Parasieten zijn in het Grieks letterlijk tafelgenoten, of mee-eters. Hun bestaan had aanvankelijk niets verwerpelijks. Hans Dijkhuis vertelt in De machtige filosoof hoe Griekse wijsgeren vanaf de vijfde eeuw voor Christus door belangrijke heersers als professionele tafelgenoot voor advies werden aangezocht. Dijkhuis reconstrueert vier eeuwen Griekse filosofiegeschiedenis en zoomt daarbij in op de manier waarop Griekse filosofen al dan niet vrijwillig in het politieke beleid pasten. De Atheense polis rekruteerde al ten tijde van Pericles, in de vijfde eeuw voor Christus, filosofen zoals Protagoras. Vanaf de vierde eeuw volgden Macedonië en Syracuse zijn voorbeeld. Archilaos, voorloper van Alexander de Grote, wou Socrates aan zijn Macedonisch hof in Pella, maar Socrates weigerde pertinent om als schoothondje van de machtigen te functioneren. Alexander z...

Parasieten zijn in het Grieks letterlijk tafelgenoten, of mee-eters. Hun bestaan had aanvankelijk niets verwerpelijks. Hans Dijkhuis vertelt in De machtige filosoof hoe Griekse wijsgeren vanaf de vijfde eeuw voor Christus door belangrijke heersers als professionele tafelgenoot voor advies werden aangezocht. Dijkhuis reconstrueert vier eeuwen Griekse filosofiegeschiedenis en zoomt daarbij in op de manier waarop Griekse filosofen al dan niet vrijwillig in het politieke beleid pasten. De Atheense polis rekruteerde al ten tijde van Pericles, in de vijfde eeuw voor Christus, filosofen zoals Protagoras. Vanaf de vierde eeuw volgden Macedonië en Syracuse zijn voorbeeld. Archilaos, voorloper van Alexander de Grote, wou Socrates aan zijn Macedonisch hof in Pella, maar Socrates weigerde pertinent om als schoothondje van de machtigen te functioneren. Alexander zou later vóór zijn veroveringstocht, gefascineerd door die afwijzing, in Korinthe op bezoek gaan bij de cynicus Diogenes. Toen Alexander hem naar zijn wensen vroeg, riposteerde Diogenes dat hij alleen maar wou dat Alexander uit de zon zou gaan. Griekse filosofen hamerden inderdaad vaak op het belang van een onafhankelijke, individualistische levenshouding. Parrhèsia of vrij(moedig)e meningsuiting was voor die filosofen het summum van geluk. Vooral ethisch bevlogen geesten, als Socrates, de cynici en de epicuristen ('leef in het verborgene') wezen daarom elk postje bij een beleidsmaker consequent af. Maar anderen, zoals Plato, Isocrates, Aristoteles en de stoïcijnen, zagen geen graten in een langer verblijf aan het hof en schreven belangrijke boeken vol goede raad voor de machthebbers in kwestie. Die filosofische traditie van 'vorstenspiegels' of handboeken voor een rechtvaardig politiek beleid gaat, aldus Dijkhuis, terug tot Xenophon, die op het scharnier van de vijfde en vierde eeuw nog in Perzische loondienst had gevochten voor koningszoon Cyrus. Hij maakte een Kyropaideia, waarin hij met Cyrus de Grote als voorbeeld liet zien hoe nazaat Cyrus junior zich als leider zou moeten gedragen. Xenophons opvoedkundig traktaat voor vorstelijk gebruik staat aan de wieg van talloze vorstenspiegels. Plato's De republiek en De wetten waren bestemd voor Siciliaans gebruik, maar ook Isocrates, Aristoteles, Theophrastos en Demetrios van Phaleron schreven in hun tijd bekende politieke handleidingen voor de machtigen: 'De dingen die de vrienden van de koningen hun niet durven aan te raden, staan geschreven in de boeken.' Dat dit persoonlijke en soms vrij kritische advies niet altijd werd geapprecieerd, is in het geval van Plato bekend. Dijkhuis beschrijft uitvoerig hoe diens al te voortvarende kijk op het staatsmanschap slecht uitpakte bij de tiran Dionysios in Syracuse. Die verkoos Aristippos, een concurrerende filosofische tafelgenoot van Plato, als favoriet en liet Plato als slaaf verkopen. Dijkhuis vertelt hoe de opvallende schoolvorming bij de Griekse sofisten, bij Plato (de Academie), bij Aristoteles (het Lyceum), bij Isocrates (school voor retorica) en bij Zenon (de Stoa) een gevolg was van de vraag van de machtigen naar politieke zingeving. Zeker in de vierde en derde eeuw voor Christus was de Griekse filosofie dus voor een belangrijk deel een kennisindustrie op maat van de staat, ook al reageerde het beleid soms vrij kribbig op de luis in de pels. Aristoteles, dé filosoof van het toenmalige establishment en opvoeder van Alexander, zou uiteindelijk ook in ongenade vallen bij zijn machtige pupil omdat Kallisthenes, een leerling van Aristoteles, volgens de Perzische mode niet wou neerknielen voor Alexander toen die zich in Babylon als opperheerser liet fêteren. Kortom, machtig zijn de Griekse filosofen niet echt geweest, maar veel invloed hebben ze wel uitgeoefend op de machtigen van hun tijd. Tot in de renaissance (denk maar aan Machiavelli) en het humanisme (zie Thomas More en Erasmus) bleef het stichtende voorbeeld van deze Griekse vorstenspiegels voortleven. Tot de handige communicatiejongens zich meester hebben gemaakt van de lucratieve adviesmarkt, zoals wij vandaag weten. Zij zouden er goed aan doen om het Griekse origineel eens van dichtbij te leren kennen en Dijkhuis ter hand te nemen. Het beleid kan er alleen maar wel bij varen. HANS DIJKHUIS, DE MACHTIGE FILOSOOF. EEN ANDERE GESCHIEDENIS VAN DE WIJSBEGEERTE, UITGEVERIJ BOOM, AMSTERDAM, 464 BLZ., 29,90 EURO.DOOR frank hellemans