Kleinbedrijven hinderen hun omgeving minder dan verwacht. Als ondernemers met de buurt overleggen, kennen ze weinig problemen. Zo blijkt uit een studie.
...

Kleinbedrijven hinderen hun omgeving minder dan verwacht. Als ondernemers met de buurt overleggen, kennen ze weinig problemen. Zo blijkt uit een studie.De steden tellen nog heel wat kleinbedrijven, familiale ondernemingen met één werknemer of enkele werknemers. Dikwijls liggen ze wat onopvallend verscholen aan het einde van een langere oprit tussen twee huizen of achter een wat groter uitgevallen garagepoort. Maar veel van de bedrijvigheid in de oudere stadsbuurten valt stil. Ondernemers werden uit de stad gelokt naar aanvankelijk gemakkelijk te bereiken bedrijventerreinen en in de woongebieden groeide de gevoeligheid voor wat als milieuhinder werd ervaren. Sinds enkele jaren belijdt de overheid de terugkeer naar de steden. Die theorie wil de terugkeer van bedrijf en bewoning bevorderen in de praktijk wil het beleid wel eens het tegenovergestelde doen. Maar goed, intussen werd het voor iedereen duidelijk dat het verder uitdeinen van de stad de mobiliteitsproblemen niet oplost, maar in de hand werkt. De bedrijfsgronden buiten de stad werden op hun beurt duurder en de jongste tijd groeide het inzicht dat de kansarmoede in delen van de steden niet alleen met moderne vormen van caritas moet worden bestreden, maar vooral met economische hefbomen, en dus met werk. Alleen was het niet helemaal duidelijk of de bedrijven nog welkom zijn in de woonzones. De bevolking werd assertiever, reageert alerter op omgevingsproblemen. En de overheid zelf werkte, niet zonder moeilijkheden, onder meer het Vlaams Reglement op de Milieuvergunning (Vlarem) uit. Ondernemers vinden dat de overheid daarmee de bedrijven de stad uitjaagt. Voor gewezen minister van Ruimtelijke Ordening Theo Kelchtermans (CVP) waren dat destijds voldoende redenen om een studie te bestellen bij de Universiteit Antwerpen. Het rapport is intussen anderhalf jaar oud, maar werd pas enkele weken geleden voorgesteld. Dat gebeurde niet door de minister die heeft terug de portefeuille Leefmilieu in handen maar door de wetenschappers zelf. WEINIG KENNIS.Trui Maes, Ilse Loots en Monique Sys onderzochten tien concrete gevallen van schrijnwerkerijen, garages en drukkerijen in Gent en Antwerpen. Het betreft semi-industriële bedrijven die op een gebied mikken dat groter is dan de directe buurt. Volgens de onderzoekers hebben deze kleinbedrijven een plaats in het woongebied zoals ook bepaald in de gewestplannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat in opmaak is. ?Door ze uit te drijven, verschraalt het voorzieningsniveau,? schrijven de auteurs. Tijdens de milieuaudit bleek dat de opgelegde vergunningsvoorwaarden vrij behoorlijk werden nageleefd, hoewel het vooral met de stockage van gevaarlijke producten dikwijls misloopt. Vandaar dat de ?opgelegde vergunningsvoorwaarden bijna nergens volledig worden nageleefd.? Maar zolang de boel niet de lucht ingaat, ondervindt de buurt daar weinig hinder van. Kleine ondernemers hebben overigens wel andere zorgen om het hoofd dan het leefmilieu. De milieukennis is dan ook zo goed als onbestaande, ook al omdat kleinbedrijven veelal geïsoleerd werken en dus ook weinig contact hebben met de beroepsfederaties. De onderzoekers peilden niet alleen naar de milieuzorg in de bedrijven. Ze onderzochten vooral hoe de buurt op de aanwezigheid van schrijnwerkerij, garage en drukkerij reageert, zonder in de vragen naar die bedrijven te verwijzen. Opvallend is dat de directe omgeving de hinder minimaliseert. Er wordt verwezen naar ongevallen, naar incidenten. Of er wordt verwezen naar de algemene milieuvervuiling, die het lokale niveau overstijgt. TUINFEEST.Als de omgeving het al moeilijk heeft met een bedrijf, dan is het vooral het gevolg van de angst voor het onbekende. Dikwijls wordt die gekoppeld aan een vorm van vooringenomenheid : bedrijven horen hier niet thuis. En het grootste tastbare probleem is dat van het autoverkeer rond het bedrijf. Bedrijven die goed met de buurt communiceren, worden gemakkelijker aanvaard. Het is zo goed als onmogelijk om algemene richtlijnen uit te vaardigen. En met de bestaande reglementen moet de lokale overheid in elk geval anders omspringen. Ze moet praten met onderneming en buurt, optreden als een soort milieubemiddelaar. Want absolute hinder- en tolerantiegrenzen bestaan er hiervoor niet. Hinderbeleving is subjectief. Waarmee niet wordt gezegd dat alles overal kan : ?Denkbare maatregelen zijn bijkomende voorwaarden in de vergunning, vergunning op proef, weigering van de vergunning en in het ergste geval sluiting van het bedrijf.? Of een buur kan naar de rechtbank stappen voor abnormale burenhinder. Wat er al op duidt dat de wetgever burenhinder in zekere mate aanvaardbaar vindt. Voor de burger ligt dat iets complexer. In zijn ogen zijn het altijd de anderen die hinder veroorzaken, zelden hijzelf. Dat schrijven ook de auteurs : ?Wie 's zaterdags zijn wagen herstelt, zijn gras maait, klopt of boort, of een tuinparty geeft, ervaart dat niet als hinder. Doet de buurman het, dan wordt het minder gewaardeerd.? Trui Maes, Ilse Loots, Monique Sys. Integratie van (semi-)industriële KMO's in stadsgebied. Maximale hinder- en tolerantiegraden. 1994. UIA, Wilrijk.