Dit weekend staat in Parijs het WK atletiek in zaal op het programma. Patrick Stevens analyseert vanaf de kant : ?Zo'n indoortitel heeft in het circuit echt niets te betekenen.?
...

Dit weekend staat in Parijs het WK atletiek in zaal op het programma. Patrick Stevens analyseert vanaf de kant : ?Zo'n indoortitel heeft in het circuit echt niets te betekenen.?Atletiek onder een dak ? Niet voor Patrick Stevens. Terwijl Parijs volgend weekend de internationale atletiektop ontvangt voor het WK indoor, bevindt de Limburger zich een halve wereld verder. Hij loopt en liep de afgelopen weken liever in de open lucht van Australië en Zuid-Afrika. PARTICK STEVENS : 1997 is niet zo'n belangrijk jaar voor mij. Geen Olympische Spelen en geen EK. Het WK van volgende zomer in Athene is de enige uitdaging, maar een slechte prestatie daar zou ik kunnen wegvlakken met een goed EK'98. Dit is dus een ideaal moment om te experimenteren. Je bleef vorig jaar ook al weg op het EK indoor. STEVENS : Het paste niet in mijn voorbereiding op Atlanta. Ach, misschien is het ook nu goed dat ik Erik Wijmeersch nog een jaartje respijt gun. Zo kan hij zijn Europese titel verzilveren, voor ik volgend jaar met hem in de clinch ga. Ik verwacht dat hij ook mijn Belgisch indoorrecord op de 200 meter breekt. Dan probeer ik hem volgend jaar weer van de tabellen te vegen. En op het EK indoor van 1998 ben ik er zeker bij. Je doet nogal denigrerend over die Europese indoortitel van Wymeersch. STEVENS : In Atlanta is het deelnemersveld van Stockholm roemloos van de baan geveegd. Dat was het beste bewijs. Op de 200 meter, bijvoorbeeld, heeft geen enkele van de indooratleten van Stockholm de halve finale gehaald. Dan mogen ze hun titel gerust hebben. De eer van zo'n titel zegt je niks ? STEVENS : In het circuit stelt zo'n titel niks voor. Vorig jaar is Erik Wymeersch met mij naar de Grand Prixmeeting in Zürich gereisd, waar hem een startbaan in een van de twee reeksen over 100 meter of in de 200 meter beloofd was. Maar hij heeft ze niet gekregen. Dat schetst toch het belang dat organisatoren aan zo'n titel hechten. Met een aantal verklaringen in de pers veegde Wijmeersch de vloer met je aan. En jij reageerde ook al onzacht. Blijft daar iets van hangen ? STEVENS : Ik sta nog altijd achter alles wat ik toen gezegd heb. Niemand verbiedt me om mijn mening te uiten. Maar rancune is er niet : naast de piste kunnen we behoorlijk met elkaar opschieten, met de startblokken in zicht moeten we elkaar kunnen opeten. Meestal trekken we wel die grens, maar sporadisch ontspoort het. Heeft de concurrentie met Wymeersch jouw resultaten beïnvloed ? STEVENS : Onbewust misschien wel, al start ik nooit om beter te doen dan Erik Wymeersch. Met concurrentie leer je leven, maar ergens bestaat die drang om de beste van jouw land te zijn. Maar het interesseert me niet wie mijn tegenstanders zijn. Dat beïnvloedt de wedstrijd helemaal niet : een topatleet moet in alle omstandigheden kunnen lopen. Tegen sterke concurrenten krijg je een goede wedstrijd, in het andere geval moet je maar zorgen dat je wint. Jijzelf puurt status uit het feit dat je de enige blanke spurter in een volledig zwarte olympische finale bent. Is dat dan zo eervol ? STEVENS :Michael Johnson is de enige spurter met een status, Frankie Fredericks komt dicht in de buurt. Die status van beste blanke is niet belangrijk. Ik eigen mezelf die titel ook niet toe. De Australiërs zijn daarvoor beter geplaatst en ook de Noor Geir Moen, vorig seizoen nog goed voor 20.17, komt in aanmerking. Al lijkt er toen in Italië met de windmeting geknoeid te zijn. Anderzijds, het toonaangevende Amerikaanse atletiekblad Track and Field klasseert me voor vorig jaar zesde in de ranking van internationale sprinters. Ik zie het mij niet veel Belgen nadoen. Curieus voor iemand met bijna geen jeugdselecties. STEVENS : Ik heb niet het gevoel dat ik iets gemist heb. Jeugdselecties worden zwaar overgewaardeerd. Als de beste