Van de twee één: ofwel staat er zaterdag op de één van alle kranten een foto van Bono, de zanger in een vol Koning Boudewijnstadion. Ofwel een van Bono de wereldverbeteraar, die handjes schudt met de voorzitter van de Europese Commissie.
...

Van de twee één: ofwel staat er zaterdag op de één van alle kranten een foto van Bono, de zanger in een vol Koning Boudewijnstadion. Ofwel een van Bono de wereldverbeteraar, die handjes schudt met de voorzitter van de Europese Commissie. Hij heeft altijd iets ernstigs in zich gehad, Bono. Herinner u de hoesfoto van The Joshua Tree. Vier jongens in de woestijn. Blik op oneindig en op min vier. 'Het was koud, in die woestijn', zou hij later zeggen. Ja, maar toch. Nog een foto. Bono op Werchter 1982. Het beeld van een jongen die met een witte vlag staat te zwaaien. Weer die ernst. Weer dat sérieux in die blik. Er zat geen gekte, geen rock in dat hoofd. Het verhaal van Bono is nog altijd een van de merkwaardigste episodes uit het grote rock-'n-rollboek: hij is niet in de muziek gestapt om meisjes binnen te doen. Maar omdat hij het méénde. De zanger groeide op in de arbeiderswijken van Dublin. In Cedarwood Road, een straat waar de huizen er allemaal hetzelfde uitzien. Net als de bewoners: het lijken wel figuranten uit een film van Ken Loach. Het is in dat soort straten dat de echte helden opgroeien. Paul Hewson was een kind van een katholieke vader en een protestantse moeder. Een zelfverzekerd kind, dat schreeuwde om aandacht. En die ook nog kreeg van zijn moeder. Ze stierf toen hij veertien was. Een wonde die nooit helemaal zou helen. Moeders als Iris Hewson hebben nu eenmaal gevolgen. I will follow, zou hij later over haar zingen. Hewson trok de straat op. Hij had geen flauw benul wat hij met de rest van zijn leven zou aanvangen. Maar ondertussen maakte hij graag lawaai in Lypton Village, een clubje van jongens-onder-elkaar. Allemaal hadden ze een bijnaam. Omdat Paul Hewson een lullige naam is, noemden ze hem Bono Vox. Naar een winkel in hoorapparaten, wat verderop. In die periode ontmoette hij Dave Evans, Adam Clayton, Larry Mullen en Ali Stewart. Die laatste zou zijn eeuwige verloofde worden. En met de rest maakte hij muziek. Ze noemden zichzelf John, Paul, George en Ringo en startten met een rockband. In hun bovenarm lieten ze '1976' tatoeëren. Al snel besloot Bono zijn ballen niet aan de unief op te offeren, maar aan de groep. U2 werd in de vroege jaren tachtig een wereldband. Dat had met marketing te maken, zeker. Maar vooral met de riffs van de gitarist en de frontman. Die zoog aandacht, kon fascineren, imponeren. I still haven't found what I'm looking for: het werd de soundtrack van een generatie. Muziek voor jongens zonder werk en hoop. En voor meisjes die de knopen in hun ziel aan het tellen waren. Journalisten met hoge voorhoofden verzonnen de term 'post-punk'. Dat vatte het samen: deze jongens waren geen punkers die verveeld voor zich uit keken. Nee, ze zagen eruit alsof ze nog nooit een gram weed van dichtbij gezien hadden én maagd waren. Plus: ze hadden een fout kapsel en een geruite broek aan. De jaren tachtig waren begonnen. U2 had de eerste trend gezet. Het zou niet de laatste keer zijn dat Bono de mode dicteerde. Op het podium zwaaide hij met witte vlaggen. Zong over Bloody Sunday, Polen en Martin Luther King. Zegde openlijk zijn steun toe aan Greenpeace en het vredesproces in Ierland. En hij trok naar Ethiopië. De rest volgde: het was de tijd van Live Aid, de tijd dat celebrities schaamteloos voor het oog van tientallen camera's met zwarte kindjes poseerden. Maar Bono méénde het. Hij ging een paar weken in een weeshuis op het zwarte continent werken - ver weg van alle camera's. Zijn engagement verbaasde. Uitgerekend hij die ooit had beweerd 'dat hij gillend wegliep bij zangers die iets anders deden dan zingen'. Bono daarover: 'Mensen denken dat ik een heilige ben omdat ik zing over vrede en Gandhi en Martin Luther King. Maar ik ben opgegroeid in een gewelddadige omgeving en ik voel mezelf meer