1. Voor de kredietcrisis

FONS VERPLAETSE: België is vanaf 1974 achteruitgegaan, met als triest dieptepunt het jaar 1981. Enkele cijfers zeggen alles: slechts 41 % van de bevolking tussen 15 en 64 jaar werkte toen in de privésector, nu 50 %. Maar liefst 15 % werkte toen voor de overheid, nu 11 %. We hadden toen een overheidstekort van bijna 14 % van het bruto binnenlandse product (bbp), nu bijna nul. Onze betalingsbalans stond 3,2 % in het rood, nu 2,1 % positief. De situatie van de jaren 1970 is dus totaal anders dan vandaag.
...

FONS VERPLAETSE: België is vanaf 1974 achteruitgegaan, met als triest dieptepunt het jaar 1981. Enkele cijfers zeggen alles: slechts 41 % van de bevolking tussen 15 en 64 jaar werkte toen in de privésector, nu 50 %. Maar liefst 15 % werkte toen voor de overheid, nu 11 %. We hadden toen een overheidstekort van bijna 14 % van het bruto binnenlandse product (bbp), nu bijna nul. Onze betalingsbalans stond 3,2 % in het rood, nu 2,1 % positief. De situatie van de jaren 1970 is dus totaal anders dan vandaag. PAUL VAN ROMPUY: Er is nog een fundamenteel verschil: in de jaren 1970-1980 voerde elk land zijn eigen beleid. In die tijd leed België niet alleen onder de oliecrisis, maar ook onder de verslechtering van de productiviteit, de loonkosten waren torenhoog en de winstgevendheid van de bedrijven stond onder zware druk. België heeft daarop gereageerd door de frank te devalueren in 1982, met begeleidende maatregelen zoals loonmatiging. Zo hebben we ons geleidelijk aan kunnen herstellen. VERPLAETSE: Sinds 2000 hebben we wel minder goed gepresteerd. We hebben sindsdien marktaandeel verloren. Dat zie je aan het overschot op de betalingsbalans: dat zakte van 4,7 % in 2000 naar 2,1 % van het bbp in 2007. En het primair overheidsoverschot (dus zonder interestlasten) daalde in diezelfde periode van 6,5 % tot 3,7 % van het bbp. Vanaf 2000 heeft de regering wat ze uitspaarde aan interestlasten op de overheidsschuld voor een groot deel uitgedeeld. VAN ROMPUY: Klopt, het geld werd opgesoupeerd. Je ziet in ons land na 2000 de overheidsuitgaven versnellen. Het overschot dat moeizaam werd opgebouwd, tot 6,5 % van het bbp in 2000, is nu praktisch gehalveerd. Het is uitgegeven, onder meer via de belastinghervorming van minister Didier Reynders (MR) begin deze eeuw. HENRI BOGAERT: Bovendien werden de sociale uitgaven en vooral die in de gezondheidszorg verhoogd. En de olieprijs begon te stijgen vanaf 2004. Zo kregen we enerzijds een probleem van dalende koopkracht en anderzijds de problematiek van stijgende loonkosten. En in die sfeer beleefde België een institutionele crisis, waarbij anderhalf jaar lang veel werd gepraat, maar niets werd beslist. VERPLAETSE: En sinds de zomer zien we de gevolgen van het vergiftigde geschenk van Wall Street: de mooi verpakte rommelkredieten die door gehaaide verkopers ook aan Belgische bankiers werden verkocht. Kijk, dat we in een neerwaartse conjunctuur zitten is eigen aan de economische cyclus, maar die kredietcrisis komt daar nu bovenop. BOGAERT: Tot september 2008 zag je een weinig samenhangende regering, die geen beslissingen nam, terwijl de energieprijzen de pan uit swingden, de koopkracht daalde en het vertrouwen afnam. Maar sinds de kredietcrisis bij ons in volle hevigheid is uitgebarsten, neemt de regering echte beslissingen. Je ziet het over de hele wereld: de markt kan de financieel-economische problemen niet oplossen, de markt is klinisch dood. De enige die de problemen nog kan oplossen, zijn de centrale banken en de regeringen. VAN ROMPUY: Ik hoop alleen maar dat de overheid met zijn