Onder het zand van de woestijn zit nog altijd voor miljarden dollars aan dure olie verborgen. De landen van de Arabische wereld hebben een rijk cultureel, religieus en linguïstisch erfgoed met elkaar gemeen. Ze hebben niet te kampen met grote armoede of etnische conflicten. De koloniale tijd ligt ver achter hen en waar revolutie werd gevoerd, was er ondertussen voldoende tijd om te herstellen. Toch ondervindt de Arabische wereld grote moeite om aansluiting te vinden bij de moderne tijd.
...

Onder het zand van de woestijn zit nog altijd voor miljarden dollars aan dure olie verborgen. De landen van de Arabische wereld hebben een rijk cultureel, religieus en linguïstisch erfgoed met elkaar gemeen. Ze hebben niet te kampen met grote armoede of etnische conflicten. De koloniale tijd ligt ver achter hen en waar revolutie werd gevoerd, was er ondertussen voldoende tijd om te herstellen. Toch ondervindt de Arabische wereld grote moeite om aansluiting te vinden bij de moderne tijd.Of ze nu president zijn of koning, de autoritaire leiders in de regio doen pas afstand van de macht op hun sterfbed. Verkiezingen zijn er per definitie een farce. De helft van de mensen wordt er als minderwaardige wezens behandeld en meer dan de helft van de jongere bevolking wil er zo snel mogelijk vandaan: ze hebben geen werk en ze balen van de benauwende regels en tradities.Van Marokko tot de Perzische Golf, maar vooral in Egypte - nog altijd de natuurlijke leider van de Arabische wereld - vragen intellectuelen zich af hoe de zaken ooit die wending hebben kunnen nemen. Een team van Arabische onderzoekers heeft daar een jaar lang onderzoek over verricht en dat resulteerde in het Arab Human Development Report 2002 dat onlangs door het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) werd gepubliceerd. Het rapport ontleedt zorgvuldig de sterke en zwakke punten van de Arabische wereld. Over de sterke punten zijn de auteurs jammer genoeg snel uitgepraat: wat hen interesseert, zijn de zwakke punten. Ze zijn terughoudend wat namen noemen betreft, maar verder leggen ze eerlijk en overtuigend uit waar het volgens hen met hun wereld fout is gelopen.De voorbije tien jaar bepaalde de UNDP de menselijke ontwikkelingsindex ( Human Development Index - HDI) van een land aan de hand van de levensverwachting, het aantal kinderen dat naar school gaat, de graad van alfabetisering bij volwassenen en het inkomen per hoofd van de bevolking. Nu heeft de organisatie voor het eerst een hele regio in ogenschouw genomen. Het is de bedoeling dat voortaan jaarlijks zo'n Arabisch rapport wordt geschreven over specifiekere onderwerpen, zoals de achterstand van de Arabische wereld op het vlak van de informatie- en communicatietechnologie bijvoorbeeld. Het Arabische onderzoeksteam heeft voor de UNDP ook een nieuwe index opgesteld, de Alternative Human Development Index (AHDI). Die houdt geen rekening met het inkomen per hoofd van de bevolking, maar brengt andere parameters in rekening zoals het respect voor de vrije meningsuiting, het gebruik van het internet en de uitstoot van kooldioxide. Volgens die alternatieve ontwikkelingsindex brengen de Arabische landen het er nog slechter af. De 22 lidstaten van de Arabische Liga zijn nu goed voor 280 miljoen mensen. Dat is ongeveer evenveel als de Verenigde Staten. De regio heeft de grootste jonge bevolkingsgroep ter wereld: 38 procent van alle Arabieren is jonger dan 14 jaar. Geschat wordt dat de Arabische wereld over twintig jaar 400 miljoen inwoners zal tellen. De levensverwachting is de voorbije drie decennia met 15 jaar toegenomen en de kindersterfte is