Hoe komen overheids- opdrachten bij bepaalde advocatenkantoren terecht? Hoe kiezen ministers de raadsman die ze nodig hebben? En hoe kan het dat sommige advocatenkantoren en hun vennoten bij bepaalde overheidsinstellingen bijna een monopoliepositie verwerven? Drie jaar geleden stelde Vincent Van Quickenborne (VLD), toen nog senator Q, een parlementaire vraag over hoe het bij de aanwijzing van advocaten door ministers toegaat. Maar omdat het toen nog relatief bleek mee te vallen en vooral omdat hij zich daar tegenwoordig als staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging liever níét over uitlaat, mogen andere parlementariërs zich nu over deze kwestie druk maken.
...

Hoe komen overheids- opdrachten bij bepaalde advocatenkantoren terecht? Hoe kiezen ministers de raadsman die ze nodig hebben? En hoe kan het dat sommige advocatenkantoren en hun vennoten bij bepaalde overheidsinstellingen bijna een monopoliepositie verwerven? Drie jaar geleden stelde Vincent Van Quickenborne (VLD), toen nog senator Q, een parlementaire vraag over hoe het bij de aanwijzing van advocaten door ministers toegaat. Maar omdat het toen nog relatief bleek mee te vallen en vooral omdat hij zich daar tegenwoordig als staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging liever níét over uitlaat, mogen andere parlementariërs zich nu over deze kwestie druk maken. De oude gebruiken zijn in grote lijnen dezelfde gebleven. De aanwijzing van advocaten door bestuursinstellingen is nog steeds een politieke zaak. Advocaten werven zelf geen cliënten; het zijn de cliënten die een advocaat moeten zoeken. En dus vindt men het doorgaans nog steeds normaal dat ministers geneigd zijn om die advocaten onder hun vrienden en relaties te kiezen. Bij een regeringswissel zie je soms zelfs dat gespecialiseerde advocaten alle dossiers naar ministeries moeten terugsturen - al zou dat tegenwoordig uitzonderlijk zijn. Toen Stefaan De Clerck (CD&V) minister van Justitie werd bijvoorbeeld, gingen vooral Kortrijkse advocaten voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens pleiten. Later zou ook De Clercks opvolger Marc Verwilghen (VLD) advocaten uit zijn eigen streek naar Straatsburg sturen. 'Vaak verkiezen ministers voor de verdediging van hun eigen zaken advocaten die tot dezelfde politieke familie behoren', zegt de stafhouder van de Franstalige Brusselse balie, John Bigwood. 'Met politieke aanwijzingen is er niets mis.'Toch kan men zich ernstige vragen stellen. Zo is Marc Uyttendaele, specialist grondwettelijk en administratief recht en dus per definitie een advocaat die voor overheden werkt, dé hofleverancier van tal van federale, regionale en lokale overheidsinstellingen - iets waar Frank Vandenbroucke (SP.A) en Louis Michel (MR) in de regering-Verhofstadt I ernstige vragen bij plaatsten. De echtgenoot van minister van Justitie Laurette Onkelinx (PS) pleitte herhaaldelijk voor het Waals Gewest, de federale overheidsdiensten voor Volksgezondheid, Economie, Begroting, Werk, voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor FOREM (de tegenhanger van de VDAB). Ook tal van socialistische burgemeesters van Evere, Sint-Gillis, Andenne, Nijvel, Ittre kloppen geregeld bij Uyttendaele aan. En de Franse Gemeenschap heeft zelfs een abonnement bij het kantoor van Uyttendaele. Op de listings van de Raad van State is het trouwens even zoeken om voor deze overheidsinstelling een andere pleiter dan Uyttendaele te vinden. De Franse Gemeenschap stuurt het advocatenkantoor overigens kennelijk niet alleen staatsrechtelijke zaken door. Ook de meest eenvoudige boekhoudkundige betwistingen gaan recht naar het kantoor van