De zestienjarige Jempi voetbalt. De trainer merkt dat zijn conditie en inzet de jongste tijd slabakken. Bij zijn voetbalclub weten ze dat Jempi op school problemen heeft en dat zijn ouders daar een oplossing voor zoeken. Na een tijdje verneemt de trainer van andere spelers dat Jempi geregeld cannabis gebruikt. Op een dag wordt in zijn sporttas een zakje weed gevonden.
...

De zestienjarige Jempi voetbalt. De trainer merkt dat zijn conditie en inzet de jongste tijd slabakken. Bij zijn voetbalclub weten ze dat Jempi op school problemen heeft en dat zijn ouders daar een oplossing voor zoeken. Na een tijdje verneemt de trainer van andere spelers dat Jempi geregeld cannabis gebruikt. Op een dag wordt in zijn sporttas een zakje weed gevonden. Voor de verantwoordelijken van de club is dit een vervelend incident. Hoe moeten ze daarop reageren? Jempi uit de club zetten, zijn ouders hiervan verwittigen en aan alle betrokkenen duidelijk maken dat in deze club drugs niet kunnen? Zullen ze contact opnemen met de plaatselijke rijkswacht en vragen Jempi in de gaten te houden? Moeten ze Jempi eens uithoren en hem duidelijk de les spellen? Of zal de trainer eens discreet met hem praten en op basis van een vertrouwensrelatie afspraken proberen te maken? Zal hij de kwestie eens rustig bespreken met zijn ouders? Of zal het bestuur zich eens bezinnen over de vraag hoe ze met deze problematiek in het algemeen moeten omgaan? Bij elk van deze mogelijkheden zijn een aantal bedenkingen te formuleren. In het onlangs verschenen boekje "Drugstory's. Mag het iets meer zijn?" worden de eerste drie reacties omschreven als "spontaan, maar eerder ongelukkig". De laatste drie reacties worden voorgesteld als alternatieven die meer kans op duurzaam succes bieden. Bij elke reactie wordt beschreven welke visie erachter schuilgaat en wat de mogelijke consequenties op langere termijn zijn. Wanneer, bijvoorbeeld, Jempi prompt uit de club wordt gezet, is dat een uiting van een paniekerige en louter defensieve houding. "Het olifantengeschut wordt bovengehaald tegenover een situatie die bij nader inzien slechts een mug zou kunnen betreffen", stellen de auteurs. Immers, "het feit dat jongeren als Jempi cannabis gebruiken, kan vandaag op zich nauwelijks wereldschokkend genoemd worden. (...) Zeker bij andere spelers zal cannabisgebruik geen ondenkbaar feit zijn." Een dergelijke keiharde reactie dreigt volgens de auteurs zeker niet bij te dragen tot een open sfeer in de groep. Bovendien wordt door een dergelijk optreden genegeerd dat de sportclub voor Jempi veel betekent en misschien juist een houvast zou kunnen zijn. Ook wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid om via een dialoog met zijn ouders naar een betere oplossing te zoeken. Dat de club duidelijk grenzen stelt, wordt volkomen terecht genoemd. Toch dringt zich de vraag op of de club een even consequente houding aanneemt tegenover alcoholgebruik? Wat zich na een match in de kantine afspeelt, laat vermoeden van niet.EEN LIJST VAN TIEN GEBODENDit kleine voorbeeldje maakt duidelijk dat aan omgaan met drugsgebruik heel wat haken en ogen zitten. De tijd dat het fenomeen zich in de marge van de samenleving afspeelde, is voorgoed voorbij, maar ondertussen hebben we nog niet geleerd hoe we moeten reageren als het fenomeen zich onder onze neus afspeelt. Binnen organisaties of diensten zijn er (nog?) geen afspraken gemaakt over grenzen of eventuele mogelijkheden. Door de rondzendbrief aan de parketten (waarin gesteld wordt dat aan de vervolging van cannabisgebruikers de laagste prioriteit moet worden verleend) is voor het brede publiek niet meteen meer duidelijkheid ontstaan over wat legaal en illegaal is. Al die onzekerheid leidt vaak tot een paniekreactie. Het boekje "Drugstory's" heeft de verdienste dat het