Op 11 juli 1960, enkele dagen nadat Belgisch-Congo een zelfstandige staat was geworden, riep Moïse Tshombé de onafhankelijkheid van de Congolese provincie Katanga uit. De leiders van de 'koperprovincie' waren niet bereid de macht en rijkdom ervan te delen met het regime van Patrice Lumumba in Leopoldstad (het huidige Kinshasa). De separatisten vroegen en kregen buitenlandse en met name Belgische hulp. De Belgische regering erkende de secessie de facto om Katanga als uitvalsbasis voor een nieuw, niet-lumumbistisch Congo te gebruiken. En ook de Nationale Bank van België engageerde zich verregaand in dit avontuur.
...

Op 11 juli 1960, enkele dagen nadat Belgisch-Congo een zelfstandige staat was geworden, riep Moïse Tshombé de onafhankelijkheid van de Congolese provincie Katanga uit. De leiders van de 'koperprovincie' waren niet bereid de macht en rijkdom ervan te delen met het regime van Patrice Lumumba in Leopoldstad (het huidige Kinshasa). De separatisten vroegen en kregen buitenlandse en met name Belgische hulp. De Belgische regering erkende de secessie de facto om Katanga als uitvalsbasis voor een nieuw, niet-lumumbistisch Congo te gebruiken. En ook de Nationale Bank van België engageerde zich verregaand in dit avontuur. Tshombé had niet te klagen over het aantal Belgische medewerkers dat hem omringde. Eind 1960 bevonden zich in Katanga 1133 Belgische burgertechnici, 114 Belgische officieren, 117 onderofficieren en soldaten en 58 Belgische ambtenaren en politieagenten. De reguliere regering van Patrice Lumumba in Leopoldstad moest het stellen met 609 technische assistenten. Al sinds maart 1960 kon Tshombé's partij, de Conakat, bovendien rekenen op de sympathie en financiële steun van de Union Minière du Haut-Katanga (UMHK), een dochter van de Société Générale en de grootste industriële onderneming van de provincie. Vanaf de dag van de afkondiging van de Katangese onafhankelijkheid betaalde de maatschappij haar belastingen en verschillende heffingen rechtstreeks aan het bewind in Elisabethstad, het huidige Lubumbashi. De Katangese leiders wilden zo snel mogelijk over een eigen financiële en monetaire structuur beschikken. Terwijl resolutie nummer negen van de Belgisch-Congolese politieke rondetafelconferentie, waar begin 1960 de onafhankelijkheid van de kolonie was voorbereid, duidelijk stelde dat de financiën en de munt centrale bevoegdheden waren, besloot de regering-Tshombé een eigen munt en een eigen centrale bank te creëren. In België werd in dezelfde richting gedacht. Tijdens een vergadering op 14 juli 1960 overwogen minister Raymond Scheyven, gouverneur van de Nationale Bank Hubert Ansiaux, directeur Cecil de Strycker en gouverneur Hector Martin van de Banque Centrale du Congo-belge et du Ruanda-Urundi (BCCBRU) om voor Katanga een afzonderlijke centrale bank op te richten. Diezelfde dag schreef Louis Wallef, administrateur-directeur van de UMHK in Brussel, aan Aimé Marthoz, directeur van de Société Générale en gedelegeerd bestuurder van de UMHK in Elisabethstad, dat hij na 'officieuze contacten' had vastgesteld dat er overeenstemming bestond over de impliciete erkenning van de Katangese onafhankelijkheid, en dat de voorwaarden om die waar te maken ook de creatie van een afzonderlijke Katangese frank omvatten. Op 17 juli 1960 meldde Harold d'Aspremont Lynden, chef van de in Katanga actieve Mission technique belge (Mistebel), aan Tshombé dat België de Katangese onafhankelijkheid weliswaar nog niet officieel kon erkennen, maar dat de regering wel bereid was te helpen bij het scheppen van de voorwaarden daartoe, waaronder de oprichting van een zelfstandige circulatiebank. D'Aspremont Lynden stond een confederale 'Verenigde Staten van Congo' voor ogen, allicht