Nu de dagen het kortst zijn, lengen ze weer. Langzaam nog in het begin (van Kerstmis tot het einde van het jaar met amper vier minuten), maar dat betert, en voor wie in dit donkere seizoen naar wat licht snakt, zijn de vooruitzichten uitstekend. Toen Goethe in 1832 stierf, was de lente pas begonnen en het verhaal gaat dat de dichter met zijn laatste woorden om 'meer licht' verzocht zou hebben. Die wens werd in elk geval door de natuur met de grootst mogelijke inschikkelijkheid ingewilligd, want op geen enkel moment van het jaar lengen de dagen zo snel als bij het begin van de lente (ongeveer vier minuten per dag).
...

Nu de dagen het kortst zijn, lengen ze weer. Langzaam nog in het begin (van Kerstmis tot het einde van het jaar met amper vier minuten), maar dat betert, en voor wie in dit donkere seizoen naar wat licht snakt, zijn de vooruitzichten uitstekend. Toen Goethe in 1832 stierf, was de lente pas begonnen en het verhaal gaat dat de dichter met zijn laatste woorden om 'meer licht' verzocht zou hebben. Die wens werd in elk geval door de natuur met de grootst mogelijke inschikkelijkheid ingewilligd, want op geen enkel moment van het jaar lengen de dagen zo snel als bij het begin van de lente (ongeveer vier minuten per dag).Maar waartoe dient al dat licht? Laat het ons meer van de wereld zien? Het tegendeel is waar. De wereld is groter dan de aarde, maar het merendeel daarvan is aan het oog onttrokken door het vele licht. De huidige periode van korte dagen en lange nachten zou de ideale tijd moeten zijn om van schitterende sterrenhemels te genieten, maar daar komt niets van in huis omdat het hele land baadt in een zee van licht. Nauwelijks is de zon onder of miljoenen lichtpalen, neonbuizen en schijnwerpers flitsen aan. Allemaal verlichten ze een klein stukje aarde en samen wissen ze de hele hemel uit. Om het kerstfeest wat luister bij te zetten, hangen er wolken lampjes in de bomen en lichtslingers in de straten. Overal klinkt dan nog de vraag naar 'meer licht', want het geboefte moet van de straat gehouden worden en de auto's erop. Al dat licht heeft een schaduwzijde. Eén autoweg op vijf kilometer afstand of één lantaarn op honderd meter volstaat om negentig procent van de sterren van het firmament te vagen. De nachtelijke hemel kleurt ros of grijs in plaats van zwart, en alle sterren zijn we kwijt. Verduisterd door het licht. Maar niet alleen de mens zorgt voor lichthinder. De onbetwiste kampioen in de lichtterreur is natuurlijk de zon zelf. Zij duldt alleen zichzelf aan het uitspansel, en hoogstens af en toe nog een bleke maan. Een stortvloed van licht spoelt al het andere weg en kleurt de hemel egaal blauw, zodat de aardbewoner, onder een azuren stolp gezeten, visueel afgesneden is van de rest van het heelal. Maar over de zon geen kwaad woord. Alles wat leeft, dankt zijn bestaan aan de gulheid waarmee zij haar licht en warmte uitstrooit, terwijl de sterren toch maar als nutteloze spikkels aan de hemel hangen, niet in staat om meer dan zichzelf te verlichten. En wie sterren wil zien, hoeft maar de avond af te wachten, dan schuift de stolp vanzelf open en komt de hele buitenwereld te voorschijn. Dat is niet zeker. Ook de maan kan storen. Bij vollemaan priemen hooguit een handjevol sterren door het diffuse schijnsel. Wie een onbedorven, met sterren bezaaide hemel te zien wil krijgen, moet op een maanloze en wolkeloze nacht een donkere plek opzoeken, ver van steden en autowegen. Geen alledaagse opgave. Het kan lukken natuurlijk, hoewel niet in Vlaanderen, want in dit welvarende gewest is nergens nog een donkere hoek te vinden. Stel dat het lukt en dat elk storend licht is uitgeschakeld of onder de horizon gedoken. Dan ontvouwt zich voor de waarnemer het adembenemende spektakel van duizenden sterren, als gloeiende as ongelijkmatig over het zwarte gewelf verspreid. Waar de sterren het talrijkst zijn, glinstert op de achtergrond een melkwit schijnsel dat zich als een grillige band om de hemel spant. In een telescoop lost het vlokkige licht zich op in miljoenen sterren, elk te ver en te zwak om afzonderlijk op het netvlies een indruk te maken. Maar samen vormen ze de melkweg, het meest grandioze natuurverschijnsel dat een mensenoog kan aanschouwen. De melkweg is ons lokaal sterrenstelsel, een verzameling van zo'n honderd miljard zonnen, waarvan de onze er één is. De hele zwerm heeft de vorm van een platte schijf (met een diameter van honderdduizend lichtjaar) en wordt daarom vanop de aarde, die in de schijf gelegen is, als een band aan de hemel waargenomen. Voor elke kijkrichting in het vlak van de schijf, stoot het oog op onnoemelijke aantallen sterren, in elke andere richting is de blik naar buiten gericht en zien we slechts enkele sterren in de nabije omgeving van de zon. Buiten de melkweg strekt zich de lege kosmische ruimte uit. Er valt niets meer te zien tenzij héél in de verte, op miljoenen lichtjaren afstand, andere melkwegstelsels die als nevelachtige vlekjes aan de hemel prijken. Elk van die pluisjes licht is een verzameling van weer miljarden sterren. Het eigen melkwegstelsel vormt slechts een minuscuul eilandje in het universum. Om het heelal op grote schaal te bekijken, hindert het licht van deze menigte sterren in de eigen omgeving erg. Amper één procent van het licht van de nachtelijke hemel komt van buiten de melkweg en dat geringe schijnsel wordt haast helemaal overstraald door het voorgrondlicht van de melkweg. De astronoom die vanuit zijn sterrenwacht in de diepten van het heelal wil doordringen, is zoals de stadsbewoner die op zijn balkon in een helverlichte wijk het donkere landschap in de verte wil bekijken. Om het heelal te zien, moet ook de melkweg uitdoven. Zonder zon, zonder maan, zonder sterren aan het uitspansel, en zonder één straatlantaarn op aarde, zou het heelal in al zijn luister opdagen. De miljarden sterrenstelsels die samen het heelal vormen, zouden zich in die totale duisternis ongehinderd laten bekijken, als sneeuwvlokken aan een inktzwarte hemel. Hoe minder licht, hoe meer er te zien is. Vijfentwintig eeuwen geleden heeft de Griekse filosoof Parmenides al vermoed dat het licht meer hindert dan helpt om de werkelijkheid te zien. Het was hem opgevallen dat het licht van de zon de schijngestalten van de maan veroorzaakt, en dat die schijngestalten ons bedriegen. Schijnbaar wisselt de maan van vorm, maar in werkelijkheid behoudt zij haar vaste gedaante. De waarachtige vorm is die van de onveranderlijke donkere maanbol; de bedrieglijke is die van de door het licht veroorzaakte schijngestalte. De waarheid zien we niet, en wat we wel zien, is vals. Het licht moet uit, want het stoort en het misleidt. De waarheid ligt in de duisternis. 'Meer licht', vroeg Goethe, maar dan sloot hij de ogen en ging de eeuwige nacht in.Gerard Bodifée