"I hope I die before I get old", zong The Who in 1965 in My Generation - het lijflied van de jaren-zestiggeneratie was geboren. In 1997 maakte Robbie Williams, ex- Take That, daarvan "I hope I'm old before I die". De jaren negentig zijn de jaren van de pragmatische generatie.
...

"I hope I die before I get old", zong The Who in 1965 in My Generation - het lijflied van de jaren-zestiggeneratie was geboren. In 1997 maakte Robbie Williams, ex- Take That, daarvan "I hope I'm old before I die". De jaren negentig zijn de jaren van de pragmatische generatie. Jaren-zestiggeneratie, pragmatische generatie, protestgeneratie, ik-generatie, generatie X, Generatie Nix, house-generatie, achterbankgeneratie: de media staan bol van de generatietyperingen - de ene is nauwelijks ingeburgerd of de volgende wordt alweer ontdekt. Om nog te zwijgen van de conflicten en kloven die tussen de generaties kunnen worden gevonden. Onderzoek naar het fenomeen generatie is er in ons land nog nauwelijks gedaan. Maar in trendgevoelig Nederland bestaat er een hele school van "generatiesociologen" die het modieuze begrip ook een wetenschappelijke inhoud proberen te geven. Een van hen is de Tilburgse cultuursocioloog Henk Vinken. In plaats van een zoveelste theoretisch generatiemodel op te stellen, ondervroeg Vinken - samen met zijn collega's Isabelle Diepstraten en Peter Ester - de Nederlanders over hun generatiegevoel. Driekwart van onze noorderburen meent tot een generatie te behoren en hecht daar een zeker belang aan. Waarom is het generatiedenken de jongste jaren zo populair?Henk Vinken: O, ik vind dat heel begrijpelijk. Meestal gaat het om pogingen een label te plakken op de jongeren van tegenwoordig, om hen te onderscheiden van de vorige generaties. Men wil de jongeren in het oog houden om na te gaan of de samenleving er in de nabije toekomst anders zal gaan uitzien. Men wil weten of jongeren andere waarden aanhangen, andere cultuurvormen belangrijk vinden en of die verschillen blijvend zullen zijn. Noem het een poging om de toekomst een beetje voorspelbaarder te maken. Daarnaast is op het einde van de eeuw de behoefte ontstaan om de belangrijkste breuklijnen in de recente geschiedenis vast te leggen, om een overzicht op te stellen van de belangrijkste bewegingen. Noem het een behoefte om de werkelijkheid te begrijpen. De grote ideologieën blijken anno 1999 mislukt. Vroeger werd er in de analyses gesproken over klassen, maar in dat ideologisch debat wil je nu liever niet meer verzeilen. Bij gebrek aan dergelijke ideologische onderscheidingen wordt steeds meer met neutrale categorieën gewerkt, op grond van leeftijd bijvoorbeeld. Over leeftijd spreken is minder gekleurd.Is het terecht dat klassen hoe langer hoe minder als relevante categorie worden onderscheiden?Vinken: Nee, dat denk ik niet. Het klassenverschil is nog steeds significant. Binnen één en dezelfde generatie hebben mensen nog altijd heel verschillende kansen naargelang ze in een lager of hoger milieu zijn opgegroeid. Maar generaties zijn wel belangrijker geworden, onder meer door de grotere gelijkheid in het onderwijs. Veel meer mensen hebben hogere studies gedaan. In uw boek noemt u de populaire generatietyperingen "pseudo-sociologische etiketteerderij". U lijkt zelf niet zo met het begrip generatie weg te lopen.Vinken: Ik wil me vooral verzetten tegen al die negatieve etiketten die de jeugd van vandaag door een zorgelijke oudere generatie opgeplakt krijgt. Maar het is ook zo dat het onderscheid tussen generaties wetenschappelijk heel moeilijk vast te leggen is. In de wetenschap, maar ook in de media en het bedrijfsleven, wordt steeds vaker met het generatiemodel van de Utrechtse socioloog H. A. Becker gewerkt, dat onze eeuw in vijf generaties onderverdeelt: de vooroorlogse generatie, geboren tussen 1910 en 1930; de stille generatie, geboren tussen 1930 en 1940 en opgegroeid in de jaren van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog; de protestgeneratie, geboren tussen 1940 en 1955, de zogenaamde 68'ers; de verloren