In de Group of Personalities die aan de grondslag ligt van het Europese programma voor veiligheidsonderzoek was de wapenindustrie goed vertegenwoordigd. Toplui van wapenproducenten zoals Thales (Frankrijk), Finmeccanica (Italië), BAE Systems (Verenigd Koninkrijk) en EADS (nu Airbus) hadden er een zetel, naast hooggeplaatste politici en technologiebedrijven als Siemens (Duitsland) en Ericsson (Zweden).
...

In de Group of Personalities die aan de grondslag ligt van het Europese programma voor veiligheidsonderzoek was de wapenindustrie goed vertegenwoordigd. Toplui van wapenproducenten zoals Thales (Frankrijk), Finmeccanica (Italië), BAE Systems (Verenigd Koninkrijk) en EADS (nu Airbus) hadden er een zetel, naast hooggeplaatste politici en technologiebedrijven als Siemens (Duitsland) en Ericsson (Zweden). Uit ons onderzoek blijkt nu dat enkele leden van die Group of Personalities de voorbije tien jaar tot de grootste ontvangers van Europese subsidies behoorden, zoals het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO (ruim 33 miljoen euro), defensiebedrijven Thales (32 miljoen), Finmeccanica (29 miljoen), Airbus (25 miljoen) en Indra (12 miljoen). In 2015 publiceerde de Technopolis Group een lijvig evaluatierapport over het eerste onderzoeksprogramma, FP7-Security. Daarin staat dat de industrie bijna de helft van het Europese budget voor veiligheidsonderzoek had binnengehaald - de rest ging naar overheden, onderzoekscentra en universiteiten. De veiligheidsindustrie profiteert dus het meest van het Europese onderzoeksgeld. Voor alle duidelijkheid: het is níét de industrie die uiteindelijk bepaalt wie het Europese geld voor veiligheidsonderzoek krijgt. Dat doet de Europese Commissie, in samenspraak met het zogenaamde Programmacomité, waarin de Europese lidstaten vertegenwoordigd zijn. Namens België zit Pascale Van Dinter hierin. Zij is ambtenaar bij Federaal Wetenschapsbeleid (Belspo) en fungeert als nationaal contactpunt, dat de federale overheid informeert over mogelijke EU-funding voor veiligheidsonderzoek. Van Dinter: 'Voor de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen doet de Commissie een beroep op externe experts. Drie, vier onafhankelijke evaluatoren maken vervolgens een rankinglijst op, waarvoor de Commissie de goedkeuring moet vragen van het Programmacomité.' Doorgaans zet dat gewoon het licht op groen. Als er een ranking is van meerdere projecten met dezelfde score, kunnen de leden van het Programmacomité wel de knoop doorhakken. Het Programmacomité adviseert de Commissie ook over de inhoud van de onderzoeksagenda. Concreet gebeurt dat door tweejarige werkprogramma's inhoudelijk vast te leggen. De standpunten die Van Dinter tijdens die discussies inneemt, checkt ze op voorhand af met de andere entiteiten in België. Maar welke standpunten nam België de voorbije jaren precies in? Van Dinter: 'De inhoud van de vergaderingen van het Programmacomité is confidentieel, programmacomitéleden hebben dan ook een vertrouwelijkheidsclausule moeten ondertekenen.' Transparantie kent blijkbaar zijn grenzen. 'Maar als Belgische delegatie proberen we natuurlijk de Belgische prioriteiten zo goed mogelijk te verdedigen. Pas wanneer er na 1,5 jaar vergaderen een officieel document is waarover alle lidstaten het eens zijn, wordt het publiek gemaakt.' Bij het vastleggen van de onderzoeksagenda laat de Commissie zich ook nog bijstaan door een tweede adviesorgaan: PASAG -de Protection And Security Advisory Group. Via opinies, aanbevelingen en rapporten adviseren de 25 leden van PASAG de Commissie over 'wetenschappelijke, technologische en innovatieprioriteiten'. Niet onbelangrijk: naast onderzoeksinstellingen, universiteiten en overheidsinstellingen is ook de industrie vertegenwoordigd. In PASAG zitten werknemers van bedrijven zoals Airbus, British Telecom en Finnmecanica. Tot eind 2016 nam ook de Belgische Inge Ceuppens deel aan de PASAG-vergaderingen. Zij werkt voor het Europees Defensieagentschap. Knack sprak anderhalf uur met Ceuppens over de vraag of de industrie een grote invloed heeft op het Europese veiligheidsonderzoek, maar uiteindelijk wenste zij niet geciteerd te worden in dit artikel. Op Milipol, een grote wapenbeurs in Parijs, doet een afgevaardigde van een Frans wapenbedrijf eerlijk uit de doeken waarom de veiligheidsindustrie in adviesorganen als PASAG plaatsneemt. 'Het doel is om contracten binnen te slepen om daarna de technologie te kunnen verkopen. We leren hoe de EU werkt en we kunnen meeschrijven aan de eisen die worden gesteld.' En hij voegt eraan toe: 'We zijn geen humanitaire organisatie.' Tot voor kort had ook Luigi Rebuffi een zetel in PASAG. Hij is de voorzitter van de Europese Organisatie voor Veiligheid (EOS), een lobbyorganisatie in Brussel die in 2007 is opgericht door bedrijven actief in cyberveiligheid, civiele bescherming, grenscontrole en de bescherming van kritieke infrastructuur. 'Ja, we onderhouden contacten met de EU-instellingen', zegt Rebuffi. 'We nemen deel aan publieke events, wonen op uitnodiging adviesgroepen bij en hebben ontmoetingen met ambtenaren om standpunten van de industrie te bespreken.' Volgens Rebuffi is de EU-steun voor veiligheidsonderzoek 'meer dan tien keer lager dan in de VS', maar wel goed om 'banden te creëren tussen Europese universiteiten, onderzoekscentra en de industrie - met inbegrip van kmo's - om samenwerking te bevorderen en innovatie aan te moedigen'. De EOS was de voorbije tien jaar partner in 15 Europese onderzoeksprojecten en kreeg daarvoor een kleine 2,5 miljoen euro steun van de Europese Commissie. 'Daarmee hebben we een deel van de kosten betaald - van personeel en andere - die bij dat soort onderzoeksprojecten komen kijken, helemaal volgens de regels van FP7 en goedgekeurd door de auditdienst van de Europese Commissie.' De Franse socioloog Julien Jeandeboz deed in 2014 op verzoek van het Europees Parlement een onderzoek naar de verdeling van de onderzoeksgelden. Ook hij zegt dat het innovatieprogramma van de Europese Commissie wat hem betreft maar deels aan de zorgen van de EU-burger over veiligheid tegemoetkomt. 'Het securityonderzoek staat vooral ten dienste van de industrie, niet van de samenleving.' Tekst KRISTOF CLERIXOngeveer de helft van de projecten was helemaal níét gericht op de ontwikkeling van nieuwe technologie.