'Hij wordt ofwel een van de grootste presidenten van de moderne tijd, ofwel een grote mislukkeling.' Dat schreef Time toen dat Amerikaanse nieuwsmagazine de Democraat Jimmy Carter, die korte tijd later de eed zou afleggen als 39e president van de Verenigde Staten, in 1976 tot 'man van het jaar' verkoos. Een uitmuntend president werd hij niet, misschien zelfs niet eens een middelmatig staatsman. Maar een betere ex-president konden de Verenigde Staten zich niet dromen.
...

'Hij wordt ofwel een van de grootste presidenten van de moderne tijd, ofwel een grote mislukkeling.' Dat schreef Time toen dat Amerikaanse nieuwsmagazine de Democraat Jimmy Carter, die korte tijd later de eed zou afleggen als 39e president van de Verenigde Staten, in 1976 tot 'man van het jaar' verkoos. Een uitmuntend president werd hij niet, misschien zelfs niet eens een middelmatig staatsman. Maar een betere ex-president konden de Verenigde Staten zich niet dromen. James Earl Carter junior - hij werd van jongsaf Jimmy genoemd en stond er ook op zo beëdigd te worden - leek nochtans niet in de wieg gelegd om grootse dingen te gaan doen toen hij op 1 oktober 1924 in Plains, Georgia in een boerengezin werd geboren. Hij studeerde hard, werd ingenieur en ging aan de militaire zeevaartschool studeren - want die opleiding werd door de overheid bekostigd. Aanvankelijk was hij een onopvallend officier; alleen zijn chronische zeeziekte zorgde geregeld voor hilariteit als hij weer eens met een emmertje binnen handbereik op de brug stond. De ambitieuze Carter kreeg uiteindelijk de graad van luitenant en kwam terecht in het team van admiraal Hyman Ryckover, dat atoomduikboten ontwierp. Carter leek alles op een rijtje te hebben: hij was getrouwd met een meisje uit zijn dorp, Rosalynn Smith, de eerste kinderen waren al geboren en de US Navy had een rustige maar succesvolle loopbaan voor hem klaarliggen. Aan dat plan kwam echter een eind toen zijn vader, James Earl Carter senior, in 1953 stierf. Jimmy keerde met zijn gezin terug naar het onooglijke Plains, waar hij zijn vaders pindakwekerij en handel in meststoffen en landbouwmaterialen overnam. Die erfenis maakte hem niet alleen rijk, als zoon van zijn vader genoot hij ook veel aanzien in de landbouwersgemeenschap. Het hielp natuurlijk dat hij net als James senior veel tijd in het bestuur van allerlei plaatselijke verenigingen en organisaties investeerde. Waarom dan niet in de politiek stappen? De pindakoning had meer dan genoeg geld voor een campagne en de inwoners van Plains mochten hem. In 1962 veroverde hij inderdaad een zitje in de Senaat van Georgia, maar vier jaar later werd hij afgestraft tijdens de verkiezing van de gouverneur van de zuidelijke staat. 'Dat was de eerste echte nederlaag van mijn leven', zei hij daar jaren later over. 'Bij de zeemacht kreeg ik altijd wat ik wilde, omdat ik een uitmuntend officier was. Dus was dat verlies een ontzettend grote klap.' Dus werd hij maar baptist, begon aan een nieuwe campagne en mocht zich vijf jaar later - met de steun van zijn nieuwe electoraat - gouverneur noemen. 'Jimmy who?'was de haast eensluidende reactie toen de intussen voormalige gouverneur van Georgia in 1975 een gooi naar het presidentschap deed. Dat haast niemand hem kende en dat hij een buitenstaander was in het politieke wereldje, bleek echter in zijn voordeel te spelen. Het Watergate-schandaal lag nog vers in het geheugen en president Gerald Ford, Carters tegenstander, had het vertrouwen van de Amerikanen in hun overheid niet kunnen herstellen. Dus viel Amerika en masse voor Carters innemende glimlach, enthousiasme en duidelijke boodschap: 'Ik zal niet tegen u liegen.' Zijn tomeloze ambitie, aan arrogantie grenzende zelfverzekerdheid en gebrek aan ervaring konden niet verhinderen dat Jimmy Carter in januari 1977 zijn uitzet naar het Witte Huis mocht verschepen. Hij begon met grootse plannen aan zijn opdracht, maar de tijden waren er niet naar. Binnen de kortste keren kreeg hij een recessie, dreigende inflatie en een energiecrisis op zijn bord. Bovendien beviel Carters discours de Amerikanen niet. Kort na zijn inauguratie zei hij in zijn zogenaamde malaisespeech dat de VS op economisch vlak geen benijdenswaardige positie in de wereld innam. Veel Amerikanen geloofden dat hun president het aanzien van hun land ondermijnde. Ook het verdrag waardoor het Panamakanaal eigendom van Panama zou worden, viel niet bij iedereen in goede aarde. In 1979 wist Carter wel een succes te behalen: de Camp David-akkoorden. Carter speelde in zijn eigen buitenverblijf vredesduif tussen de Israëlische premier Menachem