generatie, geboren tussen 1955 en 1970, die de gevolgen van de economische crisis van de jaren zeventig mocht incasseren; en ten slotte de pragmatische generatie, de huidige jeugd, geboren na 1970. Een heleboel studies naar objectieve verschillen inzake opleiding, sociaal-economische kansen, politieke oriëntaties, wijzen erop dat de breuklijnen tussen die vijf generaties redelijk arbitrair zijn. In uw onderzoek bent u nagegaan of mensen zich daadwerkelijk identificeren met een van deze vijf generaties. Wat is uw conclusie?Vinken: In grote lijnen kan men er zich wel wat bij voorstellen. Al zijn de verschillen tussen de eerste twee generaties niet altijd even duidelijk. Leden van de vooroorlogse en van de stille generatie delen dezelfde drie ingrijpende jeugdervaringen: de crisis van de jaren dertig, de oorlog en de periode van de wederopbouw. Beide groepen zijn erg gericht op zekerheid. Ze hechten aan orde en gezag. Ze willen hun schaapjes op het droge. Ze zijn behoudsgezind en weinig permissief in zaken als abortus en euthanasie. Zijn dat nou twee generaties of is het er maar één? Ik denk eigenlijk het laatste. Maar het verschil met de protestgeneratie, opgegroeid in de woelige jaren zestig, is wellicht wel frappant? Vinken: De generatie van de jaren zestig heeft enkele belangrijke veranderingen teweeggebracht, ja. Maar de benaming protestgeneratie vind ik eerlijk gezegd niet de gelukkigste. In Nederland hebben ze alleen geprotesteerd tegen een standbeeldje (het zogeheten Lieverdje in Amsterdam; omstreden omdat het geschonken was door een sigarettenfabrikant, nvdr)! De grote demonstraties en de politieke onlusten van die generatie waren allemaal in het buitenland te bewonderen: de studentenopstand in Parijs, het protest tegen de Vietnamoorlog in de Verenigde Staten... Hier is er bar weinig gebeurd. In het begin van de jaren tachtig is er veel meer geprotesteerd. Toen had je de krakersrellen en de beweging tegen kernenergie en kernraketten. De voortrekkers waren mensen van de verloren generatie, waartoe u en ik behoren. Maar ja, onze generatie hemelt zichzelf minder op. Hoe breed was die zogenaamde protestbeweging? Hoeveel mensen waren er echt bij betrokken en hoeveel kennen de beelden van de acties alleen van de televisie?Vinken: Uit het onderzoek blijkt dat er meer mensen zijn die expliciet stellen zich niet tot die groep te rekenen dan mensen die zich er wel mee identificeren. Als je louter naar het aantal poppetjes kijkt dat actief heeft deelgenomen aan de strapatsen van die tijd, moet je misschien concluderen dat het draagvlak beperkt was. Maar toch vormen deze jaren een duidelijke breuklijn. De waardenoriëntaties van de drie jongste generaties verschillen duidelijk van die van de twee oudste. Ze zijn minder behoudend en toleranter op de meeste gebieden: als het om beslissingen over leven en dood gaat, maar ook over de positie van vrouwen, opvoedingswaarden, de manier waarop je in een gezin met elkaar omgaat, seksualiteit. Mensen hebben daarover een andere visie gekregen en die is wel vrij breed gedragen. Veel sneller afgekalfd is het politieke aspect: het herinrichten van de samenleving. Veel 68'ers hebben niet alleen geestelijk afscheid genomen van dat mislukte experiment maar zijn radicaal de andere kant opgegaan: bij de protestgeneratie vind je nu de hoogste concentratie liberale stemmers. Politieke opvattingen blijken sterk leeftijdsgebonden. Jongeren zijn over het algemeen wat linkser, maar dat groeit er vanzelf weer uit.Moeten we besluiten dat een wereldbrand als de Tweede Wereldoorlog minder "generationele" verschillen heeft teweeggebracht dan de jaren zestig?Vinken: Het zijn allebei mijlpalen geweest. Maar het effect van de jaren zestig is vooral cultureel geweest. De crisis en de oorlog, die zo diep hebben ingegrepen op de bestaanszekerheid van de bevolking, hadden meer een economisch effect. Naarmate die bestaanszekerheid opnieuw een vanzelfsprekendheid werd, kwam er ruimte voor andere prioriteiten. De protestgeneratie hoefde niet meer bang te zijn voor honger, kou