Ieder jaar begraaf ik een paar honderd van mijn stadsgenoten, nog eens twee of drie dozijn van hen breng ik naar het crematorium. Zo begint "Ondergronds", het boek van Thomas Lynch, de begrafenisondernemer-dichter uit Milford in Michigan. The New Yorker en Harper's Bazaar publiceerden er hoofdstukken uit, en "Ondergronds" werd in '97 genomineerd voor de National Book Award, tot grote verrassing van Lynch zelf. Finaal werd "Ondergronds" voorbijgestoken door een biografie van Joseph J. Ellis over Thomas Jefferson, een dode Amerikaanse president. De dood ligt blijkbaar goed in de markt.
...

Ieder jaar begraaf ik een paar honderd van mijn stadsgenoten, nog eens twee of drie dozijn van hen breng ik naar het crematorium. Zo begint "Ondergronds", het boek van Thomas Lynch, de begrafenisondernemer-dichter uit Milford in Michigan. The New Yorker en Harper's Bazaar publiceerden er hoofdstukken uit, en "Ondergronds" werd in '97 genomineerd voor de National Book Award, tot grote verrassing van Lynch zelf. Finaal werd "Ondergronds" voorbijgestoken door een biografie van Joseph J. Ellis over Thomas Jefferson, een dode Amerikaanse president. De dood ligt blijkbaar goed in de markt. "Dichters zoeken naar de betekenis van leven, liefde en dood, of ze nu professor zijn of lijkbezorger", zegt Thomas Lynch. "Het liefst werd ik voltijds schrijver. Daarom studeerde ik eerst Engels aan de universiteit, maar om den brode werd ik 25 jaar geleden begrafenisondernemer, ik was toen 24."Bent u geliefd in uw stadje?THOMAS LYNCH: ( Lacht) O ja, als mijn stadsgenoten mij zien, denken ze aan Chevrolets. ( Ernstig) Nee. Men zegt mij wel eens: "Ik hoop u nooit weer te zien", en dat begrijp ik. Sommige mensen worden ongemakkelijk in mijn aanwezigheid, omdat ik nare gevoelens oproep. Volgde u een opleiding voor begrafenisondernemer?LYNCH: Zeker, ik heb een diploma. We leren er praktische dingen, zoals balsemen. Wij studeren biologie en microbiologie, anatomie, chemie, sociologie, psychologie. Godsdienst, om te weten hoe andere religies over de dood denken, en antropologie, om te weten hoe andere volkeren ermee omgaan. Merkt u een verschil tussen mensen die een begrafenis wensen of een crematie?LYNCH: Niet meer. Crematie is aanvaardbaar geworden. Het is inderdaad een zeer effeciënte manier om lijken op te ruimen, maar in onze westerse cultuur lag het niet zo voor de hand. Wij begraven onze doden liever dan ze te verbranden. Onze beschaving beschouwde vuur altijd als een straf. Denk maar aan de brandstapel. Of aan de hel, waar je eeuwig zou branden als je stront had met God. Wij verbranden afval, en we begraven een schat. Ouders die de eerste lessen in sterfelijkheid geven - bij een dood poesje of konijntje, of het vogeltje dat uit zijn nestje is gevallen -, halen geen lucifers en aanmaakblokjes tevoorschijn om een vuurtje te stoken. Ze halen een schop en een schoendoos of sigarenkistje voor een begrafenis. In het oosters denken daarentegen, is vuur een loutering, een zuivering die de mens na zijn overlijden terugbrengt bij de bron. Daarom zijn er openbare brandstapels in Calcutta en Bombay, waar de rook van brandende lijken de luchten zwart schildert. Iedereen kijkt ernaar, zonder enige terughoudendheid.Hoe verschilt balsemen vandaag van balsemen in het oude Egypte?LYNCH: De Egyptenaren pekelden en looiden zes weken aan een stuk, bij ons duurt balsemen anderhalf uur. Zij balsemden voor de eeuwigheid, wij voor een paar dagen, als de begrafenis of de crematie wordt uitgesteld. We tappen een beetje bloed af en spuiten een desinfecterende vloeistof in de grote ader bij het hart. Het houdt het stoffelijk overschot langer goed. In Amerika ontstond dat gebruik tijdens de burgeroorlog, omdat veel mannen ver van huis stierven. Hun