over dezelfde periode met tweederde verminderd. Vanzelfsprekend ligt het inkomen per hoofd van de bevolking in deze regio hoger dan in de meeste ontwikkelingsgebieden. Er heerst ook minder echt schrijnende armoede. Daarbij speelt ook de islamitische traditie een rol, die wil dat er via de moskee voor de behoeftigen wordt gezorgd. Maar, zo gromt het rapport: de Arabische wereld is rijk, meer dan ontwikkeld.DRIE TEKORTENOndertussen leeft één op de vijf Arabieren toch nog altijd met een inkomen van minder dan twee dollar per dag. Het inkomen per hoofd van de bevolking is de voorbije 20 jaar met 0,5 procent per jaar gegroeid - en dat is minder dan waar ook ter wereld, met uitzondering van zwart Afrika. Volgens dat ritme doet de gemiddelde Arabier er 140 jaar over om zijn inkomen te verdubbelen - elders kan dat soms in minder dan tien jaar. Stagnatie in de groei, gekoppeld aan een bevolkingsexplosie, betekent toenemende werkloosheid. Er zouden nu 12 miljoen mensen geen job hebben, dat is zo'n 15 procent van de beschikbare arbeidskrachten. Tegen 2010 wordt met 25 miljoen werklozen gerekend.Het is niet een gebrek aan grondstoffen wat de Arabische wereld verhindert om beter te presteren, besluit het rapport. Wel het grote tekort aan drie essentiële zaken: vrijheid, kennis en vrouwenrechten. Voor de Arabieren zelf is dat grond voor veel frustratie. In de rest van de wereld veroorzaakt het verachting en angst voor een dodelijke combinatie van rijkdom en achterlijkheid.Vrijheid. Het tekort aan vrijheid verklaart volgens de UNDP veel van wat in de Arabische wereld fundamenteel fout loopt. Dictators die zich aan de macht vastklampen. Vervalste verkiezingen. De uitvoerende en de rechterlijke macht die door elkaar lopen. Beperkte persvrijheid en vrijheid van vereniging. Een patriarchaal, onverdraagzaam en soms verstikkend sociaal klimaat. De grote democratiseringsgolf die de voorbije vijftien jaar grote delen van de wereld heeft bereikt, lijkt aan het Midden-Oosten voorbij te zijn gegaan. Als er al eens een keer democratie komt, is dat altijd als een toegeving, nooit als een recht. 'Het is in de Arabische wereld niet de gewoonte dat de machtsoverdracht zich in het stemhokje voltrekt', stelt het rapport beleefd. Er had ook kunnen staan dat de belangrijkste overheidsbanen zelden gaan naar wie ze verdient. De voorwaarde om een baan te krijgen, is niet wat men weet, maar wie men kent. Het gevolg is al te vaak een log centraal bestuur en een onbekwaam overheidsapparaat. Niemand neemt enig initiatief, niemand voelt zich verantwoordelijk.De civiele maatschappij heeft in de Arabische wereld nog een lange weg te gaan. Het rapport noemt drie landen waar de media gedeeltelijk vrij zijn, in de andere landen zijn ze dat volstrekt niet. Niet-gouvernementele organisaties wordt het leven zuur gemaakt door een diepe argwaan koesterende overheid. De ngo's zijn vaak ook kwetsbaar omdat ze geld krijgen uit het buitenland, wat hen vanzelf verdacht maakt. Of omdat ze door de overheid worden gesteund, en dan zijn ze op voorhand alle geloofwaardigheid kwijt.Kennis. 