omdat die voor de Belgen een gunstiger klimaat kon bieden dan één gecentraliseerde staat met een revolutionair aan het hoofd. Met Edouard Dervichian, lid van de raad van bestuur van de Banque Lambert, was hij het eens dat er een centrale bank voor Katanga moest komen waarmee een vlot betalingsverkeer met België te organiseren viel, en die later deel kon uitmaken van een soort federal reserve van een nieuw Congo. De regering van Gaston Eyskens zegde op 22 juli 1960 Katanga technische steun in de economische, financiële en monetaire sfeer toe. Twee dagen voordien had de regering aan de Nationale Bank gevraagd om mensen klaar te houden om eventueel naar Katanga te detacheren, en die laatste ging daarop in. Vicegouverneur Franz De Voghel hield de regentenraad diezelfde 20e juli 1960 voor dat het vrijwaren van de banden met Katanga de gevreesde negatieve economische weerslag van de verbroken relaties met de rest van Congo kon beperken. Bovendien was het zaak financiële avonturiers in Katanga de pas af te snijden. Zo dreigde een zekere burggraaf De Féron, de eigenaar van een schimmige Zwitserse bank, samen met een andere Zwitser en een Fransman het vertrouwen van Tshombé te winnen en het hele financiële en economische beleid van Katanga in handen te krijgen. D'Aspremont Lynden slaagde erin dat te beletten, maar het financiële luik van de secessie ging onverminderd door. Op 8 augustus 1960 kreeg Katanga zijn eigen centrale bank. Gouverneur Ansiaux dekte zich alvast in met het adagium dat de economische en financiële hulp aan Katanga een politieke kwestie was en dat de Nationale Bank slechts de directieven van de Wetstraat volgde. Nochtans blijkt uit het hele Katangadossier hoe richtinggevend het advies en de initiatieven van de Belgische centrale bank wel waren. De regenten verzekerde hij, tamelijk dubbelhartig, dat van medewerking aan de Nationale Bank van Katanga vanzelfsprekend geen sprake kon zijn aangezien de Belgische regering de secessie niet officieel steunde. Regent August Cool, de topman van het ACV die net zelf een tijdje in Leopoldstad had verbleven, legde er de nadruk op dat België de Katangese kaart niet mocht spelen en dat naar een regeling van de kwestie moest worden gezocht waarbij Katanga economisch met Congo verbonden bleef. Zijn collega André Renard van de socialistische vakbond trad hem daarin bij. Voor beiden was het dan ook belangrijk dat de UMHK de exportopbrengsten in een gemeenschappelijke Congolese deviezenpool stortte. Ansiaux bevestigde dat het Belgisch-Luxemburgse Instituut voor de Wissel (BLIW), bevoegd voor het Belgische deviezenbeleid en gerund door de Nationale Bank, de Belgische invoerders sinds 3 augustus 1960 verplichtte om te storten op een rekening van de koloniale centrale bank bij haar Belgische tegenvoeter. Maar wat als Katangese bedrijven als gevolgd van die maatregel niet meer aan Belgische afnemers mochten leveren? Dat was een heikele kwestie. Sinds 8 augustus hanteerde Katanga een eigen deviezenpolitiek: vreemde valuta's die voortkwamen uit Katangese export moesten aan de Banque Nationale du Katanga worden afgestaan. Het viel te verwachten dat Belgische afdelingen of dochtermaatschappijen van Congolese maatschappijen in Katanga die richtlijn zouden volgen omdat de restricties op het betalingsverkeer in de opstandige provincie veel geringer waren als in de rest van Congo. België stond hier voor een dilemma: de handel en goede relaties met Katanga in het gedrang brengen, of Leopoldstad laten beroven van belangrijke inkomsten. Voor minister van Financiën Jean Van Houtte was het echter duidelijk: alle deviezen ten gunste van Congo hoorden op de ene Congolese rekening, wat Katanga daar ook tegen inbracht. Hij riep