De ruimtelijke gebreken van het Prado worden ruimschoots goedgemaakt door wat er binnenin tegen de muren hangt.
...

De ruimtelijke gebreken van het Prado worden ruimschoots goedgemaakt door wat er binnenin tegen de muren hangt. Het Prado is een vrij log gebouw, gotendeels uit het begin van de negentiende eeuw. Het geeft zijn naam aan een fraai stuk ringlaan, de paseo, waarop het uitkijkt, en is omgeven door veel groen. Toen het door architect J. de Villanueva ontworpen nationaal museum in 1819 werd ingewijd, was het nog niet berekend op modern massatoerisme, zodat later nog een paar uitbreidingen en vertimmeringen nodig waren. Met moeite werd enig ruimtelijk evenwicht bewaard en ook het interieur is een doolhof geworden. Die ruimtelijke gebreken worden ruimschoots goedgemaakt door wat er aan de muren hangt. (Er staat ook klassiek beeldhouwwerk, maar dat is niet in het boek opgenomen.) De grotendeels door de Habsburgers en het huis van Bourbon opgebouwde collecties beginnen bij de ?primitieven? van rond de jaren 1400 en doorkruisen dan vijf eeuwen schilderkunst. De overweldigende rijkdom is te danken aan de verzamelwoede van de Spaanse monarchie, vooral van Karel V, Filips II en Filips IV (bij wie Velazques als hofschilder werkte) maar ook van latere vorsten die hun verschillende paleizen bleven vullen met het beste dat de markt te bieden had. Het merendeel van de schilderijen werd trouwens in opdracht gemaakt, vaak aan het koninklijke hof zelf lange tijd was dat het buiten Madrid gelegen Escorial. Later werden ook andere vorstelijke gebouwen volgestouwd, zoals het Alcazar, het Buen Retiro, de Torre de la Parada en La Granja. Ondanks oorlogen, branden en verhuizingen bleef de koninklijke collectie tot vandaag intact en bezitten de conservators nog een hele reeks oude inventarissen. De jongste honderd jaar kwam het tot nog maar weinig nieuwe aanwinsten, behalve een beroemdheid zoals Picasso'sGuernica dat tentoongesteld is in het bijgebouw Buen Retiro. Wel werden nog een aantal kerkelijke stukken ?geseculariseerd? en in een aantal Spaanse musea verspreid. Het Prado etaleert vanzelfsprekend alle grote namen uit de westerse kunstgeschiedenis, maar geeft toch van enkele voorliefdes blijk. Zo was de Spaanse kroon erg gesteld op Vlamingen, bij uitstek alle primitieven en P.P. Rubens. Andere blikvangers zijn Albrecht Dürer, Botticelli, Fra Angelico, Correggio, Titiaan, El Greco, Diego Velazques vooral zijn ?Las Meninas?, het voor Spanjaarden meest favoriete schilderij, Rembrandt en uiteraard Francisco de Goya. Aan deze laatste wordt in de nabije toekomst een afzonderlijke publicatie gewijd. De Tuin der Lusten van Hiëronymus Bosch : een middeleeuwse omschrijving van de menselijke zondigheid. De Triomf van de Dood van Pieter Bruegel : een encyclopedie van de wreedheid. Francisco de Goya : fantasie kondigt de staat van oorlog af.