Uyttendaele, Gérard et Doutrelepont. Nu de PS sinds de jongste regionale verkiezingen van juni 2004 op álle niveaus op rozen zit, komen de opdrachten naar verluidt nog vlotter binnen. Over de geldstromen die van al die verschillende overheden naar het kantoor van Uyttendaele vloeien, bestaat grote onduidelijkheid. Alleen al voor de zaken die ze voor de Raad van State en het Arbitragehof pleiten, zouden Uyttendaele en co jaarlijks minimaal 1,5 tot 2 miljoen euro ontvangen. Maar naast die traceerbare gerechtszaken levert Uyttendaele ook onnoemelijk veel consultatieopdrachten aan ministeries en overheidsdiensten. En daarmee zijn we in de grijze zone beland, want over de toekenning en bezoldiging van zulke opdrachten bestaan er bijzonder weinig geschreven regels. Meermaals al werd de vraag gesteld of juridische diensten aan de overheid geen deel horen uit te maken van openbare aanbestedingen - waarbij dus een officiële offerte wordt opgesteld. Het Rekenhof voerde daar- over een paar jaar terug een onderzoek uit en daaruit bleek dat er weinig bereidheid was bij de betrokken overheidsinstellingen om zo'n procedure te volgen. Wie dat wil, kan degenen die kritiek uiten op de golden boy van de Brusselse balie natuurlijk wel enige jalousie de métier verwijten. Maar ook voor bepaalde Vlaamse confraters die in hetzelfde domein actief zijn, is de almaar dominantere positie van het kantoor van Uyttendaele toch wel frappant. Vlaamse zaken die door het ministerie van Justitie voordien aan Vlaamse kantoren werden toevertrouwd, vallen voor hen vandaag zonder aanwijsbare redenen in handen van advocaat Uyttendaele. Het kantoor Uyttendaele, Gérard et Doutrelepont heeft de laatste jaren dus bijzonder goed geboerd. Moest meester Uyttendaele het vóór 2000 nog stellen met een vijftal medewerkers-advocaten, vandaag kan hij er met zo'n twintig advocaten tegenaan. Zijn kabinet pleit tientallen, zelfs honderden zaken voor de Raad van State en het Arbitragehof. Nochtans zijn slechts vijf van zijn advocaten specialisten in publiek recht. En lage kwaliteit is niet het gebruikelijke keurmerk van meester Uyttendaele. 'Integriteit is het meest fundamentele principe in het beroep van advocaat, en het is een uitgebreid begrip', zegt de Brusselse advocaat en éminence grise Pierre Lambert, als we zijn visie op de regels en gebruiken van de stiel vragen. Een advocaat moet onafhankelijk optreden, tegenover magistraten, tegen- over politici, tegenover zijn cliënt én ten aanzien van de honoraria die een dossier hem kunnen opleveren. Hij is gebonden door beroepsgeheim, en hij is partijdig. Ten slotte moet hij bepaalde regels naleven om belangenconflicten te vermijden. Voor overheden is dat een specifieke regeling. Lambert: 'Advocaten mogen in de regel niet tégen een vroegere cliënt pleiten. Maar wie pleit vóór de Belgische staat, mag daarna ook pleiten tégen de staat, voor zover het gaat om een andere overheidsdienst. De gebruikelijke raadsman van de federale overheidsdienst Economie bijvoorbeeld kan zich niet richten tégen diezelfde overheidsdienst. Wat wel kan, is dat hij in de aanval gaat tegen bijvoorbeeld de federale overheidsdienst Volksgezondheid.' Kan een advocaat als Uyttendaele, de man van minister van Justitie Laurette Onkelinx, dan ook zowel vóór als tégen de federale overheidsdienst van zijn echtgenote optreden? Lambert: 'Tégén de federale overheidsdienst Justitie kan hij pleiten zonder enig probleem. Maar zolang zijn vrouw minister van Justitie is, kan hij niet vóór Justitie pleiten. Een parlementariër mag ook niet vóór, maar alleen tégen de staat pleiten. Precies zoals ook een gemeenteraadslid niet mag pleiten voor een