lijken werden ontsmet, geconserveerd, gerestaureerd. De lijkbezorgers sloten ogen en monden, hechtten kogelgaten, naaiden armen en benen weer aan, en stuurden de doden naar huis, naar hun vrouwen, vaders en moeders. Al die moeite omdat de doden niet mogen ontbreken op hun teraardebestelling, want de nabestaanden hebben hen daarbij nodig om afscheid te nemen en te rouwen, en om hem toe te vertrouwen aan de aarde of de vlammen. De dode hoort bij zijn eigen begrafenis, als een bruid bij haar bruiloft en een baby bij zijn doop.Jongens dromen van romantische beroepen met glamour, zoals piloot of voetballer. Begrafenisondernemer hoort niet direct thuis in dat rijtje.LYNCH: Een begrafenisonderneming is meestal een familiezaak, die wordt doorgegeven van vader op zoon. Mijn vader was begrafenisondernemer, drie van mijn vijf broers zitten in het vak, twee van mijn drie zussen ook. Er komen steeds meer vrouwen in dit beroep. In de Verenigde Staten zijn al 35 procent van de begrafenisondernemers vrouwen. Ik denk dat het zorgende aspect hen aanspreekt. Want dat is het uiteindelijk: een zorgende taak, en daar zijn vrouwen meestal goed in. Hoe was het om op te groeien als kind van een lijkbezorger?LYNCH: Wij woonden vlak naast de zaak van mijn vader, en aan tafel kregen we vaak gezelschap van eenzamen, diepbedroefden en ontroostbaren. Ik wist dat hij bezig was met dode mensen, en als kind dacht ik dat wij pal onder de hemel woonden. Dode mensen gingen naar de hemel, maar eerst kwamen ze naar ons, om van daaruit in rechte lijn ten hemel te varen. Wat mijn vader precies deed, wist ik aanvankelijk niet. Volgens mij had het te maken met gaten, het graven van gaten. Wij snuffelden wel eens in de cursussen van mijn vader, en we huiverden en gniffelden bij foto's van verminkingen, zoals we dat later zouden doen met seksblaadjes.Herinnert u zich de eerste keer dat u een lijk zag?LYNCH: Ik zal zeven of acht jaar oud geweest zijn. Er was niets gezegd om me erop voor te bereiden. Ook niet dat ik me geen zorgen hoefde te maken, of dat ik niet bang moest zijn. Mijn vader vroeg gewoon of ik met hem mee ging werken. Hij haalde het laken van een lijk weg, en ik vond het doodgewoon, als ik het zo mag zeggen. Ik vroeg mijn vader hoe die man heette, hoe oud hij was en hoe hij gestorven was. Mijn vader beantwoordde mijn vragen heel rustig, zonder enig spoor van sensatie. En mij leek het volkomen natuurlijk en normaal. U brengt al een kwarteeuw uw dagen door in het gezelschap van lijken en rouwenden. Dat lijkt niet bepaald prettig.LYNCH: Een pretje is dat niet, maar ik hou van mijn werk. Niet dat ik lijken aantrekkelijk vind, zoals men soms verkeerdelijk veronderstelt. Ik voel me niet meer aangetrokken tot de doden dan een tandarts door uw zieke tandvlees, een internist door uw ingewanden of een priester door uw zonden. Ik zou afstandelijk kunnen zeggen dat het mijn beroep is. Ik ben de enige begrafenisondernemer in Milford, een stadje dat vijfduizend zielen telt, van wie er bijna dagelijks één het hoekje omgaat. Ik heb dus een prima plekje op de markt: hun dood is mijn brood. Ik verkoop lijkkisten, grafkelders en urnen voor de as, ik verhandel grafstenen en grafmonumenten. Maar dat is maar een onderdeeltje van mijn job. Als lijkbezorger moet je altijd paraat staan. Mensen sterven op elk uur van de dag, zonder een voorkeur voor een bepaalde dag van de week of voor een van de seizoenen. Dineetjes en andere intimiteiten worden onderbroken, de telefoon rinkelt je uit bed, je moet bij nacht en ontij de straat op wanneer de een sterft en de ander om hulp roept. De meeste mensen zouden voor geen geld op kerstavond met een oude weduwnaar bij het opgebaarde lijk van zijn vrouw willen staan. Wij zouden dit werk niet