Toen eind vorig jaar een nieuwe - weliswaar uitgestorven - mensensoort werd ontdekt, dook de vraag meteen op, onder meer in een reactie van de Britse zoöloog Desmond Morris: hoe zouden we de Homo floresiensis behandelen, mocht er morgen een jeugdig exemplaar voor onze neus staan? Zouden we hem naar school sturen, dan wel in een dierentuin stoppen?
...

Toen eind vorig jaar een nieuwe - weliswaar uitgestorven - mensensoort werd ontdekt, dook de vraag meteen op, onder meer in een reactie van de Britse zoöloog Desmond Morris: hoe zouden we de Homo floresiensis behandelen, mocht er morgen een jeugdig exemplaar voor onze neus staan? Zouden we hem naar school sturen, dan wel in een dierentuin stoppen? Dat was een goede vraag. Niet omdat de kans groot is dat er morgen zo'n hobbit voor onze neus staat, maar omdat die vraag ons helpt bij het scherp stellen van een kwestie die in dit tijdperk van biotechnologische doorbraken steeds belangrijker zal worden: wat betekent het om mens te zijn? Wat is onze essentie? Hoewel behoorlijk wat filosofen (onder wie Plato, zie pagina 62-63) het tegendeel dachten en denken, bestaan er eigenlijk geen essenties. Toch niet van diersoorten. Dat weten we sinds Darwin ons zo'n honderdvijftig jaar geleden leerde dat soorten evolueren: de evolutieleer is per definitie anti-essentialistisch. Dat neemt uiteraard niet weg dat het verschil tussen pakweg een muis en een mens vrij groot is. Een aap met menselijke trekjes, daar kunnen we ons nog iets bij voorstellen. Maar een muis met menselijke trekjes? Nee. En toch. Stamcelonderzoek brengt de creatie van zogenaamde chimaera dichtbij - chimaera zijn mythische monsters met de kop van een leeuw, het lichaam van een geit en de staart van een slang; daarom wordt de term nu gebruikt voor 'wezens met genetische eigenschappen van twee verschillende soorten'. New Scientist publiceerde vorige week een verhaal over de nogal verregaande ethische vragen die dat onderzoek oproept. Vooral als er wordt geëxperimenteerd met menselijke stamcellen in de hersenen van proefdieren. Zulke experimenten zijn misschien onvermijdelijk als we vorderingen willen blijven maken bij het begrijpen, en eventueel behandelen, van allerlei hersenaandoeningen. De kans dat er iets misloopt bij zulke experimenten, is op het eerste gezicht vrij klein. Een muis zal niet zo gauw menselijke trekjes vertonen omdat ze over menselijke hersencellen beschikt - ons bewustzijn is vermoedelijk geen eigenschap van onze individuele hersencellen, maar van onze hersenarchitectuur. Toch bereiden wetenschappers en bio-ethici zich voor op het ergste. Zo ontwierp de jurist en moraalfilosoof Henry Greely aan de Amerikaanse Stanford Universiteit een protocol voor Irving Weissman, een onderzoeker die plannen heeft om muizen te kweken wier hersenen volledig uit menselijke neuronen zouden bestaan. Mocht tijdens het experiment blijken dat de muizen menselijke trekjes beginnen te vertonen, dan moet het meteen worden afgeblazen. Er zijn drie criteria om de 'vermenselijking' van de muis vast te stellen: (1) het hersengebied dat de snorharen aanstuurt, ontbreekt; (2) de visuele cortex is dezelfde als bij de mens; en (3) de muis blijkt te beschikken 'over uitzonderlijke capaciteiten om problemen op te lossen'. Het chimaera-fenomeen roept nog boeiende vragen op, volgens New Scientist. Wat doen we met een wezen dat als het ware gevangen zit tussen twee werelden: een 'menselijk' brein in een 'dierlijk' lichaam? Wordt dat geen wezen 'dat niet in staat is om zijn menselijke natuur te realiseren, noch om in vrede te leven met zijn dierlijke zelf'? Een andere boeiende vraag is hoe we in deze kwestie moeten omspringen met ons buikgevoel, dat conservatieve politici - zeker in de VS - graag aangrijpen om zich te verzetten tegen biotechnologisch onderzoek. Dat buikgevoel, de zogenaamde yuck-factor, is alleszins geen voldoende reden om dat onderzoek te verbieden. Strenge controle? Ja. Maar een debat over research waarvan het resultaat miljoenen mensen ten goede kan komen, wordt best gevoerd met rationele argumenten. Joël De CeulaerWat doen we met een 'menselijk' brein in een 'dierlijk' lichaam?