spurter van het land in de jeugdreeksen over het hoofd gezien wordt, dan schort er toch iets aan de scouting in de Belgische atletiek ? STEVENS : Er loopt verschrikkelijk veel fout, maar ik mag het niet zo zeggen. Ik werk namelijk voor Bloso en krijg steun van het BOIC. Maar we moeten dringend centraliseren. Nu onderhandelen we met de Vlaamse, Waalse en Belgische atletiekbond, het BOIC, Bloso, Adeps en het Duitstalige comité. Als die zeven de krachten zouden bundelen in één nationaal ministerie van sport, met één administratie en één budget, zouden we veel gerichter kunnen werken. Nu werkt iedereen naast elkaar. In de toekomst zou dat veel voor de sport kunnen betekenen. In de vorm van, bijvoorbeeld, een beurzensysteem. STEVENS : Beurzen interesseren mij niet. Ik wil al mijn beurzen afstaan als de overheid zorgt voor een goede trainer en betere trainingsomstandigheden. Beurzen zijn zwijggeld : je krijgt een cheque toegestopt, maar dan mag je niet praten over alle mistoestanden in het sportbeleid. Bovendien zijn beurzen vrij beperkt : toen ik indertijd met Don Quarrie ging trainen, heb ik veel geld toegestoken. Pas nu pluk ik daar de vruchten van. Kan je op dit moment rijkelijk leven van de atletieksport ? STEVENS : Nu wel. Ik heb mijn vaste loon van Bloso, er is de steun van de club en de materiaalsponsor. Bovendien zijn er zeer goede startpremies, zelfs aan een Belgisch topatleet. Het zou nog beter kunnen, als ik een professioneel manager nam. Wilfried Meert van de atletiekbond doet het uitstekend, maar soms heb ik het gevoel dat hij niet het onderste uit de kan haalt. Maar ik zou het toch niet anders willen : ik krijg de vergoedingen uitbetaald die ik verwacht. Meer hoeft dat voor mij niet te zijn. Je hoeft niet perse binnen te zijn na je atletiekcarrière ? STEVENS : Daarom heb ik eerst mijn licentie in de economie en een postgraduaat toerismemanagement afgemaakt. Na mijn sportieve loopbaan wil ik daar iets mee aanvangen. Je hebt altijd heel geleidelijk aan je carrière gebouwd. Anderzijds versleet je al een stoet aan trainers met soms programma's die diametraal tegenover elkaar stonden. Heeft dat jouw ontwikkeling niet afgeremd ? STEVENS : Sommige mensen verwijten me een gebrek aan stabiliteit, maar dat leid ik er niet uit af. Het lijkt me juist heel verrijkend om met andere ideeën geconfronteerd te worden, die je ook weer naar je volgende trainer meedraagt. De relatie tussen een atleet en een trainer is eigenlijk een zakelijke relatie : de trainer is een mentor die schema's opstelt, maar die daarom niet voortdurend bij de atleet over de vloer komt. Maar zo weken de programma's van trainers niet van elkaar af. Alleen Quarrie gooide mijn manier van werken om. Hij wilde mij volgens zijn ervaringen met zwarte atleten laten oefenen. Terwijl die veel explosievere spiervezels hebben dan ik. Met die genetische verschillen in spiersamenstelling moet je rekening houden. Quarrie liet jou vaak 300 meter lopen, opdat je sterker zou worden op 200. STEVENS : Dat heb ik nu weer afgezwakt. Alleen in de voorbereiding werk ik nog zo. Het past niet bij me, omdat ik veel kwaliteit en snelheid train met korte rustpauzes. Michael Johnson puurt op 200 meter wel voordeel uit zijn fysiek voor de 400 meter. STEVENS : Het is niet mijn ambitie om Michael Johnson na te apen. Jezelf met hem vergelijken, maakt je alleen maar depressief. Je traint nu uitsluitend voor de 200 meter. STEVENS : Sinds ik daar de beste resultaten boek wel. De 100 meter blijf ik lopen als training, onder meer om mijn startsnelheid te testen. De atletieksport is te gesofistikeerd om twee disciplines te kunnen combineren. Zeker voor Belgische atleten, die niet kunnen beschikken over de knowhow van buitenlandse trainingsinstituten. Met Ronald Desruelles heb je drie jaar lang gewerkt op kracht en startexplosiviteit. Blijft dat met je nieuwe trainer, Henk Kraaijenhof, ook de klemtoon voor de toekomst ? STEVENS : Het blijft mijn zwakke punt, maar