'De meester vertelde dat in Japan vissen aardbevingen voorspellen. Hoe doen ze dat, door bellen te blazen, met hun staart te slaan, of met hun buik omhoog voor dood te liggen? Dat wist de meester niet, hij gaf het ruiterlijk toe en ik vergaf het hem. Hij probeerde mij niets wijs te maken en verwachtte ook niet dat ik een verzinsel voor waar zou nemen. Maar hij voegde eraan toe: Men kan niet alles weten, het is zelfs niet wenselijk. Dat viel me weer tegen. Hoe weet je al dan niet wat je moet weten of wanneer je voldoende weet? Het heeft geen zin om zich met dat soort kwesties te kwellen, antwoordde de meester. Jawel, maar na elke vraag blijven er meer vragen over, en ik zou wel eens een uitkomst willen.'
...

'De meester vertelde dat in Japan vissen aardbevingen voorspellen. Hoe doen ze dat, door bellen te blazen, met hun staart te slaan, of met hun buik omhoog voor dood te liggen? Dat wist de meester niet, hij gaf het ruiterlijk toe en ik vergaf het hem. Hij probeerde mij niets wijs te maken en verwachtte ook niet dat ik een verzinsel voor waar zou nemen. Maar hij voegde eraan toe: Men kan niet alles weten, het is zelfs niet wenselijk. Dat viel me weer tegen. Hoe weet je al dan niet wat je moet weten of wanneer je voldoende weet? Het heeft geen zin om zich met dat soort kwesties te kwellen, antwoordde de meester. Jawel, maar na elke vraag blijven er meer vragen over, en ik zou wel eens een uitkomst willen.' Zo vertelt ons, in een tekenende en veelbetekenende passage uit Monika van Paemels nieuwste roman De koningin van Sheba, Ciska van Puynbroeckx. Hetzelfde meisje dat in de eerste zin al verklaarde: 'Ik ben negen en diep beledigd.' Zo - die moet wel familie zijn van die andere temperamentvolle Puynbroeckxen uit Van Paemels vorige stamboomromans (Marguerite (1976), De vermaledijde vaders (1985) en Celestien. De gebenedijde moeders (2004) zijn overigens tegelijk met dit nieuwe boek in één kloek deel opnieuw op de markt gebracht onder de titel Het gezin van Puynbroeckx). We zijn enige jaren na de oorlog. Franciska van Puynbroeckx woont in een boerendorpje bij de oudere zus van haar moeder, die ze 'Moetje' noemt, en die haar voedstermoeder is: zij had wél melk toen Ciska werd geboren. Moetjes man Oscar is timmerman, ze hebben een dochter, Lena, van dertien. Ook Oscars broer Firmijn woont bij hen in. De man heeft vrouw en kind verloren in de oorlog en heeft als verzetsman in 'het kamp' gezeten - terwijl zijn broer Oscar, die zich verre van ieder engagement heeft gehouden, er heel aardig doorheen is gerold. Dat geeft onmin. Oscar kan zich niet anders dan schamper over Firmijns keuze uitlaten: eigen schuld, dikke bult, waarom moest meneer ook zo nodig de held uithangen? Die laatste verwijt hem dan weer opportunisme, zo al niet lafheid. Daar komt nog eens bij dat Oscar zijn broer ervan verdenkt met zijn vrouw te hebben gerommeld. Affijn, zo'n huishouden dus. Het is niet de hel, men staat elkaar niet naar het leven, er is zelfs wel solidariteit, als het er echt op aankomt, maar het rookt en knettert er af en toe wel van alles wat in het verzwegene blijft doorsmeulen. Dat is ook waar Ciska gek van wordt. Voortdurend klinken er stemmen om haar heen op - de roman is trouwens meesterlijk op het ritme en de melodie van al dat praten, lamenteren, kiften, onderhandelen gecomponeerd - maar het is alsof die een andere taal spreken, zij kan de toespelingen niet plaatsen, en als ze om uitleg vraagt, krijgt ze die niet - ze is immers nog maar negen? 'Als ge groot zijt, zult ge het wel begrijpen.' De voorlijke Ciska heeft dus ook wel réden om zich diep beledigd te voelen. Waarom neemt niemand haar au sérieux? Haar onafhankelijke aard en intelligentie hebben er al voor gezorgd dat ze van de meisjesschool af is gestuurd, met 'de non' daar ligt ze voortdurend mee overhoop ('Wie denkt ge wel dat ge zijt? De koningin van Sheba?'). Gelukkig is er nog de meester van de jongensschool, die wél op haar vragen in wil gaan, al zijn zijn antwoorden daarom niet altijd even duidelijk voor haar. Daar gaat deze roman, waarmee Van Paemel aanknoopt bij haar beste werk, in laatste instantie ook over: over een willen weten dat uiteindelijk een zoeken naar zin is - 'ik zou wel eens een uitkomst willen'. Of die zin ook gevonden kan worden is een tweede, wat het boek ook zijn emotionele kracht geeft. En zo staat Ciska dan in de slotbladzijden - een schitterende monoloog waarmee zij zichzelf het boek uit praat - alleen en naakt op de weg die haar uit het dorp weg zal leiden: 'voor mij is de molen, achter mij de kerk, niemand zal mij tegenhouden, daar ga ik, verder altijd verder, de weg is van mij en ik ben van de weg, ik ben de koningin van de weg.' MONIKA VAN PAEMEL, DE KONINGIN VAN SHEBA, QUERIDO, AMSTERDAM/ANTWERPEN, 406 BLZ., 19,95 EURO. DOOR HERMAN JACOBS