gemeenteraad. Hij zou ervan verdacht worden, géén onafhankelijke mening te hebben. Het zou een probleem geven, van wat we noemen délicatesse (kiesheid, nvdr).' Toch hééft Uyttendaele in het verleden al gepleit voor het ministerie (van Werk) waarvan zijn vrouw op dat moment aan het hoofd stond. In andere gevallen heeft minister van Justitie Onkelinx de vennoot van haar man, Dominique Gérard, aangewezen om haar te verdedigen. Is dát geen inbreuk op het 'principe van kiesheid'? Meester Pierre Corvilain, die benadrukt dat hij niet de stafhouder is van de Brusselse balie (hij is voorzitter van de Frans- en Duitstalige balie) en dus een louter persoonlijke mening geeft: 'Is dat niet eerder een deontologisch probleem voor de minister, dan wel voor de advocaat? Hoewel. Voor de advocaat betreft het inderdaad een probleem van délicatesse en van onafhankelijkheid. Bovendien mogen advocaten niet onrechtstreeks doen, wat ze ook niet rechtstreeks mogen. Wat ik niet mag, mag mijn vennoot al evenmin, ook niet en stoemelings.' Maar in de grijze zone waarin Marc Uyttendaele zich beweegt, betrekt hij niet alleen zijn vennoten. In zaken waarin Uyttendaele om de een of andere reden niet geacht wordt op te treden, zien we vrienden-confraters of assistenten van de Université Libre de Bruxelles (ULB) aantreden (Uyttendaele zelf is professor Grondwettelijk Recht en voorzitter van het Centrum voor Publiek Recht aan de ULB). Ook de vroegere levensgezellin van Uyttendaele, Evelyne Demartin, die een eigen kantooradres heeft, duikt geregeld op in zaken waar ze cliënten van haar vroegere man verdedigt. Hoewel ze zelf aangeeft een specialist te zijn in medisch en familierecht, pleit ze voor lokale overheden. Pierre Lambert ziet opnieuw een kiesheidsprobleem: 'Het lijkt me dat deze advocate, om welke reden ook, haar pet ontleent aan een andere advocaat en de vraag is of dat wel aanvaardbaar is.'Brusselse raadslui die anoniem wensen te blijven, zien rond Uyttendaele steeds weer dezelfde advocaten circuleren. Het gaat om nauwe contacten, klinkt het. Uyttendaele is volgens hen de centrale figuur in een netwerk van vier à vijf kernen van advocaten die onderlinge contacten onderhouden en werken in dezelfde invloedssfeer: het advocatenkantoor van Uyttendaele zelf en zijn stagiairs; de universiteitsassistenten en onderzoekers; het Institut Emile Vandervelde (het politieke studiecentrum van de PS) en het ministerieel kabinet. Waar de medewerkers die Uyttendaele uitleent naar verluidt moeilijk te onderscheiden zijn van die van Onkelinx. Centraal in het hele spinnenweb staat meester Uyttendaele. Het is bekend: Uyttendaele laat zich voorstaan op een eigen stijl. Hij noemt zichzelf een vrij denker. Hij of zijn kompanen aanvaarden zaken die anderen, de advocaten 'oude stijl', zouden afwijzen. Is dat daarom verkeerd? Het is een inbreuk op de kiesheidsregels die gelden in de advocatenstiel en dat appre- cieert niet iedereen, zeggen de ethisch strengere confraters. Vooral de hardnekkigheid waarmee hij tegen de regels ingaat, stuit die laatsten tegen de borst. Ook de vroegere minister van Justitie Tony Van Parys (CD&V) heeft vragen bij de handel en wandel van meester Uyttendaele. Hij vraagt zich af hoe het komt dat de kwestie zo lang kan blijven aanslepen en komt terug op het toewijzen van de dossiers. 