ik kan nog beter uit de startblokken schieten. Ik blijf dus voluit op kracht trainen. Bovendien probeer ik mijn paslengte te verbeteren. Elke pas moet zo groot mogelijk worden. Vijf, zes jaar geleden zette ik 47 passen op 100 meter, nu nog 44. Dat scheelt een stuk in energieverbruik. Elke pas moet een kleine sprong worden. Kinesist Frank De Witte stelt mijn programma's voor de powerzaal op, Kraaijenhof de loopschema's. Zijn die schema's wetenschappelijk onderbouwd ? STEVENS : De wedstrijd is mijn test. Lactaattesten en dergelijke zijn veeleer voor uithoudingssporters bestemd. Bovendien is die manier van testen ook bijna voorbijgestreefd. Voor mij zou het alleen nuttig kunnen zijn om mijn krachtverbruik bij de start te testen. Maar ook dat wil ik niet : al die cijfers in je hoofd zijn nergens goed voor. De spurter die zijn basiseigenschappen traint, denkt best niet te veel na. Ook niet aan tijden ? STEVENS : Nee. Al dat nadenken dient nergens toe. Dat doen die zwarte Amerikaanse sprinters ook niet. Ze lopen gewoon. Je gaat in elke wedstrijd toch zo diep als je kan. Als daar een sterke tijd bijhoort, is die meegenomen. Geen nonsens, dus. Ook in mentaal opzicht ? STEVENS : Van zenuwen heb ik helemaal geen last, omdat ik niet veel over de dingen nadenk. Een atleet in topconditie moet zich alleen concentreren om zo weinig mogelijk fouten te maken. Was het een grote stap van Desruelles naar Kraaijenhof ? STEVENS : Nee, want Desruelles heeft zelf met Kraaijenhof getraind en hij ontleende veel van zijn trainingsschema's aan hem. Eigenlijk trekt Kraaijenhof de lijn door, maar met iets meer kwantiteit en meer herhalingen van elke afstand. Bovendien oefen ik voor het eerst in mijn carrière in groep. Troy Douglas liep 20.41 in de halve finale in Atlanta, de Arubaan Miguel Jansen klokte al 6.68 op 60 meter, beter dan mijn persoonlijke record. De groep motiveert me sterk. Ik ben er zeker van dat ik dankzij die tegenstand op training meer rendement uit mijn oefensessies zal puren. Eén jaar geleden schreeuwde je ook al om sparringpartners tijdens de trainingen, maar toen Desruelles jou aan Erik Wymeersch wilde koppelen, weigerden jullie dat. STEVENS : Dat zou nooit lukken. Zijn vorm van trainen past niet bij mij en vice versa. Als ik volgens zijn programma's zou trainen, loop ik trager dan nu. Het hangt ervan af waar je je accenten legt. Ronald geloofde in een compromis tussen de twee methoden, ik dus niet. Heb je er nooit aan gedacht om met de Amerikaanse collega's te trainen ? STEVENS : Daar stelt zich hetzelfde probleem. Met Ato Boldon en John Drummond oefenen kan niet, want we stellen andere trainingseisen. Idem voor het groepje met Carl Lewis, Mike Marsh en Leroy Burrell in Santa Monica, of Frankie Fredericks die met Linford Christie spart. Christie zou misschien een goede trainer kunnen zijn voor mij, omdat hij ook hard en gericht traint. Maar praktisch is het moeilijk om wekelijks in Engeland te gaan trainen. Kraaijenhof is maniakaal met atletiek bezig. Dat soort trainer heb je blijkbaar nodig. STEVENS : Het mag niet obsessief worden, maar ik kan wel professionele omkadering gebruiken. Met inspanningsfysioloog Kenny De Meirleir en kinesist Frank De Witte lukt dat wel. Desruelles liet op het einde de teugels te los. Eigenlijk ben je niet te spreken over Desruelles. STEVENS : Het resultaat was er, dus nam ik de negatieve kanten erbij. De trainingen waren uitstekend, maar organisatorisch liep er met Ronald een en ander fout. Soms voelde het aan alsof hij me tussen de soep en de patatten trainde. Bepaalde Belgische subtoppers werden beter begeleid dan ik. Ik betaalde hem royaal, dus verwachtte ik enkele tegemoetkomingen van hem. Volgens hem zat je heel dicht bij de absolute top. Heb je nog progressiemarge ? STEVENS : Ik ben zeker dat ik nog harder kan. Vorig jaar dacht iedereen ook dat ik aan mijn limiet zat, maar ik zette nog een forse stap vooruit. Zelfs vorig jaar had ik de mogelijkheid om sneller te lopen, het is er alleen niet uitgekomen. 