een aantal denkpistes aanreikt die een meer doordacht optreden van verantwoordelijken mogelijk maakt. Het boekje is ontstaan uit de samenwerking tussen twee West-Vlaamse organisaties, het Provinciaal Preventieplatform en het Overlegplatform Geestelijke Gezondheidszorg, die van de Vlaamse minister voor Gezondheidsbeleid Wivina Demeester (CVP) een miljoen frank kregen om drugspreventie en drugshulpverlening in hun provincie meer op elkaar af te stemmen. Met dit boek willen de auteurs de grijze zone tussen het preventieve werk (optreden als er geen problemen zijn) en de specifieke drugshulpverlening (optreden bij toxicomanen) bewandelen. Deze "wegwijzer" is in eerste instantie bedoeld voor eerstelijnswerkers maar omdat de auteurs - werkzaam in hulpverlening en preventie - voor een zeer evenwichtige, genuanceerde en realistische benadering hebben gekozen, verdient het werk een ruimere verspreiding. Een van de auteurs is Frank Schillewaert, psychotherapeut en coördinator van de Dienst Geestelijke Gezondheidszorg in Brugge. "Deze publicatie is eigenlijk in de brede zin bedoeld voor mensen die te maken hebben met incidenten, voorvallen, gebeurtenissen rond drugsgebruik. Er moet maar eens een einde komen aan de gewoonte om heel die genuanceerde en gedifferentieerde problematiek meteen paniekerig naar de specifieke hulpverlening door te schuiven. Dat is niet de juiste handelwijze. Zeker niet voor jongeren die door zo'n aanpak vreselijk gestigmatiseerd en getherapeutiseerd worden. Je moet naar het evenwicht zoeken. Niet dramatiseren maar ook niet bagatelliseren. Want het blijft een vrij complexe en beladen materie." Concreet worden er naast de situatie van Jempi, nog vijf andere alledaagse voorbeelden uitgediept die dan aan de hand van een "tien geboden"-lijst op hun waarde worden getoetst. Die "tien geboden" blijken veeleer adviezen die kunnen helpen om een concrete situatie juist in te schatten en aan te pakken. Sommige zijn zeer algemeen: "Hou rekening met de context", en "Wees eerlijk, consequent en doorzichtig." Anderen zouden wel eens op weerstand kunnen stuiten: "Ga uit van autonomie en zelfbeschikkingsrecht van de doelgroep." Medeauteur Luc Wouters, preventiewerker op het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg in Roeselare: "Mensen die zich aan de hand van deze lijst vragen willen stellen, zullen beter gewapend zijn om een échte oplossing te zoeken. Rekening houden met mogelijke consequenties van bepaalde aanpak, kan bijdragen tot een betere oplossing. Daarnaast is het van belang elk geval afzonderlijk te bekijken, rekening te houden met de specifieke situatie en alle gevoeligheden daarrond. Er zijn geen pasklare antwoorden. Maar dat betekent ook weer niet dat je voor elke situatie het warm water opnieuw moet uitvinden. Er zijn een aantal grote lijnen waarvan wij denken dat ze erg richtinggevend kunnen zijn." Blijft het feit dat heel wat verantwoordelijken in eerste instantie geneigd zijn aan de alarmbel te trekken. Heeft dat te maken met gebrek aan kennis of zijn drugs nog steeds taboe? Luc Wouters: "Soms heb ik de indruk dat het taboe in stand gehouden wordt door het feit dat vanuit het beleid weinig houvast wordt geboden. Door de rondzendbrief aan de parketten krijgen leerkrachten nu van hun leerlingen te horen dat een joint best mag. Dat laatste wordt in die circulaire niet gezegd, maar het wordt wel zo begrepen. Het beleid helpt dus niet altijd om duidelijkheid te scheppen. De meeste aandacht blijft ook gaan naar illegaal drugsgebruik, terwijl wij vinden dat er ook aan andere middelen aandacht moet worden besteed. Dit soort dubbelzinnigheden blijven in de samenleving hangen en leidt uiteindelijk tot zwartwitbenaderingen: iets is of goed of slecht."DE URINETEST EN DE SCHOOLENQUETELaten we nog maar eens proberen