tussenkomsten niet overdrijft, want anders glijden we toch af naar de jaren 1970-1980, toen de overheid op bedrijfsvlak zeer actief was. BOGAERT: De kredietcrisis is inderdaad zeer lang beschouwd als een louter Amerikaans probleem. Die kredietcrisis is het gevolg van twee zeepbellen in de VS. In de jaren 1990 waren de aandelen, vooral van hoogtechnologische en internetbedrijfjes, pijlsnel geklommen. In 2000 eindigde dat in een beurscrisis. Om uit die crisis te raken heeft president George W. Bush samen met de Fed, de Amerikaanse Centrale Bank, veel liquiditeit ter beschikking gesteld: geld lenen werd er spotgoedkoop. De conjunctuur herstelde vlug, maar er ontstond een tweede zeepbel: er werden veel huizen gebouwd en gekocht en de vastgoedprijzen stegen. Tot die zeepbel ook uit elkaar spatte en de mensen hun leningen niet meer konden terugbetalen. VERPLAETSE: En ondertussen hadden ze in de VS die hypotheekleningen opnieuw verpakt en doorverkocht aan andere financiële instellingen over de hele wereld. Zo werd de kredietcrisis ook naar Europa geëxporteerd. Je was een slechte bankier als je die herverpakte hypotheekleningen niet kocht, want daar kon je veel winst mee halen. En de bankiers zagen niet wat ze werkelijk kochten. Ze zijn overmoedig geweest, ook in België. Ook de toezichthouders zijn tekortgeschoten: zij controleerden de kwaliteit van de financiële producten niet, dat moest de belegger zelf maar doen. Anderzijds mag je van een toezichthouder ook niet verwachten dat hij ziet wat de bankier zelf niet kan zien omdat hij niet alle informatie had. VAN ROMPUY: De spaarders en beleggers zijn ook onvoorzichtig geweest. Heel wat mensen moesten na de beurscrisis van het jaar 2000 niets meer hebben van aandelen. Maar de banken gaven ook niet veel rente op een spaarboekje: als je rekening hield met de inflatie verloor je zelfs geld. Dus zochten sommige spaarders hun heil bij financiële producten met hoge rente, die de banken graag aanboden. VERPLAETSE: En een hoger rendement betekent altijd een hoger risico. VAN ROMPUY: Precies. Ik denk dus dat in de hele ketting, van ontlener over hypotheekverlener en bankier tot en met spaarder en belegger, fouten gemaakt zijn. En de spaarder, die aan het eind van de ketting zit, kan alles het moeilijkst inschatten. Het is net zoals wanneer je een kip koopt in een supermarkt: waar komt die kip eigenlijk vandaan? VERPLAETSE: Met dit verschil: als je in een supermarkt een kip koopt, dan weet je dat het een kip is. In de financiële wereld wist je niet of het een kip, een eend of een bosduif was. (algemene hilariteit)BOGAERT: We hebben bij het Planbureau in september de economische groei voor 2009 verlaagd van 1,5 tot 1,2 %. Het was toen immers duidelijk dat we rekening moesten houden met een conjuncturele vertraging als gevolg van de problemen in de VS en de stijging van de energieprijzen bij ons. Toen was er nog geen sprake van dat de kredietcrisis zo hard bij ons zou toeslaan, zoals we sinds eind van de zomer ondervonden hebben. Wat betekent die kredietcrisis voor de economische groei van 2009? Geen idee. Ik weet écht niet wat de groei volgend jaar zal zijn. Er zit momenteel geen rationaliteit meer in de economie en daarom is de economische groei onvoorspelbaar. Alles hangt af van de gevolgen van de ingrepen van de centrale banken en regeringen. Komt het financiële systeem nog meer onder druk, of is het ergste voorbij? Daarom geef ik er de voorkeur aan om te wachten tot de toestand enigszins gestabiliseerd is, voor ik met een nieuw groeicijfer zal uitpakken. Maar dat de groei in 2009 flink lager zal liggen