de vechtersbaas met de gebroken fles in z'n hand dan de nobele altruïst die z'n belager de andere wang toekeert. Juist daarom doe ik wat ik doe: ik schaam me voor die gewelddadige impulsen en ik wil m'n leven beteren.' Met de jaren negentig in zicht leek de mot in de groep te zitten. U2 was intussen de grootste rockgroep ter wereld. Ze hadden bereikt wat moest bereikt worden. Maar ze maakten de mode niet meer. Ze volgden alleen maar. En die Bono leek meer dan ooit een vervelende Bond-Zonder-Naam-zeur. Tot de groep in 1991 terugsloeg met Achtung Baby. Alleen al die eerste zin: een mokerslag. I'm ready for the laugh- ing gas. I'm ready for what's next. Ready to duck. Ready to dive. Ready to say. I'm glad to be alive. I'm ready for the push. Op het podium stond een nieuwe Bono, een nieuwe U2. Een man in glimmend zwartleren pak die - te midden van opblaasbare Trabantjes en glimmende citroenen - een reeks alter-ego's lanceerde: The Fly, Mirrorball Man en Mister Macphisto, de duivel vermomd als een rocklegende op leeftijd. Het was over the top. Bono-over-the-topness, zoals hij zelf zei. Maar het was ook grappig. 'Bono heeft de ironie ontdekt', schreven de kranten. Hij belde vanaf het podium naar taxibedrijven, pizzahutten en verwarde receptionistes in het Witte Huis. Wég was die serieuze zanger-messias van weleer. Dat dachten we. Want stiekem wou hij nog altijd de wereld redden. Minder naïef dan vroeger, dat wel. 'Ik vond het al heel wat dat we met Live Aid 200 miljoen dollar bij elkaar hadden gezongen. Tot iemand me vertelde dat de derde wereld dat bedrag elke maand moest ophoesten, als intrest op vroeger geleende ontwikkelingshulp. Toen dacht ik: hier moet ik iets aan doen.' Hij zette de band even op 'pauze' en trok de planeet rond om wereldleiders aan te porren om de schulden van de derde wereld kwijt te schelden. Zonder schroom ging hij op de foto staan met Bill Clinton, de Paus, Tony Blair, Gerhard Schröder en George W. Bush. Zijn naam werd zelfs even genoemd voor het directeurschap van de Wereldbank. Meer dan ooit is hij vandaag een politicus. Dat zorgt weleens voor tandengeknars. Randy Newman zegt: 'Vroeger was ik een groot voorstander van de honger in Afrika. Daar kwam pas verandering in toen Bono het probleem aankaartte.' Bono was not amused met die uitspraak. Toegegeven: cynisme is een van de eigenschappen van deze tijd en de heer Newman kan er wat van. Maar hij heeft wel een punt. Bono is een kaviaar-socialist. De man-die-de-derde-wereld-wil-redden is zelf multimiljardair en schuimt wereldwijd de hippe jetset-feestjes af. Hij steunt de antiglobalisten, maar staat zelf aan de kop van de grootste muziekmultinational. En elke keer als zijn hoofd in beeld is, piekt de verkoop van U2-platen. Ironie? Ach kom. Tegelijkertijd: hij doet iets. Dat Afrika op de agenda van de wereldleiders staat, is mede te danken aan zijn koppigheid. 'We noemen hem The Pest, de lastpost', zeggen ze op het Witte Huis. 'Als hij eenmaal een voet tussen de deur heeft, krijg je hem onmogelijk weer buiten.' Bono zelf zei op een van zijn Amerikaanse concerten: 'Destijds, tijdens de Zoo TV-tour, belde ik naar het Witte Huis en ze namen niet op. Nu doen ze dat wel. Daarom willen we jou nu bellen. We willen één miljoen Amerikanen bewijzen dat Afrika gelijk is in de ogen van God.' Ach wat, het is tenminste origineel: een rockster die 's avond naar bed gaat met de rapporten van de Wereldbank in plaats van met een rondborstige babe. Maar wat telt: de groep U2 bestaat nog en is populairder dan ooit. Dat is verwonderlijk, na dertig jaar. De voorzitter van de Belgische U2-fanclub riep de fans vorige week op om Bono een 'warm welkom' te wensen in het Koning Boudewijnstadion door een witte polsband of hoofdband te dragen. Net zoals in Werchter, jaren geleden. Er lijkt dus niet zo gek veel veranderd. Of toch. De man die vrijdag in Brussel staat is geen jongen meer. Het is nu mijnheer Bono. Stijn Tormans'Als hij eenmaal een voet tussen de deur heeft, krijg je hem onmogelijk weer buiten.'