In het begin der tijden reden God en Sint-Pieter in een kar gevuld met dorpen over de wereld. Hier en daar, op een kruising van twee wegen of aan de oever van een grote rivier, laadden ze er eentje uit, waarna ze hun reis vervolgden. Toen ze de Dender kruisten, die nog een klein stroompje was, botsten ze tegen een steen en per ongeluk viel Teralfene van de kar. Sint-Pieter haastte zich al van de bok, maar God maande hem te blijven zitten. "Het had eigenlijk naast Geel moeten liggen," sprak hij kalm, "maar laat het nu maar waar het is." Teralfene, zo wil deze kleine legende, is het dorp van de domoren. Voor de inwoners van de dorpen uit de buurt had de domheid daarmee een plaats gekregen. Daar, in dat dorp aan de Dender, daar wonen ze, en wij zijn de slimmen, was de onderliggende gedachtegang.
...

In het begin der tijden reden God en Sint-Pieter in een kar gevuld met dorpen over de wereld. Hier en daar, op een kruising van twee wegen of aan de oever van een grote rivier, laadden ze er eentje uit, waarna ze hun reis vervolgden. Toen ze de Dender kruisten, die nog een klein stroompje was, botsten ze tegen een steen en per ongeluk viel Teralfene van de kar. Sint-Pieter haastte zich al van de bok, maar God maande hem te blijven zitten. "Het had eigenlijk naast Geel moeten liggen," sprak hij kalm, "maar laat het nu maar waar het is." Teralfene, zo wil deze kleine legende, is het dorp van de domoren. Voor de inwoners van de dorpen uit de buurt had de domheid daarmee een plaats gekregen. Daar, in dat dorp aan de Dender, daar wonen ze, en wij zijn de slimmen, was de onderliggende gedachtegang. Volgens Matthijs van Boxsel, een man die zijn leven heeft opgeofferd aan de domheid, zien we hetzelfde fenomeen overal ter wereld: "Het leuke is dat ieder land een aantal domme plaatsen kent. In België ken ik er een stuk of honderd, in Nederland vijftig. Door de domheid een plaats te geven, wordt iedereen er voortdurend aan herinnerd dat onze hele cultuur op domheid berust. Het is anders dan een zondebok: daar laad je alle kwaad op en vervolgens stuur je hem de woestijn in. Domoren wil je juist in de buurt houden. Je koestert ze." Voor Van Boxsel begon het allemaal toen hij aan de universiteit Nederlands studeerde en een uit 1937 daterende uitgeschreven lezing van Robert Musil in handen kreeg: "Über die Dummheit". Het was het eerste boek dat een serieuze poging deed de domheid te analyseren. Musil bleek uit heel wat klassieke boeken over de domheid geput te hebben en Van Boxsel volgde in zijn spoor. Toen hij van de domheid zijn afstudeeronderwerp wilde maken, werd er nogal wat gegrinnikt. En zeker toen hij cum laude promoveerde - wat bij zijn promotor de opmerking losmaakte "Domheid is altijd je sterkste punt geweest" - lag zijn levenslot zo goed als vast. Hij zou een toonaangevende figuur worden in de wereld van de domheid. In 1986 verscheen een eerste, in eigen beheer uitgegeven deel van de "Encyclopedie van de domheid": een essayistische zoektocht naar een goede aanpak van het onderwerp. Hij wist toen eigenlijk nog niet wat domheid was. Deel twee volgde spoedig daarna: een vertaling van Musils redevoering en er kwam ook een derde deel over Flauberts aanpak van de domheid, waarvoor hij zijn brieven gebruikte. En toen ging het opeens mis. "Het vierde deel zou een topografie worden: een overzicht van alle domme plaatsen. Ik begon plaatsen te verzamelen en dacht dat ik binnen het half jaar wel klaar zou zijn, tot ik me de vraag begon te stellen waarom die steden eigenlijk dom heten. Zo stortte ik mezelf in grote ellende, want ik kon nergens een antwoord op die vraag vinden. Ik heb toen jaren gezocht en op een gegeven moment meende ik de sleutel tot dit wereldraadsel gevonden te hebben. Ik had een theorie van de domheid ontwikkeld waar geen speld tussen te krijgen was. Ik had die helemaal op één pagina opgeschreven, stap voor stap. Vervolgens ben ik die stappen allemaal gaan uitwerken, wat me zo'n twee jaar gekost heeft, en toen bleek ik de rode draad kwijt te zijn. Stuk voor stuk was het prima uitgewerkt. Iedere stap klopte, maar ik wist niet meer hoe ik van a tot z moest komen. Ik ben toen volledig ingestort. Ik had mijn eigen domheidspunt overschreden. Dat heb je met iedere routine: eerst is ze vruchtbaar en vervolgens keert ze zich