dan 1,2 % is overduidelijk. VERPLAETSE: Volledig mee eens: vandaag kan er geen offi-cieel cijfer gepubliceerd worden over de groei in 2009. Maar het Internationaal Monetair Fonds (IMF) voorspelt nu dat het voor België 0,2 % zal zijn. Het is en blijft vogelpik, maar het is wel een vogelpikspel in het betere café. (gelach) Maar die 0,2 % is nog niet zo slecht, want het IMF verwacht een negatieve groei in Ierland, Italië, Spanje en wellicht ook in het VK. VAN ROMPUY: Laten we even uitgaan van 0,2 % groei in 2009. Wat betekent dat voor de werkloosheid? BOGAERT: Het aantal nieuwe bijkomende jobs hebben we met 1,2 % groei berekend op 27.900, maar de actieve bevolking stijgt meer, dus krijg je meer werklozen. Met die 1,2 % groei zouden er pakweg 10.000 werklozen meer zijn. Als je in 2009 slechts 0,2 % groei hebt, zal het aantal werklozen natuurlijk hoger liggen. Hoeveel? Dat hangt af van het soort schok dat we te verwerken krijgen: het is een ander verhaal als de groei vooral vermindert door externe factoren, bijvoorbeeld omdat we minder kunnen uitvoeren, dan wanneer hij door interne elementen daalt, bijvoorbeeld omdat de Belgen minder consumeren. Maar ik denk dat er tussen de 20.000 en 25.000 bijkomende werklozen zullen zijn als de groei 0,2 % bedraagt in plaats van 1,2 %. Dan heb je dus 35.000 werklozen meer in 2009. VERPLAETSE: Ik heb een vuistregeltje: als de groeivooruitzichten van 1,2 % naar 0,2 % verlaagd worden, dus met één procentpunt verminderen, dan neemt de werkgelegenheid met bijna 0,5 % minder toe, dus met ongeveer 25.000 eenheden. Bij een onveranderde aangroei van de bevolking op arbeidsleeftijd en de beroepsbevolking, betekent dat dus in tegenstelling tot de jaren 2007 en 2008, een toename van de werkloosheid met ongeveer een 35.000 eenheden. VAN ROMPUY: Is Vlaanderen gevoeliger voor een schok die van buiten komt door zijn grote openheid? Zou het kunnen dat de toename van de werkloosheid vooral in Vlaanderen gevoeld zal worden? BOGAERT: Tijdens de voorbije cycli zie je in ieder geval dat de werkloosheidscijfers in Vlaanderen steeds meer uitgesproken waren in Vlaanderen dan in Wallonië. Dus als de werkloosheid afnam, daalde ze meer in Vlaanderen, maar als ze toenam, steeg ze ook meer in Vlaanderen. Dat heeft inderdaad alles te maken met de verschillende structuur van de Vlaamse en Waalse economie. VAN ROMPUY: De uitkomst van het sociaal overleg dit najaar is een bijkomend element van onzekerheid. Als ik alle beschikbare gegevens zie, dan is er voor volgend jaar en misschien ook voor 2010 nauwelijks ruimte voor een reële loonsverhoging, als we willen dat er niet méér dan 35.000 werklozen bij komen. Er ligt vandaag dus een grote verantwoordelijkheid bij de sociale partners en zeker bij hen die hameren op meer koopkracht en dat vertalen in meer reëel loon. VERPLAETSE: Ik ben natuurlijk voorstander van een centraal akkoord, want anders komt er geen sociale vrede en krijgen we een opbod tussen sectoren en bedrijven. Dat moeten we zeker vermijden. BOGAERT en VAN ROMPUY: (in koor) Uiteraard. VERPLAETSE: Het is duidelijk dat we vandaag marktaandelen blijven verliezen en dat is vooral te wijten aan structurele factoren: onze bedrijven doen te weinig aan onderzoek en ontwikkeling, we lopen achter op het vlak van innovatie, er is te weinig ondernemerschap, enzovoort. We moeten echter opletten dat we daarop geen loonhandicap enten. En de voorbije twee jaren zijn de loonkosten in België al gemiddeld 2,2 % meer gestegen dan in onze buurlanden. We moeten die handicap proberen weg te werken. Laten we even voor 2009 en 2010 uitgaan van 3 % inflatie per jaar. Dat is zeker geen pessimistische visie, integendeel. Groei over de twee jaar samengeteld: 2 %. Dat is dan 8 % nominale groei. Trek daar de 2 % loonhandicap af. Dan zeg ik dat de lonen, nominaal, dus in euro's uitgedrukt, 6 % mogen stijgen, gespreid over 2 jaar. VAN ROMPUY: Maar die 6 % stijging over twee jaar met 3 % inflatie per jaar betekent geen reële loonsverhoging. BOGAERT: Natuurlijk is de reële loonsverhoging nul. Dat staat ook zo in de vooruitzichten van het Planbureau. De vraag is: zullen de sociale partners het daarover eens worden? VERPLAETSE: Met veel goede wil wel en ik zeg niet dat alle so-ciale partners dat moeten tekenen - want ze zijn met velen. Het is nog gebeurd dat een belangrijke vakbond en een belangrijke werkgeversorganisatie met elkaar akkoord gaan, terwijl de andere partners niet willen meedoen. Dan legt de regering het op. Bovendien kun je voor die 6 % nominale loonsverhoging nog kiezen uit twee wegen. Ofwel geef je geen reële loonsverhoging en krijgt iedereen de volledige indexatie. Of er komt wel een loonsverhoging, maar lever je op een sociaal verantwoorde manier een beetje in op de index: voor de lagere lonen doe je niets van de index af, voor de hoge lonen doe je wel iets van de index af. VAN ROMPUY: Ik vind niet dat je de index moet gebruiken als herverdelingsinstrument tussen lage en hogere inkomens. Laat de index voor iedereen op dezelfde manier spelen. BOGAERT: Misschien is het toch een goed idee om voor de lage lonen een ander indexmechanisme te hebben dan voor de hoge lonen. Ik zal een concreet voorbeeld geven: je kunt nadenken of we de energieprijzen voor verwarming en elektriciteit niet uit de index moeten halen om in de plaats daarvan een forfaitair bedrag op te nemen, dat berekend wordt op basis van wat de lagere so-ciale klassen in onze samenleving besteden aan energie. Zij blijken economischer om te springen met energieverbruik. Dat zou socialer én ecologischer zijn. Waarom socialer? Met het huidige indexmechanisme blijken de laagste klassen juist koopkracht te verliezen, want ze besteden een veel groter deel van hun inkomsten aan verwarming en elektriciteit. Maar hoe meer je verdient, hoe meer je wint aan koopkracht in het huidige indexsysteem. Dat is eigenaardig. Waarom ecologischer? Blijkt dat de hogere klassen helemaal niet minder energie verbruiken als de energieprijzen stijgen. Zij worden daar maar weinig toe aangespoord, want hun koopkracht stijgt. Door een forfaitair bedrag in te schrijven, zou je dat wel stimuleren. VERPLAETSE: We zitten op dezelfde golflengte: je moet het principe van de index behouden, maar je moet het omvormen tot een socialer en meer aan de huidige omstandigheden aangepast systeem. VAN ROMPUY: Dat is zeker een interessant idee: het corrigeert de ongelijke impact van de energieprijzen, maar doet toch geen afbreuk aan het principe van de indexering. VERPLAETSE: De vakbonden en werkgevers dragen nu een grote verantwoordelijkheid, zeker met de kredietcrisis. Je mag de mensen nu niet opzwepen, dat zou misdadig zijn. De uitdaging is dat iedereen redelijk blijft. VERPLAETSE: Natuurlijk ben ik ook voor een begrotingsoverschot van 0,3 % van het bbp, zoals de regering-Leterme gepland had. Maar daarbij ging ze uit van normale cyclische omstandigheden en met de kredietcrisis is daar geen sprake meer van. BOGAERT: Het doel was een overschot van 0,3 % van het bbp. In augustus bleken de inkomsten tegen te vallen, zodat men eerder zou gaan naar een begrotingsevenwicht. Daarna veranderde alles met de kredietcrisis. De economische groei zal duidelijk lager uitvallen