Hij keek wat spichtig om zich heen, praatte erg zacht en gaf een breekbare indruk. Drie maanden geleden, bij ons laatste bezoek aan Kosovo, was al duidelijk dat Ibrahim Rugova erg verzwakt was door de longkanker die kort daarvoor was vastgesteld. De chemotherapie die hij onderging, had hem uiterlijk al erg getekend. Maar de oude man bleef actief als president, al verliet hij nog nauwelijks zijn residentie in de buitenwijken van Pristina. Rugova bleef voorzichtig over de mogelijkheid van een onafhankelijk Kosovo. Toch besefte hij ongetwijfeld heel goed dat de realisatie van zijn ultieme levensdroom nog nooit zo dichtbij was geweest. Het bericht van Rugova's overlijden, vorige week zaterdag, dompelde Kosovo onder in rouw. Het openbare leven viel stil, droefenis overheerste. De maandenlange speculaties over de mogelijke gevolgen van Rugova's dood verstomden zelfs even. Lang zal dat evenwel niet duren. Na de rouwperiode zal hoe dan ook snel gepraat moeten worden over de invulling van de verschillende functies die Rugova uitoefende. Hij was niet alleen president, hij leidde ook al jaren de grootste politieke partij van Kosovo (de LDK) en was voorzitter van de Kosovaarse delegatie die vanaf deze week met de Serviërs zou beginnen onderhandelen over de mogelijke onafhankelijkheid. Sommigen vrezen nu al voor het gestook dat met die machtsverschuivingen gepaard zal gaan, zeker omdat er met Rugova een gerespecteerde verzoeningsfiguur wegvalt. Een interne machtsstrijd bij de LDK, of onenigheid over de strategie in de onderhandelingen met de Serviërs, zouden de belangen van Kosovo veel schade kunnen toebrengen. Zijn af- scheid komt daarom voor velen te vroeg.
...

Hij keek wat spichtig om zich heen, praatte erg zacht en gaf een breekbare indruk. Drie maanden geleden, bij ons laatste bezoek aan Kosovo, was al duidelijk dat Ibrahim Rugova erg verzwakt was door de longkanker die kort daarvoor was vastgesteld. De chemotherapie die hij onderging, had hem uiterlijk al erg getekend. Maar de oude man bleef actief als president, al verliet hij nog nauwelijks zijn residentie in de buitenwijken van Pristina. Rugova bleef voorzichtig over de mogelijkheid van een onafhankelijk Kosovo. Toch besefte hij ongetwijfeld heel goed dat de realisatie van zijn ultieme levensdroom nog nooit zo dichtbij was geweest. Het bericht van Rugova's overlijden, vorige week zaterdag, dompelde Kosovo onder in rouw. Het openbare leven viel stil, droefenis overheerste. De maandenlange speculaties over de mogelijke gevolgen van Rugova's dood verstomden zelfs even. Lang zal dat evenwel niet duren. Na de rouwperiode zal hoe dan ook snel gepraat moeten worden over de invulling van de verschillende functies die Rugova uitoefende. Hij was niet alleen president, hij leidde ook al jaren de grootste politieke partij van Kosovo (de LDK) en was voorzitter van de Kosovaarse delegatie die vanaf deze week met de Serviërs zou beginnen onderhandelen over de mogelijke onafhankelijkheid. Sommigen vrezen nu al voor het gestook dat met die machtsverschuivingen gepaard zal gaan, zeker omdat er met Rugova een gerespecteerde verzoeningsfiguur wegvalt. Een interne machtsstrijd bij de LDK, of onenigheid over de strategie in de onderhandelingen met de Serviërs, zouden de belangen van Kosovo veel schade kunnen toebrengen. Zijn af- scheid komt daarom voor velen te vroeg. Ibrahim Rugova werd geboren in 1944, in het dorpje Crnce (Albanese naam: Cerrcë), in het westen van Kosovo, een jaar voor de communisten de Joegoslavische federatie oprichtten. Kosovo wordt als provincie ingedeeld bij de deelrepubliek Servië, en geldt van meet af aan als een achtergesteld gebied. Eind jaren zeventig is een derde van de bevolking in Kosovo nog altijd ongeletterd, de kindersterfte ligt er zes keer hoger dan in Slovenië, en het bbp per inwoner ligt ver onder het nationale gemiddelde. De provincie, nochtans rijk aan mineralen, is al die jaren in grote mate afhankelijk van geldtransfers uit de Joegoslavische hoofdstad Belgrado en schenkingen uit het buitenland. Op het einde van de jaren tachtig is bijna zes op de tien Kosovaren werkloos. Als gevolg van die achterstelling komt het al in 1968 tot zware anti-Joegoslavische onlusten in de provincie. In 1974 verleent de Joegoslavische dictator Tito (Josip Broz) het gebied een ruime autonomie. Maar in 1981, elf maanden na de dood van Tito, slaat de vlam opnieuw even in de pan. De orde wordt echter hersteld, en het ongenoegen gaat weer ondergronds. Het echte keerpunt komt pas in 1989. In dat jaar trekt de nationalistische Servische president Slobodan Milosevic Kosovo's gedeeltelijke zelfstandigheid weer in, en treedt Rugova definitief op de voorgrond. Als voorzitter van de schrijversunie - Rugova is literatuurprofessor en studeerde zelfs een tijdje in Parijs - wordt hij een van de gezichten van de anti-Servische oppositie. Rugova staat in 1989 mee aan de wieg van de Democratische Liga van Kosovo (LDK). Die bouwt gaandeweg een parallel bestuur uit met een eigen, ondergronds onderwijs- en gezondheidssysteem voor de etnische Albanezen. Het levert hem een grote