Begin en president Anwar Sadat van Egypte. Het resultaat mocht er zijn: de staat van oorlog tussen beide landen werd opgeheven. Dat was meteen het eerste grote succes van bemiddelaar Carter, maar het waren Begin en Sadat die er de Nobelprijs voor de vrede aan overhielden. De opleving was van korte duur. Nog hetzelfde jaar werd het personeel van de Amerikaanse ambassade in Teheran gegijzeld, nadat Ayatollah Khomeiny het Iraanse volk maandenlang tegen de VS had opgehitst. Een knullige Amerikaanse bevrijdingspoging liep met een sisser af. Pas 444 dagen later werden de gijzelaars vrijgelaten. Dat gebeurde blijkbaar in samenspraak met het kamp van zijn tegenstander Ronald Reagan, na de verkiezingen waarbij Carter herverkozen moest worden. Bij de vrijlating was Carter dus president af en zat de Republikein Reagan in het Oval Office. Alsof de vernedering nog niet compleet was, sloten minder landen dan verwacht zich bij Carter aan toen de Verenigde Staten in 1980 de Olympische Spelen in Moskou boycotten, nadat de Sovjets Afghanistan waren binnengevallen. Toen Carter aan zijn tweede verkiezingscampagne begon, was de strijd eigenlijk al verloren. Het verdict was verpletterend: Carter was een zwak president die zijn beloftes niet had kunnen waarmaken. Zo zwoer hij aanvankelijk de wapenwedloop te zullen afremmen, maar waren er aan het einde van zijn ambtstermijn méér kernwapens dan toen hij begon. De Salt II-akkoorden met de Sovjet-Unie ten spijt, ging het atoomspel onverminderd voort. Ook zijn mensenrechtenpolitiek ging gedeeltelijk de mist in omdat sommige landen hem daardoor imperialisme en bemoeizucht verweten. Reagan verdreef hem moeiteloos uit het Witte Huis. 'Over enkele dagen zal ik mijn officiële plichten in dit kantoor neerleggen, en weer de enige functie opnemen die in onze democratie belangrijker is dan die van de president: die van burger', zei Carter in zijn afscheidstoespraak. Niemand kon toen al vermoeden hoe goed hij daarin zou zijn. De Carters bliezen de aftocht naar Plains, waar ze zich de eerste jaren vrij gedeisd hielden. 'Ik kwam erachter dat ik in plaats van een relatief rijk man te zijn een miljoen dollar schulden had. Ik dacht dat ik al mijn landerijen en bezittingen zou moeten verkopen. Ondertussen heb ik alles kunnen afbetalen', zei hij elf jaar geleden in een interview. De voormalige president broedde toch op een tweede leven als conflictbemiddelaar, iets waar aanvankelijk nogal smalend over werd gedaan. De spot verstomde echter algauw nadat Jimmy en Rosalynn Carter halverwege de jaren tachtig het Carter Center hadden opgericht. Die stichting omvat The Presidential Library and Museum en een centrum voor conflictbemiddeling, mensenrechtenacties en andere projecten die ziekte en armoede bestrijden en democratie promoten. Een hele boterham voor een man die er als president niet echt veel van bakte. Maar hij speelde het klaar. Vooral als conflictbemiddelaar haalde hij keer op keer het wereldnieuws. Zo probeerde hij in 1989 de Ethiopische overheid en de Eritrese rebellen aan de onderhandelingstafel te krijgen. In de jaren negentig trok hij naar Noord-Korea nadat deining was ontstaan over een nucleair programma, wist hij de generaals in Haïti tot aftreden over te halen zodat president Jean-Bertrand Aristide weer aan de macht kwam, en werkte hij mee aan het nieuwjaarsbestand in Bosnië. Breed glimlachend liep Carter ook voor de camera's als waarnemer bij de verkiezingen in onder meer Panama, Nicaragua, Peru, Sierra Leone, Venezuela, Bangladesh en Oost-Timor. Eerder dit jaar mocht hij van Fidel Castro in Cuba zelfs een radiotoespraak houden, al wist die dat Carter de mensenrechten ter sprake zou brengen. Volgens hagiografen bouwt Carter huizen voor daklozen, roeit hij ziektes uit, bemiddelt hij bij internationale conflicten en geeft hij tussendoor nog welgemikte kritiek op de houding van de regering-Bush tegenover Irak. Vandaar dat de Nobelprijs niet alleen voor Carter, maar ook tegen de huidige regering is. En Carter zelf? Die geniet als vanouds van alle aandacht en weet zo langzamerhand de herinnering aan zijn middelmatige presidentschap uit te wissen. En dat hij daarmee zijn opvolgers in nauwe schoentjes manoeuvreert, is mooi meegenomen. 'Carter heeft tijdens zijn buitenlandse missies elke president sinds Ronald Reagan in verlegenheid gebracht', beweerde een politiek analist onlangs op de Amerikaanse televisie. 'Van Leonid Breznjev en Kim Jong-Il tot Fidel Castro, de man heeft nog nooit een communist ontmoet die hij niet mocht.'Ann PeutemanDe Nobelprijs is voor Carter, maar ook tegen de huidige regering.