Een jaar geleden kreeg Simon Leys de Emile-Bernheimprijs voor Franstalige Belgische literatuur. Dat veroorzaakte een grappige situatie in de schaduw van de Brusselse Albertinabibliotheek. De 'feestspreker' had immers nauwelijks van Simon Leys gehoord. Het enige boek dat hij van die schrijver ooit onder ogen had gekregen, was diens enige roman, De dood van Napoleon. Niet dat hij het begreep, maar voor dát boek kende hij wel de grote prijs toe. Leys dankte beleefd. Over China werd bij die gelegenheid niet gesproken, en over literatuur eigenlijk ook niet. Toch is China belangrijk in 'het halve leven' van Ryckmans: het Simon-Leysleven. Als Leys sprong hij Mao Zedong en zijn Europese acolieten naar de keel in onvermijdelijke, onnegeerbare essays als Ombres Chinoises, en vertaalde hij teksten uit het Chinees.
...

Een jaar geleden kreeg Simon Leys de Emile-Bernheimprijs voor Franstalige Belgische literatuur. Dat veroorzaakte een grappige situatie in de schaduw van de Brusselse Albertinabibliotheek. De 'feestspreker' had immers nauwelijks van Simon Leys gehoord. Het enige boek dat hij van die schrijver ooit onder ogen had gekregen, was diens enige roman, De dood van Napoleon. Niet dat hij het begreep, maar voor dát boek kende hij wel de grote prijs toe. Leys dankte beleefd. Over China werd bij die gelegenheid niet gesproken, en over literatuur eigenlijk ook niet. Toch is China belangrijk in 'het halve leven' van Ryckmans: het Simon-Leysleven. Als Leys sprong hij Mao Zedong en zijn Europese acolieten naar de keel in onvermijdelijke, onnegeerbare essays als Ombres Chinoises, en vertaalde hij teksten uit het Chinees. DODELIJKE SPOTHet leven van Simon Leys draait verder vooral om kunst, literatuur meer bepaald. Niet alleen Franse literatuur, ook Engelse en Amerikaanse. Met aandacht voor marginalen, speciale gevallen, katholieken, Franstalige Belgen, voor Chesterton en Michaux. Hij vertaalde onverwachte werken zoals Twee jaar voor de mast van Richard Dana, een Amerikaans boek over zeezeilen. Hij verhulde zijn belangstelling voor het prijzengevende volkje, schuilend achter Confucius, Mao en Richard Dana, zodat niemand ervan wakker zou liggen dat Leys zelf heel ernstig met literatuur bezig was. Vooral met de Franse literatuur, boeken in zijn eigen taal. Hij schrijft daarover niet voor amateurs _ toeristen, mensen op zoek naar borrelpraatjes _ en ook niet voor academici, omdat die lui met plezier een tekst de nek omdraaien uit liefde voor twee voetnoten. Neen, de lezer moet geïnteresseerd zijn, en wel in literatuur.Leys heeft een scherpe blik. Het oog dat ten tijde van Mao kon zien dat de kleren van de keizer lucht waren, zal zich niet door André Gide of Victor Hugo laten inpakken. Maar omdat de werken van die laatsten minder mensen het leven hebben gekost, bespreekt Leys ze met empathie.Gide in de houdgreepSimon Leys is berucht voor zijn geestigheid en dodelijke spot, en befaamd door de elegantie van zijn stijl. De spot is minder dodelijk geworden, al is hij nog steeds geestig, de elegantie springt nu meer in het oog. Wie Leys kent, was al vertrouwd met het raadsel- of rebusgehalte van zijn titels, zoals L'ange et le cachalot (de engel en de potvis). En dan nu Protée et autres essais: Proteus is een weinig bekende, zo niet weinig belangrijke zeegod die in Odyssee voorkomt. Het is een god die heel veel weet, maar niets wil verklappen. Om niet op vragen te moeten antwoorden, neemt hij voortdurend andere gedaantes aan. De enige manier om hem te dwingen, is hem in één gedaante vasthouden: dan móét hij wel antwoorden. Proteus is de god die over dit boek waakt, omdat hij er meer dan de helft van vult. Protée: un petit abécédaire d'André Gide bestaat eigenlijk uit aantekeningen van Simon Leys bij de Gide-biografie van Alan Sheridan. Wat is de waarheid over André Gide, de ware Proteus van de Franse literatuur? Dat is min of meer het onderwerp van dit fragmentarische essay, waarvan de conclusies _ zelfs waar ze maar gesuggereerd worden _ een scherp licht werpen op de teksten van Gide zelf. Eerst lijkt de benadering willekeurig, het zijn allemaal stukjes, aspecten. Omdat het een 'alfabet' is, kun je het in fragmenten lezen. Maar ook wie alles na elkaar in volgorde doorneemt, stuit al snel op de groeiende 'malaise' in Gides vriendenkring. Leys lijkt er aanvankelijk moeiteloos overheen te zeilen, maar dat is een illusie. 