waardering en respect op bij zijn volksgenoten. Rugova slaagt er zelfs in om begin jaren negentig, tijdens het bloedige uiteenvallen van de Joegoslavische federatie, de rust te bewaren en Kosovo te behoeden voor bloedvergieten. Het grootste verwijt dat Rugova wordt gemaakt, is dat hij in die jaren een te pacifistische en pragmatische koers aanhoudt ten aanzien van het Servische gezag in Belgrado. Rugova wordt bijna overal ter wereld met veel egards ontvangen - hij vergelijkt zichzelf graag met de Tsjechische schrijver-president Vaclav Havel en wordt de Gandhi van de Balkan genoemd - maar wanneer in 1995 de afscheidingsoorlogen in Joegoslavië zijn uitgewoed, hebben Kroatië, Slovenië, Macedonië en Bosnië-Herzegovina elk hun eigen staat, en is Kosovo nog altijd een provincie van Servië. Het geweldloze verzet van Rugova heeft de kaart niet hertekend. Het is in die context van ontgoocheling en een toenemende Servische repressie onder Slobodan Milosevic dat het radicale Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) op de voorgrond treedt. In 1998 brandt uiteindelijk een open oorlog los tussen UCK-guerrillastrijders, voornamelijk gesponsord door etnische Albanezen in het buitenland, en het leger van Slobodan Milosevic. De president van rest-Joegoslavië bestempelt het UCK als een bende extremisten en maffiosi, die te vuur en te zwaard moet worden bestreden. Maar Milosevic' harde aanpak werkt contraproductief. Na langdurige diplomatieke druk en hulpkreten van de etnische Albanezen, besluit de NAVO in 1999 om de Albanezen te hulp te komen en het Joegoslavische leger met luchtaanvallen tot terugtrekking te dwingen. Belgrado plooit pas na een maandenlange bommencampagne, en blijft verbitterd achter. Rugova, die in 1998, in volle crisis op bezoek is gegaan bij Milosevic, verliest veel van zijn krediet - later zal hij zeggen dat hij gedwongen werd. Maar Kosovo is intussen wel bevrijd, en niet door Rugova. Het gebied wordt een protectoraat van de Verenigde Naties en blijft alleen officieel een deel van Servië. In Kosovo keert de situatie vanaf dat moment. De Serviërs in de provincie slaan op de vlucht, of blijven achter in enclaves, doodsbang voor Albanese wraakacties. Een NAVO-troepenmacht (KFOR), vandaag nog 18.000 man sterk, staat in voor de veiligheid en probeert met weinig succes de bevolking te ontwapenen. Door de onzekerheid over het definitieve statuut van het gebied blijven buitenlandse investeerders weg. Het leger jonge werklozen groeit, het extremisme aan Albanese kant wint langzaam weer veld. In maart 2004 vallen gefrustreerde Albanezen overal in Kosovo Servische kloosters en monumenten aan. Er vallen negentien doden. Meer dan een jaar later, op 24 oktober 2005, geeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties groen licht voor het begin van rechtstreekse onderhandelingen tussen Serviërs en Kosovaren, onder leiding van de voormalige Finse president Martti Ahtisaari. De gesprekken zouden normaal gezien deze week van start gaan in Wenen. Ze werden om evidente redenen met twee weken uitgesteld. De voorbije maanden werd achter de schermen al druk overleg gepleegd over het verloop én de mogelijke uitkomst van die onderhandelingen. Niet door de rechtstreeks betrokken partijen, maar door de diverse grootmachten die belangen hebben in de regio (de Verenigde Staten, Frankrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk). Waar die grootmachten het nu al over eens zijn, is dat de onderhandelingen op niets zullen uitdraaien zonder een opgelegde oplossing van buitenaf. Een grotere verrassing is dat er ook al een consensus zou bestaan over hoe die opgelegde oplossing er moet uitzien: Kosovo zou een voorwaardelijke onafhankelijkheid krijgen, zij het met wettelijke garanties voor de veiligheid van de zowat 100.000 overgebleven Serviërs in het gebied. Alleen over de tactiek om dit recept verkocht te krijgen aan de betrokken partijen, bestaat nog onenigheid. Volgens de Britten zullen de Kosovo-Albanezen uitgebreide garanties voor de Servische minderheid in Kosovo toestaan, als ze van meet af aan weten dat er dan een vorm van onafhankelijkheid wacht. De Fransen denken dan weer dat in zo'n scenario de Serviërs heel snel de onderhandelingstafel zullen verlaten. Alleen bevindt Belgrado zich eigenlijk niet in een positie om de gesprekken te blokkeren. Steun van de Russen krijgen de Serviërs alleen voor de camera's, en de Amerikanen willen de zaak zo snel mogelijk afhandelen. Als de Servische politici toch niet meewerken, dreigt bovendien de deur naar de Europese Unie, die nu op een kier staat, in hun gezicht dicht te slaan. Hoezeer ze ook roepen dat het verlies van Kosovo de ultranationalisten in hun land aan de macht zal brengen, in feite hebben ze geen echte keuze. Het is ofwel instemmen met de wil van de grootmachten, of het internationale isolement. Voor Ibrahim Rugova komt het allemaal te laat, maar de Serviërs zullen zijn droom van een vrij en onafhankelijk Kosovo waarschijnlijk niet meer in de weg kunnen staan. Aan de Kosovaren om in de laatste rechte lijn het hoofd koel te houden. GERRY MEEUWSSEN