Toen Knack in de zomer van 1995 naar aanleiding van de campagne rond de dumping van het olieboorplatform Brent Spar, de milieuorganisatie Greenpeace aanwreef dat ze op hoogst onwetenschappelijke wijze met wetenschappelijke informatie omging, was de reactie zo heftig dat een advocaat uit vakantie moest terugkeren om de aanvallen van de organisatie te pareren. Iets vergelijkbaars gebeurde in de herfst van 1996, toen Artsen Zonder Grenzen door middel van haar eigen 'rampenepidemiologie' meende te moeten bewijzen dat er in het toenmalige Oost-Zaïre een (niet bestaande) cholera-epidemie woedde.
...

Toen Knack in de zomer van 1995 naar aanleiding van de campagne rond de dumping van het olieboorplatform Brent Spar, de milieuorganisatie Greenpeace aanwreef dat ze op hoogst onwetenschappelijke wijze met wetenschappelijke informatie omging, was de reactie zo heftig dat een advocaat uit vakantie moest terugkeren om de aanvallen van de organisatie te pareren. Iets vergelijkbaars gebeurde in de herfst van 1996, toen Artsen Zonder Grenzen door middel van haar eigen 'rampenepidemiologie' meende te moeten bewijzen dat er in het toenmalige Oost-Zaïre een (niet bestaande) cholera-epidemie woedde. Het is verheugend vast te stellen dat wetenschap als een krachtig middel wordt beschouwd om visies te verkopen. Het is anderzijds droevig te zien dat zelfs wetenschappers niet altijd op eenduidige wijze met cijfers omgaan. Zo kon het gebeuren dat in de naweeën van de dioxinecrisis twee groepen vorsers met exact dezelfde gegevens totaal verschillende conclusies over de impact van de crisis op de volksgezondheid formuleerden: geen effect versus misschien wel achthonderd extra kankerdoden. Conclusies gaan snel een eigen leven leiden, vooral bij mensen die nooit de basisgegevens zagen. In de inleiding van de maatschappelijke beleidsnota Milieu en Gezondheid van het Vlaams parlement staat dat '80 procent van alle kankers mee door externe oorzaken, zoals milieu, verklaard worden'. Terwijl Bjírn Lomborg in zijn The Skeptical Environmentalist (zie interview) tot de conclusie komt dat er haast geen invloed van het leefmilieu op kanker is. De grote verdienste van Lomborgs werk is dat hij erop hamert dat de cijfers juist moeten zijn, en dat de conclusies de cijfers moeten volgen. Hij toont aan hoe milieuorganisaties soms flagrant in de fout gaan bij de presentatie van cijfers en conclusies. Zo kan een handig gekozen tijdskader in een grafiek, of ruimtelijk kader in een statistische vergelijking, een relatie illustreren die er op grotere schaal niet is.EEN GROOT MENSENPRETPARKVele analysen zijn gebaseerd op computersimulaties, en die kunnen alle kanten uit omdat ze afhankelijk zijn van hun uitgangspunten. Maar als kranten uit de nieuwe klimaatmodellen menen af te moeten leiden dat de aarde deze eeuw met 5,8 graad Celsius zal opwarmen, misleiden ze hun lezers, want de conclusie was dat de aarde met iets tussen 1,4 en 5,8 °C zal opwarmen. Zo is het niet moeilijk de mensen bang te maken. Lomborg stelt dat er geen reden is tot paniek: op het einde van de 21ste eeuw zal de mens (bijna) nergens honger of kou moeten lijden. De achilleshiel van zijn werk is echter dat ook hij vertrekt van een model waarvan de premissen aanvechtbaar zijn. Lomborg, een statisticus uit de Politieke Wetenschappen, gaat ervan uit dat de aarde er is voor de mens: 'Eutrofiëring is de prijs die we sommige mariene organismen laten betalen voor ons succes in het voeden van de mensheid.' Het vis- en visserijprobleem doet hij af als marginaal, omdat visserij de mensheid op wereldschaal minder dan 1 procent van haar calorieën levert. Er is geen watercrisis op komst, want ontzilting zal de tekorten aanvullen. Het verlies aan biodiversiteit zou voor heel wat minder mensen een probleem zijn als ze zouden beseffen dat het niet in de eerste plaats om vogels en walvissen, maar om kevers en mossen gaat. Lomborg stelt vast dat de regenwouden minder snel verdwijnen dan wordt vooropgesteld - zijn boek is één litanie van: mag het wat minder zijn? Maar hij bekijkt dit op wereldschaal en over de eeuwen heen, en houdt weinig rekening met een verlies aan kwaliteit. Hij gebruikt vooral cijfers van de Wereldbank of de Verenigde Naties en aanverwante organisaties, omdat er geen andere zijn, maar stelt de betrouwbaarheid daarvan nooit ter discussie. Het conflict tussen globale en ruwe versus lokale en gedetailleerde (maar moeilijk extrapoleerbare) cijfers speelt in zijn analysen zeker een rol. Lomborg houdt - terecht - een vurig pleidooi om voorzichtig te zijn met het leggen van verbanden tussen, bijvoorbeeld, pesticiden en gezondheid. Hij lanceert een zware aanval tegen het boek Silent Spring waarin Rachel Carson in 1962 de nefaste invloed van DDT en andere pesticiden op het ecosysteem beschreef. Maar hij vergeet dat het herstel van de zeearend, waarover hij zo euforisch doet, net het gevolg is van het bannen van dat DDT. Hij heeft duidelijk moeite met de stelling dat we voorzichtig moeten zijn met wat we uitspoken, omdat ook wij deel zijn van het ecosysteem. Lomborg wil zelf niet anders gaan leven, maar de niet-menselijke wezens moeten dat wel. In zijn wereld broeden slechtvalken in nestbakken op elektriciteitscentrales, en niet op kliffen in wouden, en ligt niemand wakker van het feit dat er alleen nog in dierentuinen orang-oetans overleven. Lomborg maakt van de wereld één groot mensenpretpark, één grote Hilton: overal waar je komt, is het voor iedereen even plezierig. Helaas heeft hij met die visie waarschijnlijk meer succes dan de mensen die pleiten voor het behoud van een regenwoud waarin de meesten toch nooit een voet zullen zetten.Dirk Draulans