In de jaren zeventig stokte de expansie van de verzorgingsstaat door een economische crisis. Het gaf in het volgende decennium voedsel aan een neoliberaal discours dat de sociale zekerheid niet langer werkte als 'een vangnet', maar 'een hangmat' was geworden met sociale uitkeringen en andere steunmaatregelen die mensen lui en afhankelijk zou maken.
...

In de jaren zeventig stokte de expansie van de verzorgingsstaat door een economische crisis. Het gaf in het volgende decennium voedsel aan een neoliberaal discours dat de sociale zekerheid niet langer werkte als 'een vangnet', maar 'een hangmat' was geworden met sociale uitkeringen en andere steunmaatregelen die mensen lui en afhankelijk zou maken. Zouden die wijzigende opvattingen ook een invloed hebben op het denken van de Vlamingen over de welvaartsstaat en de sociale zekerheid? In een eerste deel van het TOR-onderzoek naar het draagvlak van de solidariteit vroegen professor Mark Elchardus en zijn collega's van de Vakgroep Sociologie van de VUB zich af hoe vatbaar de Vlamingen zijn voor de negatieve kritiek van de jaren tachtig en negentig op de verzorgingsstaat en in welke mate ze nog solidair willen zijn met mensen die door hun levensstijl of levensloop sociaal kwetsbaar zijn. In de resultaten van hun enquête zit een opvallende en tegelijkertijd schijnbare tegenstrijdigheid. Die is in belangrijke mate een 'uiting van onbehagen en verzuring', zoals die recent ook door Elchardus en Wendy Smits werd beschreven in het boek Anatomie en oorzaken van het wantrouwen ( Knack 2/10/02). Een grote meerderheid van de Vlamingen deelt nog altijd de positieve opvattingen over de gunstige en herverdelende effecten van de sociale zekerheid. Maar een kwart tot een derde van de bevolking heeft ook duidelijk oor voor de negatieve kritiek. Vooral laaggeschoolden, mensen met een laag inkomen en ouderen geloven meer in de negatieve impact van sociale bescherming. En dat is vreemd, want juist deze Vlamingen zijn sociaal het meest kwetsbaar en moeten het meest kunnen rekenen op de sociale zekerheid. Maar de TOR-groep heeft daarvoor ook een verklaring. Bejaarden, laaggeschoolden en mensen met een laag inkomen zijn somberder over hun toekomst en kampen meer met onveiligheidsgevoelens. Dat leidt tot een vorm van 'verzuring' die doorwerkt in hun beeld over mens en maatschappij. Elchardus en zijn collega's zien hen meer opduiken rechts van de 'sociaal-culturele breuklijn'. Die ontdekten ze eerder in studies over het maatschappelijk middenveld. Aan die rechterzijde is men onder meer kritisch over de multiculturele samenleving, heeft men weinig vertrouwen in migranten, en wint eigenbelang het van de solidariteit. Het onbehagen maakt met andere woorden minder solidair. Dat blijkt ook uit de antwoorden op de vraag in welke mate mensen meer moeten bijdragen voor de sociale zekerheid en meer moeten betalen voor hun medische zorg als ze ongezond en gevaarlijk leven (bijvoorbeeld vet eten, roken of onder invloed van alcohol en drugs met de auto rijden). Of omdat ze ouder worden, een gevaarlijk beroep uitoefenen of drager zijn van een genetisch defect. Kunnen mensen daarvoor zelf aansprakelijk gesteld worden? Een overgrote meerderheid van de Vlamingen vindt dat ze solidair moeten zijn, ook als het gaat over sociale risico's die te maken hebben met een individuele levensstijl of die voortvloeien uit de levensloop van mensen. Maar opnieuw kalft die zogeheten risicosolidariteit het meest af bij mensen die rechts van de sociaal-culturele breuklijn staan en die een negatief beeld over de sociale zekerheid hebben. Het TOR-onderzoek spreekt zodoende de vrees tegen dat welvarende groepen uit eigenbelang zouden afhaken en niet langer solidair zouden willen zijn. Althans voorlopig. Maar de paradox is daarom niet minder groot. 'Een lik-op-stukideologie spreekt vooral sociaal kwetsbare mensen aan, terwijl ze persoonlijk geen belang hebben bij een politieke evolutie in de richting van minder solidariteit.'Patrick Martens