dan de voorspelde 1,2 %. Toch beveel ik aan om van die 1,2 % groei uit te gaan, en de nodige maatregelen te nemen om toch te streven naar een evenwicht. En als de groei verder vertraagt door de kredietcrisis, dan is dat zo en zullen we uitkomen bij een klein tekort. VERPLAETSE: Ik ga akkoord. Als je uitgaat van een economische groei van 1,2 % van het bbp, maar het blijkt zoals het IMF voorspelt maar 0,2 % te zijn, dan heb je één procentpunt minder groei. Aangezien de inkomsten goed zijn voor pakweg de helft daarvan, mag je dan een tekort op de begroting verwachten van een 0,5 % bbp. VAN ROMPUY: Als je dus een wijs beleid wilt voeren, zijn alle denksporen van verlaging van de personenbelasting meteen uitgesloten. Want dan heb je nog minder inkomsten, tenzij je vooraf de nodige besparingen aan de uitgavenkant vastlegt. VERPLAETSE: Ik geloof niet dat je het probleem van de aankomende vergrijzingskosten kunt oplossen met een begrotingsoverschot. Je moet dat oplossen door de werkgelegenheidsgraad te verhogen, door ervoor te zorgen dat meer mensen op arbeidsleeftijd ook werkelijk werken. BOGAERT: Akkoord. VAN ROMPUY: Je moet misschien toch de twee doen: een budgettair overschot halen én de werkgelegenheidsgraad verhogen. VERPLAETSE: O, ik wil wel, maar ik geloof daar niet in. BOGAERT: We zijn in de jaren 1990 vertrokken met het idee om de kosten van de vergrijzing op te vangen met begrotingsoverschotten. We moesten minder interesten op de overheidsschuld betalen, aangezien die daalde, en dat bedrag gingen we opzijzetten voor de vergrijzing. Maar dat is niet gebeurd. VERPLAETSE: Precies. Ze hebben met het Zilverfonds een mooie enveloppe gecreëerd, maar er zit niets in. BOGAERT: Nu hebben we veel minder overschot, en op het federale niveau is er helemaal geen marge meer. Ik denk dat er nog maar één zaak mogelijk is: proberen alle maatregelen te nemen om een evenwicht van de begroting te bereiken - en als dat mogelijk zou zijn een overschot. Maar de kosten van de vergrijzing zullen we moeten opvangen door de werkgelegenheidsgraad te verhogen. Dat betekent dat we de ouderdom moeten verhogen vooraleer we werkelijk met pensioen mogen gaan. Dat moet niet morgen al zo zijn; je moet die pensioenleeftijd stap voor stap verhogen. VAN ROMPUY: Met de stijgende levensverwachting is het eigenlijk normaal dat de mensen langer gaan werken. VERPLAETSE: Laten we eerlijk zijn: elk jaar leeft een Belg gemiddeld drie maanden langer. Om de vier jaar stijgt de levensverwachting met een jaar. Op de een of andere manier moeten we op een soepele manier een soort gedeeltelijke indexering invoeren, waarbij we de levensverwachting koppelen aan de leeftijd wanneer men met pensioen mag. BOGAERT: Volledig akkoord. VAN ROMPUY: Dat zou logisch zijn. Nu werkt 62 % van onze bevolking op arbeidsleeftijd. We zitten ver af van de Lissabonnorm (70 %) en van het Europees gemiddelde (65 %). We moeten absoluut meer mensen langer aan het werk krijgen. BOGAERT: Met de financiële crisis en de impact op de groei zie ik een groot gevaar opdoemen: dat men opnieuw meer gebruik zal maken van brugpensioneringen, waarbij de werknemer vervroegd met pensioen gaat met extra geld van de overheid. VAN ROMPUY: Dan zie je de hypocrisie van de werkgevers, die graag de kosten van een herstructurering afwentelen op de overheid. En je hebt de hypocrisie van de vakbonden, die het goed vinden dat de werknemer een mooi bedrag krijgt om vervroegd thuis te blijven. Daar moet iets aan gebeuren: het vervroegd met pensioen gaan mag niet beloond worden, maar moet financieel bestraft worden. DOOR EWALD PIRONET