Jacques Bellaert, de adjunct-directeur van de gesloten instelling voor minderjarige meisjes in Beernem, pleit voor een wetsherziening.
...

Jacques Bellaert, de adjunct-directeur van de gesloten instelling voor minderjarige meisjes in Beernem, pleit voor een wetsherziening.Als adjunct-directeur is Jacques Bellaert verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in De Zande, een gesloten gemeenschapsinstelling voor minderjarige meisjes in Beernem. Geen makkelijke opdracht met het onduidelijke wettelijke kader, het grote verloop van meisjes, personeelstekort geen psychiater, geen chauffeur, onderbemande sociale dienst en grote verschillen in ingesteldheid van het personeel naar de meisjes toe. Bellaert heeft een schakelfunctie in het creëren van een eensgezind beleid binnen de instelling. JACQUES BELLAERT : Tegenwoordig word ik veel minder vaak bij probleemsituaties geroepen dan vroeger. De opvoedsters nemen zelf meer verantwoordelijkheid op. Het heeft ook geen zin dat ik in hun plaats optreed, want dat ondermijnt alleen maar hun gezag. Ik word dan gedwongen in een boemanfunctie tegenover het meisje in kwestie. Nu stel ik vast dat de opvoedsters in vele gevallen de agressie zien aankomen, en voordien al effectief optreden waardoor de isoleercel er niet aan te pas hoeft te komen. Maar dat lukt natuurlijk niet altijd. In elk geval : afzondering is het laatste middel en moet het laatste middel blijven. Waar ligt eigenlijk de grens van machtsuitoefening ? BELLAERT : Die grens is niet bepaald. We hebben geen precieze lijn getrokken. Er zijn reglementen waaraan iedereen zich moet houden, maar diegene die bij de groep staat, maakt uit waar de grens op dat ogenblik ligt. We letten er natuurlijk wel op dat daarover binnen het team afspraken gemaakt worden. Maar soms hebt u geweld moeten gebruiken om een meisje in de isoleercel te krijgen. BELLAERT : Dat is gebeurd en zal nog wel gebeuren, want uiteindelijk moet ik ook voor de veiligheid van het personeel zorgen. Maar u moet wel stelling innemen over wat al dan niet kan. Bijvoorbeeld of een meisje bij de haren naar de afzondering gesleept mag worden. BELLAERT : Dat kan wel in bepaalde gevallen. Als er beslist wordt dat ze in afzondering gaat, dan gaat ze in afzondering, hoe dan ook. Moet ze gesleept worden, dan wordt ze gesleept. Desnoods slaan ? BELLAERT : Nee, bij mijn weten is dat niet voorgekomen, wel zodanig gemaïtriseerd dat ze op dat moment niet kan slaan. Het meisje wordt bij de keel gegrepen ? BELLAERT : Dat gebeurt. Maar als de rijkswacht erbij komt en die moeten het regelen, dan gaat het er soms heel erg aan toe. Zijn er bij die situaties wel eens fysieke verwondingen opgelopen ? BELLAERT : De opvoedsters wel, die zijn al gewond geraakt... En de meisjes ? BELLAERT : (stilte) Wel eens bezeerd, of tegen de muur geslagen, of... Maar soms razen ze in de isoleercel voort en dan kan het ook dat ze zich daarbij kwetsen. Tegen de muren slaan, schaafwonden opdoen, dat kan daar ook. Het valt op dat de therapeutische begeleiding en de voorbereiding op het leven twee peilers zijn, die in De Zande niet sterk staan... BELLAERT : ... en waar we iets aan zouden moeten doen. Voor de therapeutische begeleiding zijn wij niet voldoende uitgerust. We hebben bijvoorbeeld geen psychiater, ook geen psychiatrisch geschoold personeel. Maar de meisjes zijn hier ook maar een korte tijd. Zodra ze ergens anders kunnen opgevangen worden, is het de bedoeling dat dit gebeurt. Het is ook de taak van de psychologe en de maatschappelijk assistente om in samenwerking met de consulente van de jeugdrechtbank te zoeken naar therapeutische opvangmogelijkheden. Ondertussen kan de psychologe een meisje wel in behandeling nemen als zij dat wenst. Maar als wij dat spoor meer moeten uitbouwen, dan moet men ons ook de middelen daartoe geven. Wat met de voorbereiding op reïntegratie ? BELLAERT : De beleidsverantwoordelijken moeten ons de middelen geven. Wat willen ze ? Waar willen ze naartoe ? Het is uiteindelijk het beleid dat dit moet uitmaken. We hebben jaren zonder psycholoog gewerkt, moeten