'Worden er objectieve criteria gehanteerd? En hoe staat de Franstalige Brusselse balie tegen- over de hele zaak-Uyttendaele? Heeft ze nagegaan in welke mate de deontologische regels zijn nageleefd?'John Bigwood, sinds zeven maanden stafhouder aan de Franstalige balie van Brussel, ziet géén graten in wat er gebeurt. Anders had hij natuurlijk al moeten ingrijpen. Bigwood: 'Ik begrijp dat men de vraag stelt, maar voor mij is er géén probleem. Als het kabinet van Uyttendaele floreert, is dat omdat hij een uitstekend specialist staatsrecht is. Volgens mij wordt hij niet bevoorrecht, wat anderen ook mogen beweren. Het is de concurrentie die maakt dat de besten naar boven komen. Bovendien loopt er tegen hem geen enkel klachtendossier aan onze balie. Individuele zaken waar anderen kritiek op leveren, moet je geval per geval bekijken. Advocaten hebben er zelf alle belang bij om voorzichtig te zijn in wat ze doen. Ik besef ook wel dat er confraters zijn die om ethische redenen niet zouden aanvaarden wat Marc Uyttendaele doet. Maar Uyttendaele heeft alle regels gerespecteerd, en dus zie ik geen probleem. Hij en zijn echtgenote zijn zich sterk bewust van de perceptie die leeft en dus passen ze dés te beter op wat ze doen. Ik vind het jammer. Uyttendaele is een succesrijk advocaat en dus wordt hij geviseerd.'Het succesverhaal van Marc Uyttendaele begon aan de ULB. Het moet de vroegere rector van de ULB en ex-minister-president van de Franse Gemeenschap Hervé Hasquin (MR) geweest zijn, die hem zijn vleugels 'te ver' liet uitslaan - volgens sommigen steunt Hasquin (die dat zelf ontkent) hem trouwens nog steeds met zijn volle gewicht. Hervé Hasquin: 'Ik heb hem misschien wat te veel aangemoedigd. Uyttendaele is bijzonder intelligent. Hij was een van de eerste studenten in de rechten die, nog los van zijn carrière, een doctoraalscriptie maakten in het kader van het NFWO (Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek), en dat deed hij perfect.' Later zou Hasquin Uyttendaele steunen wanneer er tussen 'twee briljante kandidaten' gekozen moest worden voor de opvolging van de grondwetspecialist Jacques Velu aan de rechtsfaculteit van de ULB. 'Maar', geeft Hasquin toe, 'ik vermoed dat men hem vooral is gaan benijden, toen ik hem vroeg om de stem te worden van de rechtsfaculteit van de ULB. We hadden de grootste rechtsschool van het land, maar men hoorde over ons niet spreken.' Het was de periode dat er op het vlak van grondwettelijk recht aan Franstalige kant slechts één grote stem weerklonk: die van Francis Delpérée, dé grondwetspecialist van Louvain-la-Neuve (UCL). Tegenover dat intellectuele zwaargewicht mocht Uyttendaele, met de steun van dat andere zwaargewicht Hasquin, een eigen profiel uitbouwen. 'Sommigen verweten hem van dan af dat hij te veel politieke standpunten begon in te nemen', aldus nog Hasquin. Volgens vroegere studenten aan de faculteit was het inderdaad precies die houding die hem een superzware nederlaag bezorgde toen hij voor de post van decaan kandideerde. 'De professoren vreesden dat hij het decanaat te veel zou misbruiken om zich in de media te profileren en politieke posities in te nemen. Unaniem zeiden ze: neen! Voor het eerst in de geschiedenis van de rechtsfaculteit.'Een gebeurtenis die vandaag nog weinig relevant zou zijn, was het niet dat Marc Uyttendaele zijn politieke pet nooit meer heeft afgezet. Het verlangen naar een expliciete politieke rol heeft hij allang laten varen, maar de drang om zijn politieke zienswijze te verkondigen helemaal niet. In een vrije tribune in de krant Le Soir van 8 februari 2005 liet hij zich ongeremd uit over de zaak Brussel-Halle-Vilvoorde. Hij ging er zwaar tekeer tegen vice-premier Didier Reynders (MR), ook belast met institutionele hervormingen. Hij ondertekende het artikel met 'professor aan de ULB', maar hij had er eerlijkheidshalve beter ook 'man van de vice-premier van het land' bij gezet. Ook advocaat Pierre Lambert ziet een probleem in dergelijke publieke stellingnames. Lambert: 