en gevaar. De verloren generatie blijkt uiteindelijk helemaal niet zo verloren als de naam suggereert.Vinken: Dat wij, toen we begin jaren tachtig op de arbeidsmarkt kwamen, de wind tegen hadden is wel juist. Wij waren de kinderen van de oliecrisis. Wij hebben een langere aanloop nodig gehad om er socio-economisch hetzelfde voor te komen staan als de generaties voor ons. Maar als je onze banen en inkomens nu bekijkt, kun je dat label van verloren generatie niet langer rechtvaardigen. De bungalowwijkjes van onze generatiegenoten schieten overal uit de grond. We hebben de schade ingelopen. Maar wat écht een verloren generatie zou kunnen worden is de jonge generatie van nu. Hoewel het nu redelijk goed gaat met de economie, moet je toch een onrechtvaardigheid vaststellen in de verdeling van werk- en inkomenszekerheid.Klopt het dat de jongste generatie weer conservatiever wordt en meer aansluiting vindt bij de oudste twee generaties?Vinken: Je kunt niet ontkennen dat de jongste generatie op bepaalde punten wat conservatiever is. Maar de verschillen blijven relatief klein. Het ligt ook aan the eye of the beholder: in de media, de politiek... is er een generatie aan zet die met zorgelijke blik naar jongeren kijkt. Eerst had je het idee dat alle jongeren politiek apathisch waren geworden, wat geïllustreerd werd met verwijzingen naar de punkers en hun slogan No Future. Midden jaren tachtig dacht men dat de jeugd sterk aan het verrechtsen was. Een hele bende onderzoekers heeft die vermeende evolutie bestudeerd, maar het bleek allemaal nogal mee te vallen. En nou zouden de jongeren weer conservatief worden in hun waardenoriëntaties. Ik kan niet zo goed tegen die verontruste verhalen. "Jongeren zien het huwelijk weer helemaal zitten", stellen sommigen bijna verontwaardigd vast. Alsof het mensen van een andere planeet zijn! Zolang het huwelijk bestaat, is de grote meerderheid van de mensen geïnteresseerd om met iemand een duurzame relatie aan te gaan en dat op een of andere manier officieel te beklinken. Hun zogenaamde conservatisme heeft natuurlijk ook te maken met hun economische situatie. De jongens van de jaren zestig hadden de luxe om een vaste baan burgerlijk te vinden, want ze wisten dat, als ze wilden, ze er zonder enig probleem een konden vinden. De jongeren van vandaag zoeken zekerheid, ze hebben geen zin om eeuwige flexwerkers te blijven zonder kans op een normaal pensioen of financiële mogelijkheden om een hypotheek af te betalen. Ik stoor mij enorm aan het dédain van de protestgeneratie voor de huidige jeugd. Het is nota bene de protestgeneratie, die zichzelf ondertussen in het pluche van de macht genesteld heeft, die de jongeren socio-economisch niet meer dan klapstoeltjes aanbiedt. Als die ouwe 68'ers nou graag willen dat jongeren weer net zo vrolijk en onbezorgd als zijzelf destijds in hun blote kont door het koren gaan rennen - love your brother, love your sister - zouden ze vooral de verzorgingsstaat moeten herstellen. Vrijetijdsbesteding lijkt het domein bij uitstek waarop generatieverschillen zich manifesteren.Vinken: De mensen zien zelf de grootste verschillen tussen generaties in de verschillende opvattingen over opvoeding, gezin, seksualiteit, zo blijkt uit ons onderzoek. Andere verschillen, zoals vrijetijdsbesteding, smaakvoorkeuren, stijl, blijken maar van tijdelijke aard. Dat je naar The Beatles luistert of punk bent, een spijkerbroek draagt of van wijde rokken houdt, of al dan niet een neusringetje hebt, bepaalt je leven niet. Het hoort gewoon bij jong-zijn. Zodra je volwassen wordt, gaat dat ringetje weer uit en probeer je er behoorlijk uit te zien om een baantje te vinden. Wel merk je ook hier een breuk tussen de oudste twee en de jongste drie generaties. Vrije tijd heeft voor de vooroorlogse en de stille generaties niet zo'n tekenende rol gespeeld. Misschien ben ik een beetje marxistisch aangelegd, maar dat heeft volgens mij met opleiding te maken. Sinds jongeren massaal voortstuderen, bestaat er een soort interimland tussen kind-zijn en volwassenheid