zelfs Paul Gillet, gouverneur van de Société Générale, op het matje toen die de Congolese deviezenreglementering niet leek te respecteren. Gillet beweerde dat de UHMK geen keus had, want als ze zich aan de Katangese regelgeving onttrok, liep ze het gevaar dat haar installaties in Katanga in beslag werden genomen. Tijdens een bezoek van de Katangese minister van Financiën Jean-Baptiste Kibwe aan Brussel sprak Raymond Scheyven (minister zonder portefeuille belast met de economische en financiële zaken van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi) met hem over de UMHK-kwestie. Toen hij vernam dat het geld dat de UMHK op de Congolese rekening in Brussel niet zou resulteren in de storting van de tegenwaarde in Congolese munt ten gunste van de exploitatiezetels van de mijnmaatschappij in Katanga, kwam het compromis tot stand dat het bedrag in kwestie, 285 miljoen frank, bij de Nationale Bank op een voorlopige rekening werd gestort in afwachting van een beslissing door de Verenigde Naties. De poging van de UMHK om zelfs van die storting te worden vrijgesteld, vond bij de Belgische minister van Financiën geen gehoor. Wel liet Van Houtte bij de Nationale Bank een speciale rekening 'B' openen op naam van de Belgische schatkist, waarmee Belgische overheidsgeld kon worden overgemaakt voor het wegwerken van de werkloosheid, zij het niet voor bedrijfshulp. Herhaaldelijk werd er vanuit Katanga gepoogd van de daar geopende pendantrekening tegen de afgesproken procedures in en voor heel andere dan de beoogde doeleinden geld af te halen. De Nationale Bank had het terrein in Katanga al goed afgetast en stond klaar met een zevenhoofdig team toen Scheyven haar op 1 september officieel vroeg om de centrale bank in Katanga bij te staan. Maar tegelijk stuurde ze twee van haar ambtenaren naar Leopoldstad, want België bleef tenslotte op twee paarden wedden. Niet de minst belangrijke opdracht van het Nationale Bankteam onder leiding van banksecretaris Pierre Kauch was de organisatie van de conversie van de Congolese in een nieuwe Katangese frank, en dat te midden van een hoogst onzekere politieke toestand. Zo onzeker dat de nodige maatregelen waren getroffen om zich indien nodig met een bewapende colonne in Rhodesië terug te trekken. Zo onzeker ook dat d'Aspremont Lynden in verband met de omwisseling op 4 september op de rem ging staan, omdat de VN kort daarvoor aan een militaire interventie in Katanga begonnen was. Kauch en zijn ploeg lieten zich echter niet van hun werk afhouden. Ze bereidden wetsontwerpen voor in verband met het bankentoezicht, economische, financiële en sociale programmering en een deviezencontrole die soepel genoeg was om de geldstromen van en naar België niet te veel te hinderen. Het geloof in de kans op de handhaving van de Katangese autonomie was bij de Belgen zelfs zo groot dat Kauch blauwdrukken voor regelingen in het kader van Bretton Woods en andere internationale overeenkomsten ontwierp. De organisatie van de Banque Nationale du Katanga was een ander paar mouwen. Pas in maart 1961 werd slechts het principe aanvaard dat vier directeurs - twee Belgen, een Fransman en een Zwitser - aan het hoofd van de bank zouden worden geplaatst. De Nationale Bank van Zwitserland bood in dat verband de medewerking van een van haar directeurs aan. Uiteindelijk kwam Walter Baels, broer van de tweede vrouw van Leopold III, er als vicegouverneur mee aan het roer te staan. Hij werd al snel aan de dijk gezet, en de gerechtelijke stappen die hij in België ondernam om de hem beloofde vergoeding af te dwingen bleven zonder resultaat. De Nationale Bank zag er geen graten in zaken te doen met haar Katangese partnerinstelling. Ze opende in haar boeken een rekening op naam