'Ik wil het proces van Uyttendaele niet voeren. Maar ik vond het gênant vast te stellen dat hij als een van de drie experts deelnam aan de hoorzittingen in de Kamer over Brussel-Halle-Vilvoorde. Als professor grondwettelijk recht werd er van hem verwacht dat hij een advies zou geven aan een commissie over een thema waar zijn vrouw noodzakelijkerwijs een positie inneemt. Een manifest kiesheidsprobleem.'En niet het enige. Het is duidelijk dat meneer en mevrouw Uyttendaele-Onkelinx elkaar wel vaker tegenkomen bij de uitoefening van hun beroep. In de zaak van de Luikse advocaat-generaal van het hof van beroep Marc de la Brassine bijvoorbeeld, een cliënt van meester Uyttendaele. Dankzij diens pleidooi voor de Raad van State werd de afzettingsprocedure tegen de man in december 2002 geschorst. Sindsdien krijgt de voormalige advocaat-generaal, die veroordeeld was wegens heling, zijn loon (2400 euro) op basis van medische attesten en met terugwerkende kracht gewoon doorbetaald. En dat nu al gedurende vier jaar. De tuchtprocedure blijft intussen aanslepen. Laurette Onkelinx, die als minister van Justitie de zaken zou kunnen bespoedigen, treedt terug en laat zich in deze vervangen door André Flahaut (PS). Tony Van Parys merkte daarover in de Kamer op dat 'de verdediging van de advocaat-generaal', die door Marc Uyttendaele ter harte wordt genomen, kennelijk 'voorrang krijgt op het staatsbelang'. Onkelinx trekt zich als het ware terug om de zaak van de cliënt van haar man niet te schaden. Uyttendaele is en blijft natuurlijk wel een veelgevraagde advocaat. Hij behaalde opzienbarende resultaten, denken we aan de zaak-Pirson, de militair van het hospitaal in Neder-Over-Heembeek die vóór zijn proces eigenlijk al door iedereen veroordeeld was. Maar óók daarbuiten, in domeinen die eigenlijk ver van zijn specialisatie af staan, oogstte hij succes. Dé zaak van zijn leven was wellicht de affaire-Truss- nach, waarbij PS-kopstuk Elio Di Rupo werd beschuldigd van seks met minderjarigen en in een korte maar hevige mediastorm terechtkwam. Voor zijn efficiënte verdediging kreeg Uyttendaele daarna de eeuwige steun van Di Rupo en werd een brede boulevard aan mogelijkheden voor hem opengelegd. Voeg daarbij de relatie met zijn echtgenote, de ruime steun van de ULB én, zoals Franstalige kranten beweren, een grote mediageilheid - en je krijgt een advocaat-professor-constitutionalist met gróte ambities. De eerste mythes beginnen zich al te ontwikkelen: Marc Uyttendaele is een advocaat die op elk moment zowel voor als tegen een cliënt kan pleiten. In een zaak voor de Bestendige Deputatie, zo vertelt een bron, zou hij zelfs het pleidooi voor de tegenstander in plaats van dat voor zijn eigen cliënt hebben aangevat. Waarna hij met brille weer in zijn 'gewenste' rol stapte. Een anekdote die niet doet vergeten wat er voordien allemaal is gebeurd. De zaak-Spitaels bijvoorbeeld: in de affaire van de drie Guy's zou hij de verdediging van Spitaels op zich nemen. Maar voor de aanvang van het proces bracht Uyttendaele een roman uit. Daarin beschreef hij het verhaal van een politicus, een socialist, die verdacht wordt van corruptie, en die zelfmoord pleegt in de loop van het proces. Guy Spitaels stuurde hem meteen wandelen. Uyttendaele eiste prompt een schaamteloos hoog honorarium. Zuiver een kwestie van publiciteit, zegt een confrater. In het advocatenmilieu werden daar destijds héél wat vraagtekens bij geplaatst, ook al omdat elke vorm van disciplinaire sanctie uitbleef. Maar zoals een Brusselse advocaat het formuleert: 'Voor je vandaag disciplinair gestraft wordt, moet je al je vader én je moeder vermoord hebben.'Door Ingrid Van Daele