waarin de jongeren geruime tijd onder elkaar zijn en zich als vanzelf een jongerencultuur ontwikkelt. Mijn vader ging op zijn twaalfde werken, hij heeft nooit zo'n overgangsperiode gekend. Er waren in zijn tijd ook geen instrumenten om jezelf als jongere te onderscheiden. Mijn vader zag er op zijn negende al uit als een klein meneertje, jeugdmode bestond niet. Zelfs de jeugdbewegingen waren afdelingen van allerhande kerkelijke en politieke groepen, die eigenlijk door volwassenen werden georganiseerd. Sinds de jaren zestig hebben de jongeren zelf controle over hun vrije tijd. Tussen de protest-, de verloren en de pragmatische generatie vind je op dit vlak geen verschillen. Er zijn natuurlijk allerhande uiterlijke stijlen die elkaar opvolgen, maar die hebben uiteindelijk weinig te betekenen.Een paar opmerkelijke bevindingen van jullie onderzoek. De oudere generaties zijn de grootste lezers, maar ook de grootste televisiekijkers. In alle generaties leest dertig procent nooit een boek. De vrije tijd van jongeren neemt af. In 1934 besteedde men vier procent van zijn tijd aan uitgaan, in de jaren negentig is dat vijf procent. Vinken: Het is heel anti-intuïtief, maar inderdaad, de vrije tijd van jongeren wordt steeds beperkter. Ze zijn steeds meer bezig met allerlei nuttige dingen voor hun toekomst. In de schaarse tijd die hen rest proberen ze dan zoveel mogelijk tegelijk te doen: ze zappen tussen televisie kijken, sport, muziek, uitgaan, lezen om niets te hoeven laten vallen. Uitgaan is sterk leeftijdsgebonden. Mensen die jong zijn, gaan naar de kroeg en doen daar mooie dingen. Dat is eigenlijk altijd zo geweest. Maar dat de jeugd van tegenwoordig alleen nog maar op terrasjes of in dancings zit is gewoon niet waar. Dat de oudste generaties meer lezen én meer televisie kijken heeft gewoon met hun leeftijd te maken. Ze zijn veelal met pensioen en hebben dus meer tijd. Het aantal niet-lezers per generatie mag dan redelijk constant zijn, dat neemt niet weg dat er een zekere ontlezing is bij de jongere generaties: de lezers lezen minder.Moeten we ons zorgen maken over fenomenen als verkleutering, vervlakking, ontlezing in onze samenleving? Vinken: Er is natuurlijk een evolutie van leescultuur naar beeldcultuur. Maar het is niety juist om met het vingertje te wijzen naar de zogenaamde kick and high-generatie van tegenwoordig. Ik lijk misschien een beetje gebeten op de protestgeneratie, maar ook hier geldt weer dat zij zich geroepen voelt de noodklok te luiden, terwijl ze zèlf een onderdeel van het probleem is. De breuk ligt niet bij de jongste generatie maar in de jaren vijftig, toen de televisie werd geïntroduceerd. Al wie daarna is opgegroeid heeft problemen met bezigheden die rust en contemplatie verlangen, zoals een boek lezen of naar klassieke muziek luisteren. Verkleutering is niet typisch voor de jongeren van nu. De eersten die het "debiliserende" instrument televisie hebben gebruikt, en er nu ook het nodige aan doen om een aanbod te scheppen waarvan je niet echt de grootste denker van het laatste millennium zal worden, zijn degenen die in de jaren zestig jong waren.Gaapt er in de jaren negentig nog een generatiekloof?Vinken: Dat valt heel erg mee. Jongeren zijn, zoals gezegd, erg bezorgd over de economische onzekerheid. Ze zien verschillen. Ze vinden bijvoorbeeld dat de oudere generaties beter voor hun oude dag hebben kunnen zorgen. Maar ze zijn niet afgunstig, ze klagen niet over discriminatie. Niemand die roept dat de ouderen plaats moeten maken voor de jongeren. En meer in het algemeen gesproken?Vinken: Het is een beetje pijnlijk - als onderzoeker zou je natuurlijk het liefst grote kloven vaststellen. Tussen de eerste en de tweede helft van de eeuw zijn er wel wat kloofjes geweest. Maar de jongste generaties kunnen het gewoon goed met elkaar vinden. Henk Vinken, Isabelle Diepstraten en Peter Ester: "Mijn Generatie. Zelfbeelden, jeugdervaringen en lotgevallen van generaties in de twintigste eeuw", Syntax Publishers, 1998, 263 p., ISBN: 90-361-9888-7.Christine Albers