het begrip "drugs" te definiëren. Frank Schillewaert: "Soms gebruiken we nog de term genotsmiddelen, omdat die producten voor de gebruiker - hoe verslaafd die ook moge zijn - toch nog altijd een positief gevolg hebben, hoe kort of hoe fysiologisch ook. Het gaat om producten die op niveau van het zenuwstelsel, het gedrag, emotioneel of mentaal iets veranderen, een bepaald effect teweegbrengen. Koffie, sigaretten, chocolade, snoep... dat hoort er allemaal bij. Meestal hebben we het over middelengebruik, met dat woord proberen we die ruime visie uit te drukken." In "Drugstory's" wordt gesteld dat het drugsprobleem aanpakken niet altijd hoeft te betekenen dat er zeer gerichte initiatieven worden genomen. Een goed leefklimaat op school of een goed functionerende sportclub kan preventief werken en is zelfs een voorwaarde voor het welslagen van meer doelgerichte acties. Luc Wouters: "Je kan bijvoorbeeld op een school het initiatief nemen om, in het kader van drugspreventie, de sociale vaardigheid en weerbaarheid van de leerlingen te vergroten. Zo'n idee kan je nauwelijks promoten als tegelijk de leerlingen op andere vlakken ondervinden dat er geen ruimte is voor discussie of inspraak. De geloofwaardigheid van drugspreventie-initiatieven wint er dus bij als het algemeen klimaat in orde is." Anderzijds kunnen die drugspreventie-initiatieven op hun beurt het algemeen klimaat beïnvloeden. Wat kunnen, bijvoorbeeld, de gevolgen zijn van de door minister Demeester voor september geplande grootschalige enquête op middelbare scholen? Wat hadden, bijvoorbeeld, de gevolgen kunnen zijn van het eerder door de VLD gelanceerde (maar afgewezen) voorstel om via een verplichte urinetest zicht te krijgen op het drugsgebruik van leerlingen? Frank Schillewaert: "Onvoorstelbaar! Zo'n urinetest staat haaks op wat wij doen. En dat zou ook gelden voor zo'n enquête, als het er enkel om zou gaan te weten te komen wat ze gepakt hebben en hoeveel." Luc Wouters: "Zoals die enquête onlangs in de media werd aangekondigd, kreeg je de indruk dat het enkel de bedoeling is om op die manier meer zicht te krijgen op het gebruik. Terwijl men via die vragenlijst evenzeer te weten wil komen hoe jongeren ervaren wat er op dit ogenblik op hun school rond dit thema gebeurt zodat er een interne discussie kan ontstaan over het drugsbeleid op die school. Wat verwachten jongeren daarvan? Hoe kijken ze aan tegen de stappen die tot nu toe (misschien) gezet zijn?" "Een urinecontrole is bij uitstek een voorbeeld van een benadering waarbij elke verantwoordelijkheid en controle van de betrokkene weggenomen wordt, terwijl wij er net voor pleiten die er op een emancipatorische manier bij te betrekken. De vraag is ook welke effecten je krijgt als je dat niet doet. Zo'n test zou bijvoorbeeld in de hand kunnen werken dat jongeren op heel slinkse en slimme manieren dat soort zaken proberen te omzeilen, dat er allerlei vormen van weerstand groeien. Wie is daar uiteindelijk mee gebaat?" Frank Schillewaert: "Op die manier benoem je het ook weer als een te controleren fenomeen waarop dan een repressieve reactie volgt. Terwijl wij vinden dat we heel dat gedragspatroon en heel dat cultureel fenomeen zeer genuanceerd en zeer gedifferentieerd moeten blijven benaderen. Cannabisgebruiker Een is niet cannabisgebruiker Twee." "Het probleem wordt ook nogal dikwijls op scholen gesitueerd, terwijl het fenomeen zich ook overal elders afspeelt en eerder minder op school. Al die woeste verhalen over dealers op de speelplaats... Er wordt gebruikt en verkocht en gedeald op café, op de sportclub...."ELKE GROEP MOET GRENZEN STELLENIn "Drugstory's" wordt ook het verhaal van Jelle beschreven. Hij rookt als zeventienjarige al anderhalf jaar marihuana, tijdens de weekends, in de kroeg of thuis. Hij is lid van een