Opiniepeilers beweren dat de Israëlische premier Ariel Sharon in eigen land populairder is dan ooit. Toch bereikte Sharon met het optreden van zijn leger in de Palestijnse gebieden en met moordende exercities als die in het vluchtelingenkamp van Jenin wat geen van zijn voorgangers hem ooit voor-deed: een grondige verdeeldheid binnen de internationale joodse gemeenschap.
...

Opiniepeilers beweren dat de Israëlische premier Ariel Sharon in eigen land populairder is dan ooit. Toch bereikte Sharon met het optreden van zijn leger in de Palestijnse gebieden en met moordende exercities als die in het vluchtelingenkamp van Jenin wat geen van zijn voorgangers hem ooit voor-deed: een grondige verdeeldheid binnen de internationale joodse gemeenschap. De vredesmissie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell maakt bovendien pijnlijk duidelijk dat de Israëlische premier zelfs niet de aanzet van een plan heeft voor wat moet volgen op de militaire operatie die hij op gang bracht. Tegelijk stuurt hij verwarrende signalen uit. Want terwijl Powell in het Midden-Oosten rondtoerde, was Benyamin Netanyahu, een van de voorgangers van Sharon en mogelijk zijn opvolger als premier, in Washington voor overleg met vice-president Dick Cheney en veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Netanyahu ging ze in Wash-ington vertellen wat ze graag hoorden, namelijk dat ze niet hoefden te wachten tot de rust in de Palestijnse gebieden was weergekeerd om de Iraakse plannen uit te voeren. Een meerderheid van de Israëliërs beseft nochtans dat de bezette gebieden vroeg of laat ontruimd moeten worden tot achter de grenzen van 1967, en dat het gezag over Jeruzalem zal worden verkaveld. Alleen is het hen niet duidelijk met wie ze daarover moeten praten. Met Yasser Arafat, klinkt het in de Europese Unie. Maar de Europeanen hebben dan weer weinig of geen gewicht in dat deel van de wereld. Specialisten van de Wereldbank berekenden intussen de kost voor de wederopbouw van de Palestijnse infrastructuur na de verwoestingen die Israëlische troepen hebben aangericht. Ze komen daarbij uit op een veelvoud van de twee miljard dollar die voor dit jaar al als noodhulp was uitgetrokken. Het Pales-tijnse gebied is één grote puinhoop. Maar de schuld daarvoor treft niet alleen Sharon. Ook diens tegenspeler Ara-fat droeg zijn deel bij tot de verkrotting van de Palestijnse Autoriteit. Zo te zien overspeelde Arafat zijn hand door de zelfmoordcommando?s van al-Aqsa en Hamas de vrije teugel te laten. Hij was nochtans gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van zo?n onderneming. In december 2000 al schreef de veelgelezen Yoel Marcus in Ha?aretz: ?Als de Palestijnen het vredesaanbod van Ehud Barak afslaan, dan wacht ze binnenkort Ariel Sharon. Het staat nu al vast dat ze in de plaats van Bill Clinton de jonge George W. Bush krijgen, al zal die wel eerst Palestina op de wereldkaart moeten terugvinden.? Maar Arafat begreep dat hij met zijn geskeletteerde Palestijnse staat op weg was naar nergens. Hij riep dan maar zijn al-Aqsamilities in het leven en startte de bommencampagne die finaal leidde tot wat zich de voorbije weken heeft voltrokken. De tweede intifada, mee aangestoken door Sharons wandeling op de Tempelberg, was dan ook een wanhoopsdaad. Eigenlijk heeft Arafat, die zich altijd als een corrupt stamhoofdje heeft gedragen, nooit geweten wat hij aan moest met de Palestijnse gebieden die hem na de Oslo-akkoorden werden toevertrouwd en hoe hij aan de opbouw van een staat moest beginnen. De troep getrouwen die hij uit zijn ballingschap in Tunis meebracht, heeft zich al die jaren verrijkt door het afromen van vooral Arabische en Europese subsidies. Palestijnse zakenlui uit de dias-pora die naar het moederland kwamen om er te investeren, zagen snel wat er van de kwestie aan was en trokken weer weg. Politieke tegenstanders, als die al niet door Arafat waren opgesloten, hebben in het verleden meermaals de Europese instanties voor de heersende corruptie gewaarschuwd. In 1996 moesten zelfs de Israëlische diensten eraan te pas komen om een coup tegen Arafat te verijdelen. Diplomaten die daar ooit op handelsmissie waren, weten allemaal dat Arafats compagnons grofweg de kassen plunderden. Maar het mocht niet baten. Dook in de Arabische buurlanden het vertrouwen in Arafat snel onder nul, dan klauterden Europese ministers en gezanten over elkanders rug om toch maar als eerste bij de oude Fatah-leider op de thee te kunnen. De Palestijnse bevolking kreeg dat allemaal in de gaten. Evenals Palestijnse kopstukken als wijlen Faisal al Husseini en Hanan Ashrawi, die al die jaren in het land waren gebleven en die door hun veelvuldige contacten met grote groepen in de Israëlische samenleving door hen als volwaardige en betrouwbare gesprekspartners werden beschouwd. Maar na de terugkeer van Arafat en zijn naaste medewerkers in het Palestijnse territorium werden ook zij snel en vakkundig opzij gedrumd en uitgeschakeld. Samen met het Israëlische getreiter hebben die ontgoochelingen in Arafat de Palestijnse wanhoop ten top gedreven. ?Oudere joden, die gevoelige mannen waren,? schreef Heinrich Heine aan zijn weldoener James Rothschild, ?geloofden dat je nooit iets hartigs mocht eten in het bijzijn van een kind zonder het een hapje te geven.? ?Man lost e kind nit zusehen?, zo klonk het in het Jiddisch. Het moment lijkt gekomen voor de Israëlische gemeenschap om de Sharons en de Arafats te negeren en de andere kinderen van Palestina te laten mee-eten aan de grote tafel.