van die laatste, en was zelfs bereid om mee te helpen geld via Zwitserland van en naar de koperprovincie door te sluizen. Directeur Cecil de Strycker stelde de Katangese leiders, die beducht waren voor een inbeslagname van tegoeden in België, gerust dat aanspraken op de tegoeden door de autoriteiten van Leopoldstad op geen enkele juridische basis steunden en dus niet zouden worden erkend door de Nationale Bank - volkenrechtelijk een betwistbare interpretatie. Meer nog: hij gaf toe dat zijn instelling bij het openen van de rekening bewust de legitimiteit van de oprichting van de Banque Nationale du Katanga had genegeerd. Zij was alleen uitgegaan van het 'algemeen belang', dat haar noopte de rechtstreekse handelsrelaties tussen Katanga en België te handhaven. Vicegouverneur De Vo-ghel liet zich in soortgelijke zin uit tegenover Van Houtte. Ook van grote en even twijfelachtige transfers van de UMHK was de Nationale Bank op de hoogte. Ze was er zelfs voor een deel bij betrokken. Het bleef echter uitkijken met het voortdurend wisselende politieke getij aan de evenaar. Precies een jaar na de geruststellende woorden van De Strycker vroeg het ministerie van Buitenlandse Zaken aan gouverneur Ansiaux om, gelet op het verloop van de gebeurtenissen in Katanga in september 1961, de betaalopdrachten van de Banque Nationale du Katanga voorlopig op te schorten. Tussen de VN-troepen en de Katangese strijdkrachten was het op 12 september 1961 tot een militair treffen gekomen. Op 18 september was bovendien het vliegtuig met aan boord Dag Hammarskjöld, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, neergestort toen hij op weg was naar een ontmoeting met Tshombé in Noord-Rhodesië. Maar Tshombé wist zich tijdelijk te handhaven. Kauch en zijn medewerkers keerden, op één na, begin december naar Brussel terug. Naar eigen zeggen waren ze in Katanga graag gezien omdat ze zich, zoals de opdracht van de Nationale Bank expliciet luidde, 'louter op het technische vlak' hadden bewogen en de indruk vermeden hadden de plaats van het lokale personeel te willen innemen. Het laatste teamlid, Jacques Wens, keerde terug op 23 december, kort voordat de door hen netjes voorbereide muntconversie van start zou gaan. Met het oog op de situatie in Congo wou de directie van de Nationale Bank immers niet dat haar mensen erbij waren als ze werd uitgevoerd. De omwisseling ging van start op 9 januari 1961, en na haar succesvolle afronding keerde Wens op 14 januari 1961 naar Elisabethstad terug. Hij en drie medewerkers verzorgden er van 15 februari tot 29 mei 1961 de tweede Nationale Bankmissie. Naar eigen zeggen moest Wens de Katangese autoriteiten meermaals afraden de uit de omloop genomen Congolese franken te misbruiken om de centrale regering nog meer problemen te bezorgen of ze op de vrije markt te verkopen uit puur winstbejag. Hij maakte er daarentegen helemaal geen bezwaar tegen dat Congolese biljetten 'in redelijke mate' aan het eveneens opstandige en in geldnood verkerende Zuid-Kasaï werden afgestaan. Tijdens de gevangenschap van Tshombé in Leopoldstad van 26 april tot 24 juni 1961 werd zelfs 100 miljoen aan Congolese franken getransporteerd naar Brazzaville, vanwaar de miljoenen allicht hun weg vonden naar de Congolese hoofdstad. Zo werd de president vrijgekocht en werd de elementaire monetaire orthodoxie ernstig geschonden. