Eén ding is zeker bij dit nieuwe boek van Renate Dorrestein: zelden een roman gezien met zo'n ijzersterke kern en zoveel overbodige en niet altijd even geslaagde aankleding daaromheen.
...

Eén ding is zeker bij dit nieuwe boek van Renate Dorrestein: zelden een roman gezien met zo'n ijzersterke kern en zoveel overbodige en niet altijd even geslaagde aankleding daaromheen. Het begint al meteen met de titel: Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor. Beter géén titel dan zo een. Vooral ook omdat die hele zoon mitsgaders zijn seksualiteit nauwelijks in de roman voorkomt. Vervolgens moet je vaststellen dat Dorrestein, die graag mag doen alsof ze een verre van bijzondere stiliste is maar ondertussen toch zelden of nooit slordig, en vaak puntig en met panache formuleert, opeens is bezweken voor een van de wel allerlelijkste stijltics die er bestaan: de eerste-persoon-enkelvoudzin zonder 'ik'. Je treft in Roodkapje tientallen zinnen aan zoals deze: 'Had me onder het praten een glas wijn ingeschonken, de gordijnen dichtgedaan, lampen aangestoken.' En dat is nog maar het begin - maar eerst toch maar eens zeggen waar het boek over gaat. Heleen en haar man Peter zijn tuinbouwers. Hun specialiteit is helleborus, nieskruid in het Nederlands. Ze hebben hun zaakjes voor elkaar, goed huwelijk ('Zeker, vast en zeker zelfs: ik had de aardigste man van Nederland'), zoon van zeventien, Storm geheten, dochter van dertien, Lizzy. Maar die zoon fietst door Australië, zo jong en zo ver weg, Lizzy brengt al haar vrije tijd in het dierenasiel verderop in het dorp door, en dat huwelijk, nou ja... Heleen is in de overgang, op de tweede pagina komt de eerste opvlieger al voorbij, en het is al meer dan een halfjaar geleden dat ze nog met Peter... Geen zin, geen zin, en last van een dr. v. heeft ze ook. Maar ach, overal is wat. Ooit worden de dingen weer beter. Als Peter zijn geduld tenminste niet verliest eer het zover is en haar meedeelt dat hij zijn gerief dan maar elders is gaan zoeken. Dat laatste ligt iets te zeer voor de hand - een echte Dorrestein is toch altijd een beetje verrassend. Het is dus Heleens de tachtig al gepasseerd zijnde moeder die een herseninfarct krijgt en haar ene dochter zodoende plotseling belast met een zorg die haar bijkans te veel wordt. Want er is geen sprake van dat de eigenwijze Margriet terug kan naar haar vertrouwde bejaardenflat, zoals spoedig duidelijk wordt (of dat Heleen haar in huis wil nemen). De ravage in haar oude hoofd is te groot. Ze moet naar een verpleeginstelling. Wat ze uiteraard niet wil. Maar het leidt allemaal af van waar het in dit boek echt om gaat: een dochter die op haar vijftigste opgezadeld wordt met een opeens zeer veel zorg behoevende moeder, die om te beginnen niet meer goed kan praten (wanneer zij, verwoed rookster, bijvoorbeeld duidelijk wil maken dat ze een aansteker nodig heeft: 'Een langbeen met een hapsnoet! riep ze getergd uit. Zo'n gele! Haal die nou even voor haar!'). Een moeder met wie ze het in de jaren daarvoor nooit echt goed heeft kunnen vinden, door het geheim uit haar prille jeugd dat tussen hen in is blijven staan (niets van moderne gruwel, het gaat om een gewoon ongeluk, maar de aard ervan moet hier verder onbesproken blijven). 'Ook ik zou blijven steken in een verhaal dat nergens heen ging, dat bleef steken in vraagtekens, herhalingen, onmacht na onmacht', heet het ergens - was dat maar waar, ik ben ervan overtuigd dat dit boek er beter van was geworden dan het nu geworden is. Toch blijft Roodkapje aanspreken in zijn tekening van hoe een mens nooit te oud is om oud zeer te overwinnen, en wat het boek, ondanks alle gebreken (het heeft ook nog eens een slap slot), in zijn beste momenten ijzersterk maakt: Dorrestein is erin geslaagd het schrijnende van aftakeling aan het levenseind onverhuld over te brengen, evenals alle schuldbesef die dat bij de verzorgende oproept, zonder effectbejag maar secuur als een chirurg, en tegelijk de hilariteit die uit de botsing van complexe emoties met 's levens idiotigheden kan resulteren met grote juistheid te benutten. Een van de betere citaten tot slot: 'Als het ooit mijn lot zou zijn om dement te worden, zou mijn zoon daar dan wakker van liggen? (...) Levendig zag ik voor me hoe Storm en Lizzy hoofdschuddend tegen elkaar zouden zeggen: Dat niemand dat mens nog heeft gewurgd, het is echt een wonder. Francien en ik hadden het per slot van rekening ook de gewoonste zaak van de wereld gevonden om zo over ma te praten. Je eigen moeder was vanzelfsprekend een monster, maar welke kwetsuren bracht je zelf niet toe aan je kinderen? (...) Tot aan je dood zaten ze met je opgescheept. Zij hadden nooit om jou gevraagd. Jij had ze zo nodig willen hebben. Ze beseften domweg niet hoeveel hun moeder van ze hield en niet anders kon dan van ze houden.'herman jacobs