'Waarom', luidt het algauw, 'zijn Gides teksten zo antipathiek?' En dat zijn ze. Al zouden we het zelf nooit durven te beweren, maar het is een opluchting als Gides vrienden het zeggen. De teksten zijn antipathiek, toont Leys aan, door de extremistisch artistieke opvatting van Gide dat stijl en formule voorrang hebben op inhoud. Daardoor kwam het er voor hem niet op aan wát hij eigenlijk beweerde, als het maar goed klonk. Dat sluit ook aan bij zijn persoonlijke opvatting dat wát hij deed niet belangrijk was, als hij het maar met stijl deed. In zijn tijd trapte Gide dan ook veel heilige huizen omver en dreef hij de spot met alles. Misschien lachte hij alleen niet met zichzelf, en was dat zijn achilleshiel. Dat is dan ook zijn dood geworden, literair misschien wel zijn verdiende dood.Toch heeft Gide veel te bieden: de stijl en het prachtige Frans, de gedurfde ideeën en de zeker niet gespeelde titanenstrijd in zijn vroege boeken die hem tot maître à penser van een hele generatie zouden maken, en verder zijn onvervaarde manier om de pretoeristische wereld af te reizen _ al was dat veeleer op zoek naar kleine jongetjes dan naar nieuwe ideeën. Verder zijn er de panache, de onverschillige nonchalance van de rijke bohémien, het talent voor vriendschap, de charme, de Nobelprijs voor literatuur in 1947, de Nouvelle Revue Française, zijn werk en zijn dagboek dat door kenners belangrijker genoemd wordt dan dat werk, en ten slotte de correspondentie van meer dan 20.000 bladzijden. Volgens Leys is er geen gebrek aan materiaal, de uitdaging is daarentegen niet in dat materiaal te verzuipen. Want heel wat vrienden hebben ook nog eens óver hem geschreven. Al die dingen samen vormen het monument André Gide, een mijlpaal in de Franse literatuur. Ook in deze nieuwe tijden blijft zijn werk het lezen waard. Of niet soms? Simon Leys geeft aan zijn eigenwijze alfabet twee citaten als motto mee. De eerste is van Flannery O'Connor: 'André Gide compte parmi les rares écrivains qui me donnent la nausée.' Aan de andere kant komt in dit essay toch een rijke clown naar voren, een nitwit die zelfs volgens zijn beste vrienden pense par procuration: 'Tout cela ne signifie exactement rien.' Zelfs zijn racistische oprispingen niet. Erger nog, hij is zo'n superegocentrisch wezen dat de manier waarop hij andere mensen gebruikt veeleer lachlust dan verontwaardiging opwekt. Hij is sociaal een hopeloos geval, een maître à penser die aarzelt tussen Stalin, Pétain en Hitler zelf, en die de Tweede Wereldoorlog en de periode daarna alleen heelhuids doorkomt omdat zijn vrienden hem er doorheen loodsen. Talent voor vriendschap, dat wel. Maar zo weinig in mensen geïnteresseerd dat hij zelfs niet in staat is belangstelling op te brengen voor zijn eigen romanpersonages. Vandaar zijn onvermogen om een behoorlijke roman te schrijven. We mogen ons niet in Simon Leys vergissen. Hij is niet naïef: niets wat hij schrijft, is onschuldig. Pakt hij Gide aan, dan is dat omdat hij iets over die man te melden heeft. Er blijft na dit alfabet niets van Gide over. Zijn minste zonden zijn nog pedofilie en zijn onnozele infatuatie over het Rusland van Stalin. De rest is erger: intellectuele leegte, onwetendheid en ijdelheid. Waarom dan al die moeite voor een liefdeloos wezen, een terecht achtergelaten monument? Door zijn talent voor vriendschap misschien, die rare naïviteit in het egoïsme, de ondefinieerbaarheid, die Leys Gide zelf laat citeren: 'C'est Protée. Il prend la forme de ce qu'il aime. Et lui-même, pour le comprendre, il faut l'aimer.' In zijn onnozelheid heeft André Gide zelfs Simon Leys kunnen verleiden. Sus van ElzenSimon Leys, 'Protée et autres essais', Gallimard, Parijs, 156 blz., 13,90 euro.Simon Leys schrijft alleen nog voor lezers die écht geïnteresseerd zijn.