Het succes van de mensheid steunt op het feit dat wij vanaf 1,5 miljoen jaar geleden vleeseters geworden zijn, nadat we van fruiteters al aaseters geworden waren. Dat is de algemene gedachte. Vlees gaf ons meer energie dan we ooit als vegetariër hadden kunnen vergaren. Daardoor konden onze hersenen, die veel energie verbruiken, sterk groeien.
...

Het succes van de mensheid steunt op het feit dat wij vanaf 1,5 miljoen jaar geleden vleeseters geworden zijn, nadat we van fruiteters al aaseters geworden waren. Dat is de algemene gedachte. Vlees gaf ons meer energie dan we ooit als vegetariër hadden kunnen vergaren. Daardoor konden onze hersenen, die veel energie verbruiken, sterk groeien. Onze anatomie is aangepast geraakt aan vlees eten. Omdat het langer duurt om plantaardig materiaal te verteren, konden we aan darmlengte inleveren: waren we met onze huidige anatomie pure rauweplanteneters gebleven, dan hadden we een darm van gemiddeld 12 meter nodig gehad om alles efficiënt te verteren. Nu volstaat 7 meter. Dat we meer hersenen kregen, leidde via een drastische verhoging van onze intellectuele mogelijkheden tot veranderingen die wetenschappers 'positieve terugkoppelingen' noemen. We gingen bijvoorbeeld almaar efficiënter jagen, omdat we goede samenwerkingen konden organiseren en technische hulpmiddelen (zoals speren) ontwikkelden. Misschien wel de belangrijkste terugkoppeling was dat we vuur leerden beheersen, waardoor we voedsel konden bakken en koken. Zo deed de keuken zijn intrede in ons bestaan. Maar wetenschappers knagen langzaam aan het plaatje van de prehistorische mens als gepatenteerde carnivoor. Ze nemen aan dat vleesverbruik een kickstart gaf aan de groei van onze hersenen, maar onderstrepen dat wij altijd vrij veel planten zijn blijven eten. Recent onderzoek wees zelfs uit dat de neanderthaler, die altijd als een echte jager en carnivoor wordt gepresenteerd, meer groenten en fruit in zijn voeding had dan lang is aangenomen. In 2015 verscheen een intrigerende studie in The Quarterly Review of Biology. Ze stelde dat vanaf 800.000 jaar geleden, vooral doordat koken en bakken vlees en plantaardig materiaal beter verteerbaar maakten, een verdere groei van onze hersenen mogelijk werd. Voortaan konden we meer energie uit ons voedsel puren. De onderzoekers koppelden dat inzicht aan genetische inzichten. Daaruit blijkt dat wij in de loop van onze evolutie extra kopieën hebben gekregen van een gen met de informatie over het enzym amylase. Dat is nodig om het zetmeel te verteren dat we onder meer uit aardappelen halen. Wij hebben zes kopieën van dat gen, andere apen maar twee. De conclusie van de onderzoekers: dat we knollen konden koken, is voor onze ontwikkeling wellicht belangrijker geweest dan dat we vlees ter beschikking hadden. Eenvoudige volkeren die vandaag nog als jager-verzamelaars leven, draaien veel meer op wortels en andere planten die de verzamelaars vinden dan op het schaarse vlees dat de jagers aanbrengen. Jacht zal vaak niet efficiënt genoeg geweest zijn om de overleving van een volk te garanderen. Maar ze was wel belangrijk, want vlees verschafte voedingsstoffen die planten onvoldoende konden garanderen. Het belang daarvan werd vorig jaar aangetoond in The Food and Nutrition Bulletin. Wetenschappers onderzochten wat het effect was als geiten en schapen werden uitgedeeld aan arme landelijke gemeenschappen in Zambia. In enkele jaren tijd verhoogde de gezondheid van de mensen beduidend, omdat ze via vlees en zuivel meer vitaminen, mineralen en andere essentiële voedingsstoffen binnenkregen dan voorheen. Voor de elementaire overleving is vlees niet echt nodig, zo luidde de conclusie, maar het bevordert de gezondheid wel. Op die manier zou je vlees kunnen beschouwen als een voedingssupplement. Niet méér, maar ook niet minder. Koks die een klein stukje vlees van uitstekende kwaliteit op een bord presenteren naast groenten en knolgewassen, zijn biologisch gezien verstandiger bezig dan collega's die een blaadje sla en een schijfje tomaat als garnituur naast een lap vlees leggen. Het