met ons personeel ook al de verplaatsingen zelf doen naar de jeugdrechtbank, bijvoorbeeld , want we hebben geen chauffeur. Inzake personeel kan ik heel wat knelpunten aanhalen. Er wordt weinig met het gezin gewerkt en wie dat wel doet, moet het bijna vrijwillig doen wegens tijdsgebrek. BELLAERT : Het klopt niet dat aan de gezinsstructuur niet geraakt wordt. Voor de meisjes hier terechtkomen, is er al heel wat gebeurd met dat gezin. Er zijn al heel wat diensten geweest die geprobeerd hebben om met dat gezin te werken. Ook wij doen ons best. Daarom hebben wij de bezoekuren verhoogd tot twee keer per week. De sociaal assistente doet haar best om ook tijdens het bezoek aanwezig te zijn en met die ouders te spreken. Maar wij hebben natuurlijk ook het zalfje niet om er aan te strijken, zodat thuis alles goed is. De wet voorziet ook weinig maatregelen tegenover het gezin zelf, tegenover de ouders. De minderjarige, het meisje zelf, is altijd de dupe. Er zijn verhalen waarin de vader de boosdoener is, maar vrijuit blijft gaan. Er zijn veertig procent heropnames. Hoe verklaart u dat hoge aantal ? BELLAERT : Waarom komen de meisjes hier terug ? Omdat het daarbuiten in de maatschappij niet gaat. Al die prikkels die ginds op hen afkomen, kunnen ze niet aan. Hier heb je een prikkelarmer milieu. Hier krijgen ze ook aandacht, kunnen ze met hun problemen naar boven komen. Niemand staat hier met een hamer klaar om op hun hoofd te slaan. Vandaar dat het voorkomt dat meisjes zich hier goed voelen en hier in feite ook willen blijven. Anderzijds is dat een gemakkelijkheidsoplossing, want ze moeten hier niet veel doen. Verhalen van meisjes die hier willen blijven, hoor je niet... BELLAERT : Toch zijn er die willen blijven. Ze zeggen soms wel dat ze de dagen aftellen tot ze weg kunnen, maar in wezen willen ze hier niet weg. Dat is een eigenaardig fenomeen. We hebben er hier gehad die vlak voor hun vertrek kabaal maakten, moeilijkheden creëerden. Hun vraag daarbij is maar die is niet letterlijk geformuleerd : laat mij toch hier. Ik wil niet naar huis, wil niet naar een home, want daar word ik geconfronteerd met alle problemen. In welke richting zou u zelf willen evolueren met de instelling ? BELLAERT : Het zal een gesloten instelling blijven, hoe beperkt ook qua aantal, want er zijn toch maar veertig plaatsen voor meisjes voor heel Vlaanderen. Indien deze plaatsen gebruikt worden zoals ze moeten gebruikt worden, dan komt men ook rond met veertig. Maar nu worden wij soms gebruikt als wachtkamer. Het kan volgens mij niet dat een jeugdrechter een meisje voor een paar dagen in een gesloten instelling plaatst in afwachting dat ze naar een open instelling kan gaan omdat daar op dat moment geen plaats is. Dat is oneigenlijk gebruik van een gesloten instelling. Verder is er nood aan de mogelijkheid om meer aan observatie te doen. Het zou goed zijn een leefgroep onthaal en een leefgroep observatie te installeren. Met andere woorden, dat er binnen de instelling gedifferentieerd zou worden. Nu is dat niet haalbaar omdat wij bijna steeds volzet zijn. Een nieuw meisje komt gewoon daar terecht waar er plaats is. Differentiëren zou ook de mogelijkheid bieden van een leefgroep die meer open is naar buiten uit. Nu verloopt de overgang van gesloten naar open soms te bruusk. Een tussensysteem zou wenselijk zijn, maar dan moet je ook de wet veranderen over de verblijfsduur van de meisjes. Een systeem met geleidelijke overgangen is niet haalbaar binnen drie of zes maanden. U pleit voor een langere verblijfsduur ? BELLAERT : Ik pleit voor een herziening van de wet. Ik zou willen dat de jeugdrechter toch een speling geeft van een jaar om tot werkelijke gedragsverandering te komen. Hoe loopt het nu ? Wij krijgen de meisjes gewoonlijk voor drie maanden. Ze komen hier vuil aan, en onder invloed. Het is zoals vuil zilverwerk dat wij hier mogen oppoetsen en daarna gaat er weer een ander voor zorgen. Na een poosje komen ze hier soms terug en kunnen wij weer van voor af aan beginnen. Adjunct-directeur Jacques Bellaert : Veel meisjes willen hier blijven.