volhouden als het niet op een of andere manier bevredigend was. En dat is het, omdat je iets goeds doet voor mensen in tijden dat ze het heel moeilijk hebben. Begrafenisondernemers zijn de hekkensluiters van de hulpverlening. Wij handelen vooral in afscheid, laatste eer en groeten. Wij dienen de levenden door te zorgen voor de doden, zodat ze zich tenminste daarover niet hoeven te bekommeren. Wij staan de levenden bij als ze met de dood worden geconfronteerd.Waarschijnlijk doet niet iedereen dat even goed, en zitten er in uw vak ook knoeiers.LYNCH: Helaas wel. Vergelijk het met artsen. Een dokter die alleen maar spreekt over je pancreas of een ander lichaamsdeel, kent zijn vak niet, omdat hij vergeet te praten over hoe een ziekte je als persoon raakt. Een goede arts behandelt je als mens in zijn geheel, een goede begrafenisondernemer ook. Beschouwt u zich als een soort therapeut voor de nabestaanden?LYNCH: Helemaal niet. Rouw is geen ziekte die een behandeling nodig heeft. Het is een zeer normaal en gezond proces. Verlies hoort bij het leven: als je van iemand houdt, doet het pijn als die geliefde sterft. Het is het omgekeerde van verliefd worden, het is liefde verliezen. Rouw is een omgekeerde romance, liefde met terugwerkende kracht. Je treurt alleen als je hebt liefgehad. Rouw is de andere kant van de medaille, maar het is nog altijd liefde. Hoe kom je rouw het best te boven, volgens u?LYNCH: Verdriet gaat nooit vanzelf weg. Er is maar één manier om aan de andere kant van het verdriet te komen, en dat is: er dwars doorheen. Hoe eerder hoe beter, om te vermijden dat je in de handen valt van zielenknijpers, pillendraaiers of barkeepers. Maar verdriet kan ook eindeloos en grenzeloos zijn. Na de dood van een baby, bijvoorbeeld. Als oude mensen sterven, begraven we een bekend verleden. Een verleden dat we in onze herinnering soms beter maken dan het was, maar het is een verleden waarvan wij ook deel hebben uitgemaakt, en die herinneringen brengen uiteindelijk troost. Als baby's sterven, begraven we de toekomst, een toekomst vol beloften en mogelijkheden, een toekomst waar zoveel hoop op was gesteld. Dode baby's laten ons geen herinneringen na, maar dromen. Dan is het vonnis van de nabestaanden vaak levenslang.Rouw en treurnis hebben in onze maatschappij geen plaats meer. De meeste mensen lopen met een boog om rouwenden heen.LYNCH: Vroeger was er na een overlijden een jaar van rouw. De nabestaanden droegen rouwbanden en zwarte kleren, en maakten geen muziek in huis. De getroffenen waren bekend, en ze mochten een jaar lang huilen en rouwen. Dat bestaat inderdaad niet meer, en toch is rouw onontbeerlijk: je gevoelens de vrije loop laten, versnelt het rouwproces. Een dode wekt vreemde en sterke emoties en reacties in ons op, je weet nooit van tevoren hoe je zult reageren. Je kunt het zo gek niet bedenken of het bestaat. Misschien begin je op ongepaste momenten heel hard te lachen, of snel je naar de keuken om een rababer-met-aardbeientaart te bakken. Rouwenden moeten de kans krijgen om alle emoties te uiten die ze in hun register hebben. Op zulke momenten hebben ze nood aan iemand die luistert, en niet aan iemand die probeert hen af te leiden. Ze hebben iemand nodig die zegt dat het goed is om verdriet te hebben, iemand die ze kunnen vertrouwen met tranen, met kwaadheid, met verbijstering of volkomen stilte.De dood staat ver van ons af, en dat houden we ook liever zo.LYNCH: Een of twee generaties geleden stierf iedereen thuis in zijn eigen bed, omringd door zijn familie. Wij zijn de eerste generaties bij wie de doden verdwijnen. Ouderen worden niet meer oud en ziek in hun eigen bed, maar in rusthuizen, ziekenhuizen en herstellingsoorden. Ze leven buitenshuis, sterven buitenshuis, en daarna