'D e klachten van de Verenigde Staten zijn drieërlei: de Amerikanen vinden dat de Europeanen niet hun volle deel van de defensielasten dragen; ze hebben het gevoelen dat een golf van anti-amerikanisme Europa overspoelt; ze verdenken de Europeanen ervan de Amerikanen met alle risicovolle lasten te willen opzadelen.
...

'D e klachten van de Verenigde Staten zijn drieërlei: de Amerikanen vinden dat de Europeanen niet hun volle deel van de defensielasten dragen; ze hebben het gevoelen dat een golf van anti-amerikanisme Europa overspoelt; ze verdenken de Europeanen ervan de Amerikanen met alle risicovolle lasten te willen opzadelen.De Europeanen van hun kant zijn ongelukkig met de snijdende, militante retoriek die de Amerikaanse buitenlandse politiek overheerst; ze geloven dat de Amerikanen de militaire confrontatie verkiezen boven onderhandelingen; ze zijn verontwaardigd omdat de Amerikanen geen enkele waardering tonen voor hun inbreng.' Het citaat lijkt weggeplukt uit een recente analyse van de oplopende transatlantische spanningen tussen de Verenigde Staten en hun Europese NAVO-partners. Toch werd deze overweging meer dan twintig jaar geleden neergeschreven door de Amerikaanse generaal Bernard W. Rogers, toenmalig opperbevelhebber van de NAVO-troepen, in Foreign Affairs, het totemblad van de internationale diplomatie. Onlangs nog verwees Wilson Quarterly in een artikel over de transatlantische kwalen naar Rogers' uiteenzetting, om te illustreren dat de jongste spanningen tussen Amerikanen en Europeanen niets nieuws zijn. Al is de wrevel onder NAVO-partners, ten gevolge van de Iraakse kwestie, intussen wel bijzonder groot geworden. In die mate zelfs dat Robert Kagan van het Carnegie Endowment for International Peace en kanonnier van het neoconservatieve The Weekly Standard opmerkte: ' Het wordt tijd dat we stoppen met vol te houden dat Europeanen en Amerikanen een zelfde mening hebben over de wereld, of dat ze zelfs in een zelfde wereld vertoeven. Over de belangrijke kwestie van macht - de efficiënte aanwending van macht, de moraliteit ervan, de wenselijkheid van macht - lopen de Amerikaanse en Europese inzichten ver uit elkaar. Als het over de grote strategische en internationale vraagstukken gaat, lijkt het erop dat de Amerikanen van Mars komen en de Europeanen van Venus.' Vorige week dan legde de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld, gebelgd door verklaringen van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Dominique de Villepin, de bijl aan de traditionele transatlantische relaties. Rumsfeld noemde de Fransen en de Duitsers, die beide een nieuwe veldtocht tegen Irak afwijzen, 'het oude Europa'. Polen, Tsjechië, Turkije behoren, volgens Rumsfeld, tot 'het nieuwe Europa'. Onlangs beweerde de Amerikaanse president George W. Bush over zijn Poolse ambtgenoot Aleksander Kwasniewski: 'We hebben in Europa geen betere bondgenoot.' Kwasniewski wordt intussen genoemd als mogelijke opvolger van secretaris-generaal George Robertson van de NAVO. Hij zou Amerikaanse steun genieten. Waarom zijn we niet verwonderd? In april vorig jaar formuleerde Richard Haass, directeur van de zogenaamde Planning Staff van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, het zo: 'In de 21e eeuw zal de Amerikaanse buitenlandse politiek erin bestaan andere landen en organisaties te integreren in de schikkingen die worden genomen ter ondersteuning van een wereld die gelijk spoort met de belangen en de waarden van de VS, om zodoende vrede, welvaart en gerechtigheid zo breed mogelijk uit te dragen.' Kortom: organisaties als de NAVO en de Europese Unie zijn volgens de planners van het State Department niet meer dan onderdelen of verlengstukken van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Zoals Guy Spitaels verderop in dit blad zegt: 'We hadden het moeten weten.' In de jaren 1950 al kreeg hij van de rector Hendrik Brugmans van het Europa College in Brugge te horen dat de toekomst van Europa Atlantisch gekleurd was. Het Amerikaanse instrument om een politieke vormgeving van de Europese Unie tegen te gaan, is de NAVO, schreef oud-ambassadeur Jan Adriaenssen onlangs. Maar wie destijds waarschuwde dat de ongebreidelde uitbreiding, die gelijk liep met die van de NAVO, niet zonder gevaar was voor de politieke vorming van de Unie, werd als een euroscepticus afgedaan en naar het anti-Europese, en zelfs naar het extreem-rechtse kamp verwezen. De Europese machteloosheid lijkt nu compleet. Zelfs het geschil tussen Spanje en Marokko over het Peterselie-eiland, een onbewoonde klomp graniet in de Middellandse Zee, kon slechts door bemiddeling van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell worden opgelost. De VS hebben zelfs de steun van de traditionele bondgenoten Duitsland en Frankrijk niet meer nodig om de kaart van het Midden-Oosten te hertekenen en beslag te leggen op de Iraakse olievelden. Zij beschikken daarvoor over 'nieuwe vrienden' in 'het nieuwe Europa'. En de steun van de Russen en de Chinezen is afkoopbaar. Niettegenstaande de verlenging van het mandaat van de wapeninspecteurs lijkt niets of niemand nog een Amerikaans-Britse inval in Irak te kunnen afstoppen. Tenzij 'dat andere Amerika' waar professor Rik Coolsaet het hier vorige week over had, alsnog in beweging komt. Zo niet stevenen we af op een verwoestend conflict. Buitendien dreigt door een eenzijdig optreden van de VS in het Midden-Oosten de oude voorspelling van Charles Dickens bewaarheid te worden dat 'de zwaarste slag aan de vrijheid (door Amerika) zal worden toegebracht, door het mislukken als voorbeeld voor de wereld'. Rik Van Cauwelaert