beeld van vlees als een supplement botst natuurlijk frontaal met onze huidige eetcultuur, zeker in wat gemakshalve 'het rijke Westen' wordt genoemd. De positieve terugkoppelingen van het grote verstand dat we door de explosieve ontwikkeling van onze hersenen hebben gekregen, culmineerden de jongste eeuw in technologische hoogstandjes als industriële vleesproductie en medische mogelijkheden om de levensduur te verlengen. Daardoor zijn we veel meer vlees gaan eten dan ooit - de jongste halve eeuw is het verbruik ervan wereldwijd nog eens verdubbeld. We worden ook steeds meer geconfronteerd met kwalen die uitmonden in wat we 'beschavingsziekten' noemen, zoals kanker en ziekelijk overgewicht. Omdat je beschavingsziekten niet zomaar kunt overwinnen, want er is niet altijd een goede behandeling voor, wordt ingezet op preventie. Eerst werd roken uit onze levensstijl gehamerd, nu is alcohol aan de beurt. Het volgende doelwit wordt rood vlees - vlees van herkauwers als koeien, geiten en schapen. Oude algemeenheden als 'gegrild vlees eten verhoogt de kans op kanker, omdat de zwartgeblakerde randjes barsten van de kankerverwekkende stoffen' worden onderbouwd door studies met statistieken over verhoogde risico's. Een scan van wat het jongste halfjaar over dit thema in de vakliteratuur is verschenen, levert op dat rood vlees het risico op een aantal aandoeningen verhoogt. Het vakblad Gut publiceerde de resultaten van een studie met bijna 50.000 volwassen mannen, die 25 jaar gevolgd werden. Wie veel vlees at, had 58 procent meer kans op een specifieke dikkedarmontsteking (diverticulitis) dan wie er weinig at. De darmflora van de eerste groep was afgestemd op het verteren van vlees, maar zou minder gunstig zijn voor de gezondheid van de darmwand, die daardoor gemakkelijker zou ontsteken. The Journal of the American Society of Nephrology meldde, na een 15 jaar lang onderzoek bij 63.000 mannen, dat het kwart mannen met het hoogste vleesverbruik 40 procent meer kans had op ernstige nierproblemen dan het kwart mannen met het laagste verbruik. The Journal of the National Cancer Institute liet weten dat vlees de kans verhoogde dat vrouwen die borstkanker hadden overleefd toch sneller stierven. En een rapport in BMC Nutrition besloot dat rood vlees consumeren evenveel bijdraagt tot de obesitaspandemie als suikergebruik. The Journal of the American College of Nutrition bestempelde vleesverbruik voorts als een van de voedingselementen die de opmars van de ziekte van Alzheimer in de hand werken. Cijfers uit Japan zijn ten slotte veelzeggend: sinds de Japanners een halve eeuw geleden hun oosterse dieet massaal voor westerse voeding inruilden, is de incidentie van Alzheimer er de hoogte in geschoten. The Journal of the American Osteopathic Association rekende voor dat 17 jaar vegetarisch eten een gemiddelde stijging in de levensverwachting met 3,6 jaar impliceert. Zoals in discussies als deze de regel is, verschijnen er ook studies die geen verband vinden tussen rood vlees en gezondheidsproblemen. The American Journal of Clinical Nutrition wees er eind 2016 op dat de meeste studies gewoon 'associatieve verbanden' leggen; een oorzakelijk verband tonen ze niet aan. De studie besloot zelf, op basis van een review van wat de auteurs 'gedegen studies' noemden, dat er geen aanwijzingen zijn dat vleesverbruik de bloeddruk of het cholesterolgehalte beïnvloedt. Maar zoals in het maatschappelijke debat óók de regel is, verdrinken de nuancerende boodschappen in de barrage van aanwijzingen dat veel vlees eten ongezond is. Als we aanvaarden dat de veranderende prehistorische inzichten correct zijn - maar ook die zouden kunnen passen in een 'campagne' tegen vleesverbruik - lijkt het inderdaad beter om niet te veel vlees te eten. Dat zulks gunstig is in de strijd tegen de klimaatopwarming en andere milieuproblemen, kan de boodschap alleen maar versterken. Op naar niet veertig maar tachtig dagen zonder vlees! Door DIRK DRAULANSEerst werd roken uit onze levensstijl gehamerd, nu is alcohol aan de beurt. Het volgende doelwit wordt rood vlees.