20.19 is een heel scherpe tijd. Moeilijk te evenaren. Maar met betere omstandigheden in de olympische finale had ik die tijd aangekund. Die slechte omstandigheden hebben Michael Johnson niet belet in Atlanta een magistraal record neer te planten. STEVENS : Zonder die strakke tegenwind in de bocht loopt Johnson die dag nog sneller. Maar er staan veel vraagtekens achter zijn prestatie. Na 100 meter lag hij maar drie honderdsten voor. Om daar in die laatste rechte lijn nog drie honderdsten bij te lappen tegen een Fredericks op kruissnelheid... dat is niet normaal. Bedoel je : doping ? STEVENS : Johnson is nooit positief bevonden, dus neemt hij niet. Maar je ziet dat hij zichzelf in die ene wedstrijd overtroffen heeft, want hij liep een zwakke Memorial en moest in Zürich zelfs Fredericks laten voorgaan. Ook Vincent Rouseau en William Van Dijck lieten soortgelijke uitspraken noteren. STEVENS : Ze hebben gelijk. Op bepaalde afstanden zijn de tijden enorm verbeterd. Anderzijds daalt het niveau in andere disciplines : in het hoogspringen gaapt er een gat achter Javier Sotomayor, de polsstokcompetities halen nauwelijks niveau als Sergei Boebka verstek geeft, kogelstoters en discuswerpers kunnen ook de afstanden van vroeger niet meer evenaren. Toen je met Ronald Desruelles in zee ging, vreesden velen dat er spoedig een positief plasje zou volgen. STEVENS : Drie jaar geluk gehad, zeker. (lacht). Ronald sleept zijn reputatie uit het verleden mee, maar daar heb ik nooit last van ondervonden. Als Ben Johnson morgen atleten begint te trainen, zullen die ook onder verdenking staan. Ook de Vlaamse Atletiekliga (Val) kantte zich tegen de samenwerking. STEVENS : De Val stond ook sceptisch tegenover Kraaijenhof, maar zij hebben zich niet met mijn trainingen te moeien. Ik ben verantwoordelijk voor mijn resultaten en moet mijn trainer ook zelf betalen. Ik denk dat hun scepticisme ingegeven is door een drang naar controle over zoveel mogelijk atleten. Iemand die in die structuur zijn eigen weg wil gaan, heeft het veel moeilijker om die mensen van zijn capaciteiten te overtuigen. In 1993 haalden we op het EK in Helsinki met William Van Dijck, Vincent Rousseau en mezelf drie medailles. Toen werd dat als een beloning voor de nieuwe Val-politiek voorgesteld, maar eigenlijk ging het in de drie gevallen om individuele atleten die koppig hun eigen weg hadden gevolgd. Dat is een algemeen probleem in de Belgische atletiek. Sterke prestaties horen vaak bij individuele gevallen. Ze zijn meestal niet te verklaren vanuit een sterke opleidingsstructuur bij de atletiekbond. STEVENS : Als je bekijkt hoeveel junioreskampioenen België heeft voortgebracht en je ziet hoeveel van die jongens er bij de seniores konden doorbreken, dan weet je dat er iets schort aan de opleiding. België heeft verschillende mensen die de atleten naar een bepaald niveau kunnen brengen, maar ze missen het trainingsinzicht om hen de stap naar het hoogste niveau bij de senioren te laten zitten. Hebben we die mensen niet, of krijgen ze geen kans ? STEVENS : Er zijn bekwame mensen, maar die krijgen niet de kans om zich professioneel met opleiding bezig te houden. Want het is een voltijdse job om die pijlsnelle evolutie in de atletiek te kunnen volgen. Alleen mensen die er met beide voeten instaan, kunnen de veranderingen bijhouden. Helaas : als internationaal vermaarde trainers congressen organiseren, blijft de Val er weg of ze doen niks met de geleverde informatie. Dat is later misschien nog iets voor jou. STEVENS : Ik zou wel willen, maar ik geloof nooit dat ik gevraagd word. Bondsmensen zijn niet zo tuk op ex-atleten. Ze schuiven ze liever aan de kant en drukken hun eigen ideeën door. Eddy Annijs was zo'n schitterend hoogspringer, maar niemand denkt eraan om hem in de opleiding van Belgische hoogspringers in te schakelen. Frank Demets Patrick Stevens in Atlanta : Elke pas moet een kleine sprong worden.