Hugo Claus heeft vaak gezegd dat hij zich geen illusies maakt over zijn plaats in de literatuurgeschiedenis. 'Een paar gedichten, meer niet.' Dat geldt niet alleen voor Claus. Dezelfde schilderijen duiken steeds weer op. Van films herinnert men zich de 'klassieken'. Van dichters rest een handvol gedichten die steeds maar weer terugkeren, generatie na generatie.
...

Hugo Claus heeft vaak gezegd dat hij zich geen illusies maakt over zijn plaats in de literatuurgeschiedenis. 'Een paar gedichten, meer niet.' Dat geldt niet alleen voor Claus. Dezelfde schilderijen duiken steeds weer op. Van films herinnert men zich de 'klassieken'. Van dichters rest een handvol gedichten die steeds maar weer terugkeren, generatie na generatie. Dat geldt ook voor Paul van Ostaijen. Gedichtje van Sint Niklaas, Berceuse Nr 2, Boere-Charleston, Marc groet 's morgens de dingen, Huldegedicht aan Singer en met Melopee zijn we rond. Toch heeft hij indrukwekkender gedichten geschreven. Geologie, bijvoorbeeld. Nooit is achterhaald of het gedicht voor de bundel in wording Eerste Boek van Schmoll werd geschreven, dan wel of het een gedicht is dat al langer bestond maar nergens in paste. Na de dood van Van Ostaijen heeft Gaston Burssens al wat hij vond gebundeld en er de meest eenvoudige titel op geplakt: Nagelaten Gedichten. Ook Gerrit Borgers, de onvolprezen biograaf van Van Ostaijen, is vaag. Hij vernoemt het tussendoor, als hij dieper ingaat op het gedicht Mythos. Dat Geologie bij mij overkwam als een donderslag bij heldere hemel, ligt niet zozeer aan de muzikaliteit, de alliteraties of de herhalingstechniek, maar aan het ontbreken van de dichter als persoon. En toch voel je na herhaaldelijk lezen dat dit gedicht hét gedicht is waarin Van Ostaijen zijn gevoelens het sterkst heeft prijsgegeven. Het druipt van de nostalgie, de eenzaamheid, de wanhoop. Hij blijft - ondanks een kleine kring van fervente aanhangers - een vreemde, een eenzaat. Het leven valt hem zwaar als lood. Iedereen (uit het wereldje) kent hem, maar niemand begrijpt hem. Dat wordt al duidelijk bij de aanvang. Diepe zeeën omringen het eiland diepe blauwe zeeën omringen het eiland gij weet niet of het eiland van de sterren is daarboven gij weet niet of het eiland aan de aardas is diepe zeeën diepe blauwe zeeën dat het lood zinkt dat het lood zoekt dat het zinkend zoekt en zinkt zoekend zoekend zijn eigen zoeken Jammer dat we het niet helemaal kunnen afdrukken. Het is een meesterwerk, hoewel ik vermoed dat de meester toen hij het schreef moreel en financieel volkomen aan de grond zat. Zijn zwartste perioden waren Berlijn, waar hij van eind oktober 1918 tot eind mei 1921 woonde, en zijn verblijf in het sanatorium van Miavoye-Anthée in de Naamse Ardennen, waar hij op 18 maart 1932 overleed. Mijn lievelingsgedicht past niet in de stijl van Feesten van Angst en Pijn, een bundel die hij in Berlijn schreef. Het heeft veeleer de structuur van de gedichten uit de periode in het sanatorium. Daar greep hij terug naar de primitieve maar tedere poëzie van kinderen. Ze zijn licht van toon, maar gaandeweg worden ze zwaar. Van Ostaijen is vaak verweten een kloon van Guillaume Apollinaire te zijn. Het is waar dat hij alles over de Franse dichter heeft verslonden, maar zijn werk imiteren? Geenszins. Paul van Ostaijen was een origineel dichter, een prozaïst met een eigen snit en naad, een eigengereid essayist en een criticus met de scherpste pen van de twintigste eeuw. Nooit tevreden. Altijd zoekend. En wroetend met de retorische vraag, zoals ook blijkt uit Geologie: 'Wanneer vindt het blauwe lood / in de blauwe zee / de groene wier / en de koraalrif //' Een vraag die wij ons allen vroeg of laat stellen, de ene al wat poëtischer dan de andere.