worden ze niet opgebaard in de mooiste kamer thuis maar in een rouwcentrum. Veel mensen hebben nog nooit een lijk gezien, ze zeggen dat ze het niet zouden kunnen verdragen, omdat het afkeer en angst opwekt. Maar sterven is de doodnormaalste zaak, de enige zekerheid in ons leven: van het moment dat je geboren wordt, staat vast dat je ook zal sterven.Is de dood een nieuw taboe?LYNCH: Inderdaad. Deze generatie heeft seks van taboes ontdaan, maar nu is rond de dood een soort pornografie ontstaan. Wij hebben een grote honger naar geweld, we zijn dol op vuurgevechten in films, het spatten van bloed vinden we opwindend. Maar hoe reageren we als onze parkiet sterft, onze hond of een familielid? Willen nabestaanden soms liever niets meer te maken hebben met de dode?LYNCH: Dat gebeurt. Uit het oog, uit het hart. Er zijn mensen die de afgestorvene liever niet willen zien, omdat ze zich hun vader of echtgenoot willen herinneren zoals hij bij leven was. Dan vraag ik me af: wat willen of durven ze niet onder ogen zien? De dood verdringen, is onze menselijke natuur ontkennen. Onze sterfelijkheid negeren, geeft ons leven iets stuurloos. Het is toch te begrijpen dat die confrontatie te zwaar kan zijn? Na een gruwelijke moord, bijvoorbeeld.LYNCH: Wat je te zien krijgt, is nooit zo erg als wat je je inbeeldt: onze fantasie kent geen grenzen. Een overledene zien, de confrontatie met het verlies van iemand die je dierbaar is, helpt het verwerkingsproces evolueren, hoe verschrikkelijk ook. En het hoeft niet altijd vreselijk te zijn. Wesley, een van mijn medewerkers, is een keer een hele dag en nacht bezig geweest om de stukjes schedel van een meisje als een puzzel in elkaar te passen. Het meisje was vermoord door een gek met een honkbalknuppel. Veel lijkbezorgers zouden zeggen: "Gesloten kist". De restanten zodanig behandelen dat de stank binnen de perken blijft, is in zo'n geval verreweg het gemakkelijkste, en de betaling is toch dezelfde. Maar de moeder had gesmeekt om haar kind te zien, en achttien uur later kreeg ze haar dochter terug. Haar dochter was dood, zeker, en deerlijk toegetakeld. Maar ze had weer haar eigen gezicht gekregen, niet de versie van die gek. Wesley had haar niet van de dood gered, maar hij had haar dood gered uit de klauwen van haar moordenaar. Wat Wesley deed, was een weldaad voor de ouders van het kind. Ziet u niet vaak verbijsterende dingen?LYNCH: Ik ben niet meer geschokt door de staat waarin een lichaam zich bevindt, daar ben ik ondertussen mee vertrouwd. Lijken komen schuimend bij ons binnen, bubbelend en borrelend uit elke lichaamsopening, nadat iemand zelfmoord pleegde met rattenvergif, ontstoppingsmiddelen, verfverdunners, of bleekmiddelen. Men pleegt ook zelfmoord met een onbeschrijflijke wreedheid, waarvan ik u de details bespaar. Dan belt, bijvoorbeeld, de politie ons op met de vraag of wij ook iemand hebben voor heel erge gevallen. Nee, daar hebben we niemand speciaal voor, maar dat doen wij ook: de brokken bij elkaar rapen, alles schoonmaken waar bloedspetters op zitten, desnoods de hele kamer opnieuw schilderen. Went dat allemaal? Of wordt u cynisch met de jaren?LYNCH: Nee, ik ben nog bijna elke dag geschokt, maar niet door de lijken. Eergisteren stierven in Milford twee meisjes van zestien. Ze waren onderweg van school naar huis. Hun auto werd gegrepen door een trein, ze waren allebei op slag dood. Een van hen kende ik sinds haar geboorte, ik ben al twintig jaar bevriend met die familie. Dat laat je niet koud, dan leef je echt mee. Ik denk dikwijls: wat hangt er mijn kinderen boven het hoofd? Er gaat geen dag voorbij of ik ben bang voor wat hen kan overkomen. U schrijft dat ook uw vader overbezorgd was over jullie.LYNCH: Hij wist maar al te best dat ongelukken in