiter wil altijd zo goed mogelijk fluiten. Ieder middel dat ervoor zorgt dat ik minder fouten maak, is voor mij welkom. Maar besef wel dat je met dat soort innovaties ook raakt aan de cultuur van de sport. Stel dat je iedere keer moet wachten tot een videoscheidsrechter zegt of een fase al dan niet strafschop is. Dan vertraag je het spel en is het niet langer het voetbal dat wij nu kennen. Trouwens, in Studio 1 zie ik ze soms, met de herhaling erbij, nóg discussiëren of het nu strafschop is of niet. Ik vrees dat een videoref de controverses niet zal doen stoppen. En wees eerlijk: willen we eigenlijk wel dat de controverse uit deze sport verdwijnt? DOOR JEF VAN BAELEN