'Als god een mens zou willen vernederen' schreef imam Ali bin abi Taleb in de zesde eeuw, 'dan zou hij hem kennis ontzeggen.' Landen in de Arabische wereld trekken een groter deel van hun bruto binnenlands product uit voor onderwijs dan andere ontwikkelingsregio's, maar dat wil nog niet zeggen dat het goed is besteed. Het onderwijs is van een lamentabele kwaliteit en totaal niet afgestemd op de arbeidsmarkt. Het lijkt alsof die twee niets met elkaar te maken hebben. Het aantal analfabete volwassenen is verminderd, maar blijft zeer hoog: 65 miljoen volwassen Arabieren kunnen niet lezen of schrijven - bijna tweederde van hen zijn vrouwen. Voor goed tien miljoen kinderen is er helemaal geen onderwijs. Een belangrijk gevolg van dat ondermaatse onderwijs is dat de Arabieren, die op het vlak van de wetenschappen ooit leidinggevend waren in de wereld, almaar meer terrein verliezen. Als het over wetenschappelijk onderzoek of informatietechnologie gaat, spelen ze simpelweg niet mee. Hun investeringen in research and development bedragen minder dan een zevende van het gemiddelde in de wereld. Amper 0,6 procent van de bevolking gebruikt het internet en 1,2 procent beschikt over een personal computer. Een ander gevolg is dat die hele samenleving van bijna 300 miljoen mensen nog amper een spoor van creativiteit vertoont. Het rapport betreurt dat er zich nauwelijks nieuwe Arabische schrijvers van enig niveau aandienen en dat de filmindustrie op apegapen ligt. Er worden ook vrijwel geen boeken uit vreemde talen vertaald. De voorbije duizend jaar zijn er ongeveer evenveel boeken in het Arabisch vertaald als er in één jaar tijd in het Spaans worden vertaald. Vrouwenrechten. Het enige wat elke buitenstaander over de Arabische wereld weet, is dat zij de vrouw niet als een volwaardig burger behandelt. Hoe kan een samenleving zich ontwikkelen als ze maar de helft van haar productief potentieel gebruikt, vraagt het rapport zich af. Hoewel het alfabetisme onder Arabische vrouwen in de voorbije dertig jaar verdrievoudigd is, kan nog altijd één op de twee Arabische vrouwen niet lezen of schrijven. Hun participatie aan het politieke en economische leven van hun land is lager dan waar ook in de wereld. Vrouwen worden niet in alle Arabische landen even slecht behandeld. Maar bijna overal hebben ze minder rechten dan de mannen. De UNDP heeft een maatstaf waar het de gelijkheid van man en vrouw aan afmeet. De Arabische wereld scoort op dat vlak vanzelfsprekend bijzonder slecht - alleen in zwart Afrika is het met de rechten van de vrouwen nog slechter gesteld. De VN kon de maatstaf maar in 14 van de 22 Arabische landen hanteren aangezien de noodzakelijke gegevens elders niet beschikbaar waren. En dat, aldus het rapport, zegt genoeg.DE KINDEREN VAN SADATHet mag niet worden uitgesloten dat een land dat een van die drie tekorten vertoont toch vooruitgang boekt. Singapore bijvoorbeeld heeft weinig politieke vrijheid, maar dat belet de stadsstaat niet om economisch te scoren. Dat lijkt níét mogelijk als een land of een regio met alle gebreken tegelijk moet afrekenen. Het valt uit de geschiedenis niet meteen op te maken waarom het zo is gelopen. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kwam het er voor de Arabische landen in de eerste plaats op aan om van de westerse mogendheden af te raken, die tot dan de lakens uitdeelden. De nadruk lag op nationale bevrijding, niet op individuele vrijheid. Het dwingende karakter van het nationalisme liet weinig ruimte voor gedachten aan persoonlijke vrijheid.Maar toen ze van het imperialisme verlost waren, maakten de nieuwe onafhankelijke regeringen een kopie van het koloniale bestuur dat ze hadden gekend. Dat wil zeggen: met een centralistische organisatie, weinig scheiding tussen de verschillende machten en over het algemeen een paternalistische houding tegenover het volk. Wijlen de Egyptische president Anwar Sadat noemde alle Egyptenaren 'zijn kinderen'.De Arabische auteurs van het rapport zijn niet in de val getrapt om de schuld voor de achterstand van hun regio geheel in de schoenen van het Israëlisch-Palestijnse conflict te schuiven. Ze hebben