opeens tegen zichzelf. Ik ben toen een jaar uit de running geweest."GIGANTISCH LUCHTKASTEELMaar nu is Van Boxsel terug: hij geeft veel lezingen. "Opvallend hoezeer het bedrijfsleven in mijn theorie over de domheid geïnteresseerd is", zegt hij in dit verband. Zopas is zijn boek "De encyclopedie van de domheid" verschenen, een filosofische essaybundel, en binnenkort start hij een collegereeks aan de universiteit van Groningen. "Domheid is de grondslag van onze cultuur", begint Van Boxsel de uiteenzetting van zijn theorie. "Het is datgene wat een mens van een dier onderscheidt. Daardoor is de mens gedwongen zijn intelligentie te ontwikkelen. Als hij die domheid niet had gehad, was er geen behoefte geweest aan intelligentie. Dan hadden we net als de dieren instincten gehad. Met domheid bedoel ik dan een onbewuste neiging tot zelfdestructie. De mens is bijvoorbeeld de enige diersoort die zo dom is om krijsend ter wereld te komen en daardoor zijn eigen leven op het spel te zetten, om maar te zwijgen over de paarsrode kleur en het feit dat hij dan niet eens kan lopen. En dit terwijl de meeste dieren meteen na de geboorte in stilte profiteren van hun schutkleuren en onder de struiken verdwijnen. Die domheid heeft ons gedwongen strategieën te ontwikkelen om daarmee in het reine te komen. Die strategieën hebben onze wereld bepaald: architectuur, mode, wetten, normen en waarden." "Waarom volgen wij bijvoorbeeld een regel of een wet? Wij denken dat we dit doen omdat de regel doelmatig is, maar dat is niet zo. Een regel wordt pas doelmatig als iedereen hem volgt. Er is dus geen rationele grond om die regel te volgen. Regels zijn in eerste instantie volstrekt irrationeel. De goede reden wordt pas geboren als we de regel al volgen. Er is kuddegedrag nodig om die regel doelmatig te maken, pas dan kunnen we gaan rationaliseren waarom die doelmatig is. Onze maatschappij is als een gigantisch luchtkasteel waarbinnen het prima gaat. Het luchtkasteel wordt in stand gehouden door een paar mooie theorieën en een zekere beschaving. Wie echter in de diepste kelders van onze cultuur gaat zoeken, komt alleen maar een luik tegen, en als je dat opentrekt, zie je de lucht. Het is zoals in de klassieke tekenfilmscène waarin de muis over de rand van de afgrond loopt en nog een tijdje in de lucht blijft hangen. Pas wanneer ze naar beneden kijkt, valt ze ook. Naar mijn idee is onze hele beschaving over de rand gegaan, van bij haar geboorte al. Wij houden ons staande door te denken."Hoe komt het dat er over goedheid, waarheid en schoonheid hele bibliotheken bij elkaar geschreven zijn, terwijl de domheid niet meer dan een honderdtal boeken heeft opgebracht?Matthijs van Boxsel: Omdat goedheid, waarheid en schoonheid utopische onderwerpen zijn. Zij prikkelen de verbeelding en zetten aan tot denken hoe het beter zou kunnen zijn, of hoe het eigenlijk zou moeten zijn. De meeste mensen worden door die gedachte gedreven wanneer ze een boek schrijven. Ze hebben het niet zo graag over de negatieve keerzijde van ons bestaan. Welbeschouwd is het aandeel van slechtheid, domheid en leugen in onze samenleving veel groter dan dit van waarheid, schoonheid en goedheid. Ik heb misschien geen zwart wereldbeeld, maar toch zeker een nuchter. Het leven is overigens een feest voor pessimisten, alles valt mee! Vandaar het belang dat u hecht aan de filosofie van Bernard Mandeville?Van Boxsel: In het kort komt zijn theorie erop neer dat ieder mens van geboorte behoefte heeft aan bevestiging. Ieder wil zijn eigendunk bevredigd zien. En daarvoor heeft hij anderen nodig. Maar als er nu iets is wat iemand in anderen haat, is het wel vertoon van trots. Eigendunk verhindert dus de bevrediging die eigendunk schenkt. Dat is de domheid. Daarom moet je een strategie ontwikkelen. Mandeville vindt die in het fatsoen: trots vinden in het verhullen van je trots. Het fatsoen kent kortom een duistere keerzijde: het wordt gevoed door eigendunk. En wie het nederigst is, is het meest egoïstisch. Ik ben dol op fatsoen. Ik ben sowieso dol op de kwaliteit van de middelen. Heel wat mensen staren zich blind op de kwaliteit van een doel. Zij proberen dan alle middelen in te zetten om dat doel te bereiken. Volgens mij is het stellen van doelen juist een groot gevaar voor onze samenleving: daar maak je elkaar