natuurvereniging en houdt van muziek. Zijn ouders weten dat hij "al eens een joint gerookt heeft". Op een dag wordt Geert, die hem bevoorraadt, opgepakt door de politie. De naam van Jelle komt op het PV terecht. Het lijkt alsof Jelle een probleemloos bestaan leidde tot het moment dat zijn leverancier tegen de lamp liep. Moet tegen zo iemand opgetreden worden? Heeft hij er behoefte aan geholpen te worden? Frank Schillewaert: "Ook al kan de situatie er probleemloos uitzien, er was wél een probleem want hij gebruikte - ondanks de heersende verwarring - een illegaal product. Jelle zal ook niet overal zorgeloos doorheen geraken, want de neiging bestaat om zo'n geval te problematiseren. Dat zal afhankelijk zijn van wat een parketmagistraat of een schooldirecteur hierover denkt of - helaas ook - van wat sommige hulpverleners denken. Want ook in de hulpverlening bestaat die reflex: oei, dit is een probleem, dit moeten we behandelen! Met mijn slecht karakter denk ik dan: weer een dossier bij om zich te legitimeren. En dat gebeurt dan op de rug van Jelle die eigenlijk een gezonde adolescent is, die misschien in een subcultuur functioneert maar van wie je hoogstens kan zeggen die hij op een aantal dingen moet letten. Rustig, cool, zonder te problematiseren." Stel dat Jelle door bevoegde instanties doorverwezen wordt naar een psychotherapeut. Wat kan zo'n onderhoud hem bijbrengen? Frank Schillewaert: "Je moet als therapeut toch proberen zicht te krijgen op een aantal zaken. Binnen welke context functioneert hij? Hoe gaat het thuis? Bestaat zijn enige ontspanning uit het samenzijn met dié groep vrienden, met enkel dié muziek en als enig tijdverdrijf een jointje roken? Als ik hoor dat hij ook actief is in, bijvoorbeeld, een natuurvereniging, dan ben ik al gerustgesteld. Als de conclusie zou zijn, dat hij het prima stelt, dan zou ik de procureur adviseren die jongen met rust te laten. De procureur kan dan nog altijd doen wat hij het beste acht. Maar als we tijdens dat contact een aantal risicofactoren zien, kunnen we ook aan de procureur zeggen dat bij deze jongere een aantal maatregelen moeten getroffen worden. Want sommige mensen mogen ook een maatschappelijk signaal krijgen." Als rode draad doorheen het boekje "Drugstory's" loopt het achtste gebod: hou er rekening mee dat elke groep, organisatie of samenleving grenzen stelt. De auteurs benadrukken het belang ervan en pleiten ervoor dat in de organisaties waar die grenzen nog niet afgebakend zijn, dat snel zou gebeuren. Kan een jointje roken in de werksituatie? Op een receptie van het werk? Wellicht niet, maar er lazarus vertrekken, kan wel? Frank Schillewaert: "Afhankelijk van de organisatie en de specificiteit van die organisatie moeten er grenzen getrokken worden. Er moet duidelijkheid en doorzichtigheid zijn over wat men van de mensen verwacht. Om uit die vrij stupide discussie te geraken over legalisatie dan wel meer repressief optreden, zou je het gebruik op een aantal terreinen in de samenleving kunnen regulariseren. Zoals dat voor alcohol het geval is. Alcohol en verkeer: kan niet. Cannabis en verkeer: neen. XTC en verkeer: neen. Te gevaarlijk. Alcohol en werk: neen. Alcohol is een perfect geregulariseerd product, alleen worden de regels niet toegepast en dat heeft dan weer te maken met het focussen op illegale middelen." Dat het inzake cannabisgebruik niet lang meer kan duren vooraleer er een einde komt aan de huidige schizofrene situatie, moet onderhand wel duidelijk zijn. De preventiewerkers merken dat de houding tegenover dit product zowat overal, ook bij het parket en bij ouders, ontzettend vlug verandert. Wie daaraan nog zou twijfelen, moet op een of ander zomerfestival maar eens de sfeer gaan opsnuiven...Meer info over "Drugstory's" bij Filip Coussée: (050) 40.35.40.Jo Blommaert