Vele Afrikaanse politieke en intellectuele leiders hebben geen recht van spreken meer. Of ze zijn corrupt. Of ze prediken de grote verandering, terwijl ze hun land verneuken. De zeldzame Afrikaanse leiders die nog voeling hebben met het volk, hebben wel recht van spreken maar ze spreken zeker niet de taal die het Noorden en zijn internationale instellingen graag horen.
...

Vele Afrikaanse politieke en intellectuele leiders hebben geen recht van spreken meer. Of ze zijn corrupt. Of ze prediken de grote verandering, terwijl ze hun land verneuken. De zeldzame Afrikaanse leiders die nog voeling hebben met het volk, hebben wel recht van spreken maar ze spreken zeker niet de taal die het Noorden en zijn internationale instellingen graag horen. Professor Jean-Marc Ela (63) is ter zake toonaangevend en scherp. Voor deze Kameroenese antropoloog-socioloog is, bijvoorbeeld, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) synoniem van Imperialism, Misery, Famine en is het afro-pessimisme zowel de schuld als het excuus van het Noorden en zijn zetbazen. Hiermee kunnen zij de mislukking van hun ontwikkelingsmodel verdoezelen, zich beperken tot noodhulp, de schuldenlast bespelen, nog steeds eurocentrische structuurhervormingen afdwingen en Afrika voorgoed herleiden tot een mineraal wingewest. Daartegenover bepleit Jean-Marc Ela een afro-renaissance. Hij wil onder meer, zoals hij al in mei 1995 in Knack uiteenzette, "het woord en de macht weer aan de brousse geven (...) De boeren houden de stad in leven en het wordt hoog tijd dat zij daarvoor politiek en economisch beloond worden." Precies omwille van dit soort uitspraken moest hij drie maanden later Kameroen ontvluchten en kreeg hij politiek asiel in Canada. Zoals andere Afrikaanse activisten in de diaspora verwijt Ela de machthebbers dat zij niet durven te breken met de kapitalistische of de marxistisch-leninistische logica's. Ook al vernietigen die de eigenheid van de Afrikaanse culturen. Die culturen neigen niet per se naar corruptie, egoïsme, winstbejag, roofbouw, overbevolking, volkerenmoord, armoede, werkloosheid en epidemieën. Integendeel. Afrikaanse culturen worden van oudsher gekenmerkt door een grote integriteit, solidariteit binnen de grootfamilie en de clan, duurzame ontwikkeling, vreedzaam overleg, vormen van arbeidsverdeling en gezondheidszorg. Vandaar dat de crisis, waarin hun continent momenteel verzinkt, heel wat Afrikanen ertoe aanzet "de traditie en de kracht van de Afrikaanse volksgeest heruit te vinden", zowel wat de waarom-vragen betreft als de sociaal-economische organisatie van de samenleving. Want, schrijft Ela verder in "Alternatives Sud" (1997), "l'Afrique incarne la résistance au capitalisme occidental." Jean-Marc Ela hoopt dat die weerstand sterker wordt dan in de jaren vijftig, toen het streven naar onafhankelijkheid over het zwarte continent woedde. Meer dan ooit ziet hij het huidige Afrika "comme une terre d'espérance dans un monde privé de sens". Het failliet van het Afrika-vreemde ontwikkelingsmodel, dat eerst door de kolonisatoren en nu door internationale of even marktgerichte maar niet-gouvernementele organisaties wordt opgedrongen, mag de intern Afrikaanse dynamiek van onderuit niet doen vergeten. Daarom beklemtoonde Jean-Marc Ela in oktober vorig jaar in Le Monde Diplomatique het belang van boerengemeenschappen, lokale ontwikkelingsexperimenten, sociale bewegingen in de grootstedelijke jungle, kleinschalige industrialisering, clusters van academici, vorsers en kunstenaars. Allemaal initiatieven, die vooralsnog buiten de internationaal gebruikelijke systemen vallen, maar lokaal van menselijk en materieel belang zijn. GEEN PAPEGAAIEN MEERHoe moet het bijvoorbeeld met diegenen die de taal van het Noorden en zeker zijn economisch model negeren maar in hun respectieve samenlevingen wel een sleutelrol spelen? Jean-Marc Ela verwijst daarbij naar de Haoussa en de Yoruba in Nigeria of de zogeheten Nana Benz. Deze buitenshuis werkende moeders in de Afrikaanse grootsteden rijden liefst in een Mercedes Benz rond en drijven handel voor rekening van de grootfamilie, die verderop een boerenhof of een atelier deelt. Zo komen nieuwe sociaal-economische circuits op gang die aansluiten op "les cultures du terroir", waarvoor Ela het sinds de jaren tachtig opneemt. Hij refereert ook geregeld aan de tontines, een aloude kredietvorm. Daarbij helpt een gemeenschap een van haar leden bijvoorbeeld aan productiegoederen. Bij wijze van terugbetaling zal de begunstigde op zijn beurt de anderen bijspringen: niet noodzakelijk materieel maar mogelijk in de vorm van arbeid, voedsel, rouwrituelen, vriendendiensten of zonder meer goede raad. Dergelijke tradities vormen volgens Ela en zijn medestanders de basis voor een nieuw ontwikkelingsmodel. Vooraleer er echter sprake kan zijn van een Afrikaans alternatief voor "la dérive néo-libérale" moeten de basisgemeenschappen zelf het politieke veld heroveren en "arracher l'état à l'emprise des marchands". Al is Ela niet de eerste die de kooplieden uit de tempel wil verjagen. Maar, zegt hij, "de ziekte van Afrika is de ziekte van zijn kaders. Deze intellectuelen hebben hun volk verraden en gingen het op hun beurt uitbuiten. Het zijn gewetenlozen, zonder een maatschappelijk project voor hun volk." Jean-Marc Ela heeft recht van spreken. Voor hij met de dood werd bedreigd en Kameroen moest ontvluchten, leefde hij na zijn doctoraat in de theologie (Straatsburg, 1969) veertien jaar lang als priester te midden van de Kirdi-boeren in het noorden van Kameroen. Als ontwestering kon dit tellen. Zijn terugkeer naar de grootstad sterkte hem in de overtuiging dat de Afrikanen "een beter lot verdienen dan dat van de gevangen papegaaien" die tot imitaties gedwongen worden. Ela's verontwaardiging werd nog groter toen hij in 1985 in Belem, een sloppenwijk van de Kameroenese hoofdstad Yaoende, tussen de armen, de werklozen en de aidslijders ging leven. Met zijn allen beïnvloedden zij niet alleen zijn doctoraat in de sociologie (Straatsburg, 1990) en zijn publicaties. Ook zijn indringende zondagspreken trokken vaak duizenden mensen. De katholieke kerk moet volgens Ela "stelling nemen tegenover de sociale en culturele problemen die zich op alle niveaus van het Afrikaanse leven voordoen" en andere nieuwe sociale bewegingen bijtreden. Die zijn niet uitsluitend van christen-democratische signatuur. Het zijn vooral basisgemeenschappen, die - desnoods tegen de overheid in - eerst in eigen rangen, dan in eigen land en uiteindelijk in hun relaties met het buitenland zowel hun thuiscultuur herwaarderen als een echte democratische besluitvorming willen installeren. Zo botsen zij zowel met de aloude christen-democratische en socialistische als liberale doctrines. Maar geen een van deze doctrines, evenmin als hun ontwikkelingsprogramma's, bleek ooit tot een doortastende interculturele communicatie en samenwerking bekwaam. Frank De Moor