het leven zuur mee. Van mij mag iedereen er best thuis een doel op na houden, in het publieke leven draait het om de kwaliteit van de middelen. Iemand moet vooral fatsoenlijk zijn. Daar draait onze beschaving uiteindelijk om, niet om mensen met prachtige idealen. Mijn boek wil laten zien dat je niet aan de domheid kunt ontsnappen. Je moet er op een creatieve manier mee omgaan. Als je dan toch moet falen, faal dan op een zo hoog mogelijk niveau; als je moet vallen, val dan zingend. Maak van je persoonlijke domheid een kleurrijke domheid. Vandaar dat mijn boek zo kleurrijk is: een mengeling van stripverhalen, filosofie, mooie plaatjes en citaten. Bovendien zeg ik niet dat wat ik verkondig de waarheid is. Ik steek mijn energie juist in het gelijk krijgen, niet in het gelijk hebben. Ik waardeer een idee niet omdat het waar is, maar omdat het mooi is. Mijn theorie is mooi, zonder dat ze per se waar hoeft te zijn. De esthetische kracht van gedachten wordt meestal onderschat.Domheid is dus geen gebrek aan intelligentie?Van Boxsel: Dat iedereen dit denkt, komt doordat het woord dom in vrijwel alle talen verwijst naar een zintuiglijk gebrek. In het Nederlands betekende het oorspronkelijk doof. Het woord stom heeft in dit opzicht nog steeds die dubbele betekenis van niet kunnen praten en kortzichtig zijn. Het zintuiglijk gebrek werd dan vertaald als een gebrek aan geestelijke kwaliteiten. Domheid is niet noodzakelijk een gebrek aan intelligentie. Neem nu Milosevic. Die man heeft een duidelijke neiging tot zelfdestructie. Alles wat hij heeft gedaan, moest vroeg of laat eindigen in een conflict. In dat opzicht is hij dom. Maar omdat hij tegelijkertijd intelligent is, weet hij steeds nieuwe strategieën te bedenken om het hoofd boven water te houden. Het gevaar ligt dus in die combinatie van domheid en intelligentie. Op politiek vlak lijkt een democratie een heel slim systeem te zijn. Toch is het volgens u op domheid gebaseerd.Van Boxsel: Het is een systeem dat op een slim gebruik van domheid berust. Als je domheid zoekt in een systeem moet je altijd naar het hoofd of het hart kijken. Het hoogtepunt van de democratie is de dag waarop het volk zich kan uitspreken: de verkiezingen. Dan draait het om alles behalve rationaliteit. Het weer heeft bijvoorbeeld een belangrijke invloed: hoe mooier, hoe linkser de uitslag, maar dat geldt alleen in landen met slecht weer. Noch bij de kiezers, noch bij de kandidaten gaat het om democratisch eergevoel. De kandidaten gaat het om macht, geld of een bevrediging van hun idealisme. De kiezer gaat het om zijn eigen portemonnee. Juist anarchistische overwegingen primeren dus. Maar wie de democratie zou willen rationaliseren, bijvoorbeeld door de kiezers een dag voor de verkiezingen een IQ-test voor te leggen om te controleren of ze wel intelligent genoeg zijn om de partijprogramma's te begrijpen, zou op een dictatuur van het intellect aansturen. Democratie bestaat bij de gratie van de irrationaliteit. Op de dag van de verkiezingen geven wij ons ordelijk bestel over aan de anarchie, en dat moet je durven. Tijdens die anarchie komt even de geheime waarheid van onze democratie aan het licht: mensen die uit eigenbelang bereid zijn elkaars hersens in te slaan, trekken plotseling allerlei retorische registers open om elkaars emoties te bespelen. Vandaar dat een koning noodzakelijk is in de democratie. De twee gevaren die de democratie bedreigen, zijn anarchie en dictatuur. Een schitterende fabel van Phaedrus gaat over kikkers in een moeras die gek worden van elkaars gekwaak. Daarom vragen zij aan Jupiter een koning, waarop deze een stuk hout in het moeras gooit. Eerst schrikken de kikkers zich rot, daarna kunnen ze alleen maar lachen. Een echte koning willen ze, waarop Jupiter een slang in het moeras gooit, die alle kikkers opvreet. De moraal van het verhaal: de democratie bestaat bij de gratie van een koning, op voorwaarde dat hij een knuppel is. En in dat opzicht is Willem Alexander dus veelbelovend, net zoals de Belgische prins Filip trouwens, of de Engelse prins Charles die naar verluidt tegen Camilla over de telefoon zei: "Ik wil je tampon zijn." De toekomst van Europa ziet er rooskleurig uit. Matthijs van Boxsel, "De encyclopedie van de domheid", Querido, Amsterdam, 184 blz., 1315 fr.Marnix Verplancke