Ik hou niet zo van boxen, en zeker niet van overbekende werken zoals de negen symfonieën van Beethoven. Hoe briljant ook, na een tijd zit je vaak enkel nog naar de dirigent te luisteren, en je vergeet de muziek zelf.
...

Ik hou niet zo van boxen, en zeker niet van overbekende werken zoals de negen symfonieën van Beethoven. Hoe briljant ook, na een tijd zit je vaak enkel nog naar de dirigent te luisteren, en je vergeet de muziek zelf. De geschiedenis van de opnames van Claudio Abbado en het Berliner Philharmoniker is bovendien nogal bizar. Abbado blikte in het jaar 2000 een integrale versie in en nam er het jaar nadien een andere op, live in Rome. Die versie, op de Negende na die in Berlijn werd opgenomen, is pas nu op cd uitgebracht. Dat belooft niet veel goeds, maar de enige gedachte die in mij opkwam terwijl de muziek voorbijvloeide was: hoe is het mogelijk dat we dit pas nu te horen krijgen? De klank is veel rijker dan die van 2000 en de visie van Abbado poëtisch en meeslepend. Ze staat voor mij naast de allergrootste interpretaties van reuzen zoals Furtwängler of Klemperer, maar heeft het voordeel van een technisch veel betere sound. En Karajan, vraagt u misschien. Per slot van rekening heeft Abbado het Berliner Philharmoniker van hem overgenomen in 1989. Dat klopt, maar Abbado gaf het orkest een compleet nieuwe klank. Karajans sound was massief, het orkest een uiterst gedisciplineerd blok waarin elk individualisme ontbrak. En vooral: in zijn Beethovensymfonieën vertelde Karajan mythes. Abbado vertelt menselijke verhalen, met alle technieken die daarbij horen: hij zoekt bijvoorbeeld naar echo's in de tempi en motieven over de bewegingen heen. Karajan koos vaak voor traag, eindeloos gebonden en ofwel hard of zeer zacht, maar vreemd genoeg verloor hij daardoor ook vaak aan directe expressie. Onder Abbado verschuift het orkest in een fractie van een seconde van stemming. Dat Abbado een verhalenverteller is, blijkt natuurlijk het meest uit Beethovens programmamuziek. Zijn interpretatie van de Zesde symfonie (Pastorale) is zonder meer de boeiendste die ik ooit heb gehoord. Abbado's orkestklank is hier bijna de complete tegenpool van die van Karajan: ruwer en persoonlijker, zonder dat ook maar een moment de controle verdwijnt. Zet een Karajan-cd op en loop de kamer uit: je hoort één massa klank. Doe hetzelfde met deze Abbado-opname en je blijft de instrumenten onderscheiden. Ten slotte heeft deze opname nog één historisch voordeel op die van Karajan: ze is zoals de meeste van de laatste tien jaar gebaseerd op de teksteditie van Jonathan Del Mar (1996), die letterlijk honderden fouten uit de partituren heeft gehaald. Karajan gaf het Berliner Philharmoniker een grote technische perfectie en zeker ook een eigen ziel, maar Abbado gaf het orkest een hart. Daarom is hij wat mij betreft de grootste, wat deze wonderlijke integrale ten overvloede bewijst. CLAUDIO ABBADO, BERLINER PHILHARMONIKER, BEETHOVEN SYMPHONIES, DEUTSCHE GRAMMOPHON 477 5864. Peter Vandeweerdt