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Pierre Wigny, was al van in januari op de hoogte van de transfer van gedemonetiseerde Congolese biljetten uit Katanga. De inmenging van de Belgen reikte nog verder dan de eigenlijke monetaire kwestie. Zo werd er begin 1961 nagedacht over de oprichting van een Société d'investissement, waarvoor de Belgische regering zelfs geld had toegezegd. Het moet daar in Katanga overigens een krabbenmand zijn geweest. Onder de Europeanen in het algemeen en de Belgen in het bijzonder was de verstandhouding allesbehalve harmonieus. Maar over één zaak leek enige consensus te bestaan: de leidende diplomaten van landen zoals de Verenigde Staten, Italië, Portugal, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk, met wie Wens via consul Henri Créner in contact kwam, leken allemaal, althans in privégesprekken, overtuigd van het voortreffelijke werk van Tshombé. Britse kringen verwierpen zelfs niet helemaal het plan om de copperbelt, de gordel van kopermijnen, te verenigen in een unie van Noord-Rhodesië en Katanga. Wens wist weliswaar Tshombés vertrouwen te winnen, maar hij kon hem er toch niet toe brengen orde op zaken te stellen in zijn corrupte omgeving. De Nationale Bank maakte dan wel geen geheim van deze missie - er werd in het personeelsblad openlijk beschreven hoe dankzij haar de grondslagen voor een Katangese centrale bank waren gelegd -, bij het vertrek van de tweede ploeg bleek toch dat de verdere assistentie waar in Katanga om gevraagd werd lang niet meer evident was. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Paul-Henri Spaak, was immers begonnen met de afstemming van de Belgische koers op die van de Amerikaanse president John F. Kennedy. Toen Cyrille Adoula in augustus premier van Congo werd, kon hij in tegenstelling tot de in het jaar daarvoor afgezette Lumumba wel op de steun van de VS rekenen. Het Belgische politieke en economische establishment schaarde zich achter het idee om Katanga in Congo te re-integreren, hoewel het die nieuwe eenheid nog steeds vanuit het 'modelgebied' Katanga wou zien ontstaan. Een en ander bracht mee dat de Nationale Bank, in het kielzog van de regering, meer voorzichtigheid aan de dag ging leggen en geen nieuwe engagementen in Katanga meer opnam. In het najaar van 1961 drong VN-secretaris-generaal van de VN U Thant er zelfs op aan de basis van de Katangese secessie aan te pakken: de UMHK, Katanga's grootste belastingbetaler, moest haar betalingen aan het Tshombéregime stopzetten. Het 'Plan-Thant' van 10 augustus 1962 bood nog uitzicht op een vreedzame integratie van Katanga in een Congolese confederatie. Op financieel vlak stuurde het aan op de geleidelijke eenmaking van de Congolese en Katangese munten. Maar Tshombé bleek een onwillige gesprekspartner, wat de Nationale Bank niet tegenhield om een dubbelzinnige houding te blijven aannemen. Toen Spaak de repatriëring van Katangese tegoeden richting Leopoldstad bij hem aankaartte, hield Ansiaux zich op de vlakte omdat een en ander het betalingsverkeer tussen Katanga en België in het gedrang kon brengen - een redenering die Spaak volgde bij zijn besprekingen in de Verenigde Staten. Omstreeks die tijd hield zelfs het Internationaal Monetair Fonds nog rekening met de mogelijkheid dat Katanga zelfstandig zou worden, en daarom nam het Congo nog altijd niet op als lid van het IMF. Ook al opereerde de Nationale Bank sinds medio 1961 niet meer rechtstreeks op het terrein, ze heeft niettemin tot heel kort voor de afzetting van Tshombé en de re-integratie van Katanga in de Congolese republiek diens regime de hand boven het hoofd gehouden. De Nationale Bank en de Katangese secessie, het ging over meer dan 'technische hulp' alleen. De directie voerde een politiek waarvan zij dacht dat die het legitieme belang van België, maar uiteindelijk ook Congo, zou dienen. DE AUTEUR SCHREEF EEN GEDETAILLEERD RELAAS OVER DEZE EPISODE IN W. PLUYM EN O. BOEHME, DE NATIONALE BANK VAN BELGIë 1939-1971. BOEKDEEL 3. VAN DE GOLDEN SIXTIES TOT DE VAL VAN BRETTON WOODS, NATIONALE BANK VAN BELGIë, 2005. DOOR OLIVIER BOEHME