het wel over de bijzondere omstandigheden waaronder de Palestijnen moeten leven. Hun tekst bevat ook een hoofdstuk over de schaduw die het conflict over het politieke en economische leven in de hele regio werpt. Het moet gezegd dat vooral de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden de mensen bezighoudt. Ze kost energie en het leidt de aandacht weer af van individuele vrijheid naar gevoelens van nationale bevrijding.Het geeft sinds het einde van de Koude Oorlog ook geen pas meer om de problemen van de Arabische wereld toe te schrijven aan interventies van buitenaf. Hoewel de aanslagen van elf september daar weer enige verandering in hebben gebracht. De strijd tegen het terrorisme biedt autoritaire leiders een goed excuus om islamistische dissidenten zwaar aan te pakken. Syrië, bijvoorbeeld, staat hoog op het Amerikaanse lijstje van schurkenstaten. De veiligheidsdiensten van dat land ondervragen en martelen op dit moment een man, die ervan verdacht wordt een leider van al-Qaeda te zijn. Washington is daarvan op de hoogte en kijkt stilzwijgend maar goedkeurend toe.De zwakheid van het UNDP-rapport is dat het de Arabische wereld als een geheel bekijkt en geen onderscheid maakt tussen de verschillende, nochtans zeer heterogene landen. Afgezien van een gebrek aan politieke vrijheid hebben het seculiere Tunesië en het islamitische Saudi-Arabië, bijvoorbeeld, weinig gemeen. Slechts hier en daar wordt in de tekst aangegeven dat het ene of het andere land het op dit of dat terrein beter doet. Zo wordt opgemerkt dat Koeweit en Qatar niet lang geleden redelijk vrije verkiezingen hebben gehouden. In Egypte en Jordanië zouden er dan weer stappen zijn ondernomen naar een betere gelijkberechtiging van man en vrouw. Dat laatste land is er op het vlak van democratie en burgerrechten de jongste tijd dan weer niet op vooruitgegaan.DE ANGST VOOR FAWDA EN FITNAHet meest delicate onderwerp in het rapport betreft de rol van de islam in de achterstand die de hele Arabische wereld heeft opgelopen. In één bijdrage wordt uitgelegd dat de islam steun betekent voor gerechtigheid, vrede, verdraagzaamheid, evenwicht, en zo verder. Maar de meeste seculiere denkers geloven dat de doordringende islamisering van de samenleving in veel Arabische landen in grote mate heeft bijgedragen tot het verstikken van het constructieve denken.Arabieren leren al vanaf de prille schoolbanken dat ze niet aan de traditie mogen tornen, dat ze respect moeten hebben voor het gezag, dat ze de waarheid in het geschrift moeten zoeken en niet in de ervaring. De angst voor fawda (chaos) en fitna (schisma) zit diep. 'De rol van het denken' schreef een Syrische intellectueel, 'is om te verklaren en over te dragen... niet om te zoeken en ter discussie te stellen.' Dergelijke stellingen hebben de Arabische astronomen en wiskundigen van de Middeleeuwen nooit tegengehouden. Maar nu lijken ze elke vorm van kritisch of vernieuwend denken te ontmoedigen. Zo groeit er een leger van jonge Arabieren die ongeschoold, werkloos en verbitterd zijn. De kans om hun samenleving via democratische weg te veranderen, hebben ze niet. De islam geeft ze nog een beetje zelfrespect. Maar met zoveel deuren die voor hen dicht blijven, zijn er steeds meer die hun gevaarlijke woede tegen het Westen keren.Copyright The Economist. In het Nederlands bewerkt door Hubert van Humbeeck.Een op de vijf Arabieren leeft met een inkomen van minder dan twee dollar per dag.De civiele maatschappij heeft in de Arabische wereld nog een lange weg te gaan.Er groeit een leger van jonge Arabieren, die ongeschoold, werkloos en verbitterd zijn.