kleine hoekjes zitten, hij was gewend aan volstrekt willekeurige en onredelijke verliezen. Vader zag overal mogelijke rampen, de meest onschuldige ondernemingen waren riskant. Bij een spelletje voetbal vreesde hij een gescheurde milt, bij elke tuinvijver zag hij ons verdrinken, en op een trampoline zouden we onze nek breken. Overal loerde het gevaar: in broodroosters gestoken messen, huis-, tuin- en keukengif, seriemoordernaars en ontvoerders. Wat wij ook wilden doen, zijn antwoord was altijd: nee. Hij had altijd juist iemand begraven die net hetzelfde gedaan had: met lucifers gespeeld, zonder zwemvest gaan vissen... Van vader mocht niets. Gelukkig stond moeder er anders tegenover. Logeren bij Jimmy? Nee. En dan zei moeder iets in de trant van: "Heb jij soms net iemand begraven die overleed ten gevolge van een logeerpartijtje bij Jimmy?" Dankzij haar mochten we toch nog veel.Begrijpt u zijn bezorgdheid, nu u zelf kinderen heeft?LYNCH: Natuurlijk. Van het moment dat je kinderen hebt, maak je je zorgen over hen, tot je laatste ademtocht. Zolang het kind een baby is, gaat het nog, want dan heb je de meeste dingen - lang niet alles - onder controle. Mijn vier kinderen zijn nu rond de twintig jaar oud. Dan heb je niks meer te vertellen over hoe ze rijden, wat ze drinken, met wie ze naar bed gaan. Naarmate mijn kinderen opgroeiden, werden ook de lijkjes in het mortuarium groter. Zuigelingen werden kleuters, schoolkinderen, pubers, tieners, jongvolwassenen. Ik heb vaak genoeg gebeden: God, zorg voor hen. Bent u gelovig?LYNCH: Niet op de wijze waarop mijn moeder geloofde. Voor haar was God die gast met die baard. Bij mij verandert het beeld, maar ik heb het wel nodig om te geloven in iets dat boven ons staat, iets of iemand die aan de touwtjes trekt en de grenzen in de gaten houdt. Geloof en vertrouwen, dat is mijn remedie tegen de angst. Bent u dan soms niet onzettend kwaad op God?LYNCH: O, jazeker. Zoveel dingen zijn zo onrechtvaardig, vooral als je door het noodlot of door stom toeval op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bent. Zoals Stephanie, die lag te slapen op de achterbank van de bestelwagen waarin het hele gezin door Kentucky reed. Ze had net van plek geruild met haar broertje. Vanop een brug gooiden balorige jongens een stenen paaltje naar beneden. Het paaltje verbrijzelde de voorruit, vloog rakelings langs de schouder van haar vader, en trof Stephanie in de borst. Ze was morsdood. Zulke voorvallen maken mij opstandig. Als dat Gods wil is, zeg ik: Hij moest zich schamen. In dergelijke gevallen schud ik mijn vuist naar de Almachtige en zeg: verdomme, waar zat je? Verdomme, waarom keek je nu net de andere kant uit? God zou beter samen met ons huilen.Bent u bang om te sterven?LYNCH: Natuurlijk, iedereen is toch een beetje bang om te sterven? Ik heb het nog nooit meegemaakt, en bij mijn weten is er nog nooit iemand teruggekeerd uit de dood om het te vertellen. Daarom ben ik bang. Ik heb lange tijd een drankprobleem gehad, tot ik dacht dat ik ervan zou doodgaan. Nu drink ik niet meer, ik rijd niet te snel, ik spring niet uit ramen, en ik hang niet rond met vreemde vrouwen. Wat wilt u voor uzelf, als u dood bent? Een begrafenis of een crematie?LYNCH: Dat zal mij worst wezen. Het lijkt mij beter om die beslissing over te laten aan mijn nabestaanden. Zo is het toch? Voor de doden mag iedereen doodvallen, zij gaan erbij liggen en maken het zich gemakkelijk. Het laat hen volkomen koud wat er met hun stoffelijk overschot gebeurt. De nabestaanden, de levenden moeten ermee verder leven. En zij krijgen ook de rekening van de begrafenis of crematie gestuurd. "Ondergronds, Levensberichten uit het uitvaartwezen." Thomas Lynch, 175 blz., 690 fr., uitg. Vassalucci.Griet Schrauwen