Syria Street,de beruchte scheidingslijn tussen de alawitische wijk Jebel Mohsen en het soennitische Bab Al-Tabbaneh in de noordelijke stad Tripoli, lijkt op een oorlogszone. Overal zien we zwaar-bewapende militairen die de alawitische kant sinds een week hermetisch afsluiten voor buitenstaanders. De alawieten, een afsplitsing van de sjiieten, vormen een minderheid in Tripoli - zo'n 11 procent. Ze worden omringd door 80 procent soennieten in de eeuwenoude stad aan de Middellandse Zee. Het is half november, twee weken voor de recente beschietingen tussen beide wijken waarbij tien doden vielen. Vanmorgen zijn er 500 extra militairen in Tripoli aangekomen omdat de spanningen pijlsnel toenemen. De problemen tussen de rivaliserende wijken dateren al van de jaren tachtig, tijdens de burgeroorlog in Libanon (1975-1990), maar zijn het afgelopen jaar aangewakkerd door de oorlog in buurland Syrië. De alawieten in de wijk Jebel Mohsen steunen president Bashar Al-Assad, de soennieten in Tabbaneh kiezen de kant van de Syrische oppositie. In Tabbaneh kunnen we nog wel binnen zonder militaire toestemming. Zeher, een boom van een kerel, neemt ons mee in een geblindeerde Mercedes samen met twee vrienden, net als hij bewoners van Tabbaneh. Op de achterbank ligt een kalasjnikov. 'Helaas zijn die dingen nodig hier', zegt Zeher terwijl hij zijn jas opent en het handwapen in zijn binnenzak laat zien. Zeher is chauffeur van Misbah Ahdab, voormalig parlementslid en leider van de Civil Moderationpartij. Ahdab, een soenniet, woont al zijn hele leven in Tripoli en geeft straks een pers-conferentie over het toenemende geweld in de stad. Ook Zeher is geboren en getogen in Tripoli. 'Dit is mijn stad. Maar ik kan de wijk Jebel Mohsen niet in. Verboden terrein, veel te gevaarlijk. Het is enorm frustrerend, en het ergste is dat het nooit stopt. Tripoli heeft alles om massa's toeristen aan te trekken. Een historisch centrum, een prachtige kust... Maar de mensen blijven weg. Net als in Beiroet. We hadden een geweldige zomer kunnen hebben. Maar die is uitgedraaid in een nachtmerrie.' Hij doelt op de dubbele bomaanslag op twee soennitische moskeeën afgelopen augustus in Tripoli, waarbij 47 doden en honderden gewonden vielen.
...

Syria Street,de beruchte scheidingslijn tussen de alawitische wijk Jebel Mohsen en het soennitische Bab Al-Tabbaneh in de noordelijke stad Tripoli, lijkt op een oorlogszone. Overal zien we zwaar-bewapende militairen die de alawitische kant sinds een week hermetisch afsluiten voor buitenstaanders. De alawieten, een afsplitsing van de sjiieten, vormen een minderheid in Tripoli - zo'n 11 procent. Ze worden omringd door 80 procent soennieten in de eeuwenoude stad aan de Middellandse Zee. Het is half november, twee weken voor de recente beschietingen tussen beide wijken waarbij tien doden vielen. Vanmorgen zijn er 500 extra militairen in Tripoli aangekomen omdat de spanningen pijlsnel toenemen. De problemen tussen de rivaliserende wijken dateren al van de jaren tachtig, tijdens de burgeroorlog in Libanon (1975-1990), maar zijn het afgelopen jaar aangewakkerd door de oorlog in buurland Syrië. De alawieten in de wijk Jebel Mohsen steunen president Bashar Al-Assad, de soennieten in Tabbaneh kiezen de kant van de Syrische oppositie. In Tabbaneh kunnen we nog wel binnen zonder militaire toestemming. Zeher, een boom van een kerel, neemt ons mee in een geblindeerde Mercedes samen met twee vrienden, net als hij bewoners van Tabbaneh. Op de achterbank ligt een kalasjnikov. 'Helaas zijn die dingen nodig hier', zegt Zeher terwijl hij zijn jas opent en het handwapen in zijn binnenzak laat zien. Zeher is chauffeur van Misbah Ahdab, voormalig parlementslid en leider van de Civil Moderationpartij. Ahdab, een soenniet, woont al zijn hele leven in Tripoli en geeft straks een pers-conferentie over het toenemende geweld in de stad. Ook Zeher is geboren en getogen in Tripoli. 'Dit is mijn stad. Maar ik kan de wijk Jebel Mohsen niet in. Verboden terrein, veel te gevaarlijk. Het is enorm frustrerend, en het ergste is dat het nooit stopt. Tripoli heeft alles om massa's toeristen aan te trekken. Een historisch centrum, een prachtige kust... Maar de mensen blijven weg. Net als in Beiroet. We hadden een geweldige zomer kunnen hebben. Maar die is uitgedraaid in een nachtmerrie.' Hij doelt op de dubbele bomaanslag op twee soennitische moskeeën afgelopen augustus in Tripoli, waarbij 47 doden en honderden gewonden vielen. We laten de militairen achter ons en rijden de soennitische buurt binnen. Het eerste wat opvalt zijn de enorme posters van martelaren met wapens in hun handen, en van Saad Hariri, voormalig premier en leider van de soennitische gemeenschap - al zit hij sinds twee jaar in het buitenland. Midden in de wijk stappen we uit. 'Dit noemen ze de poort naar Tripoli', zegt Zeher trots, wijzend naar het schitterende uitzicht over de stad. Om de hoek ziet het er minder florissant uit. Via een sluipweggetje komen we aan bij wat Zeher de frontlijn noemt. We staan in een straat met appartementsblokken vol kogelgaten. Aan het eind van de straat begint de alawitische buurt. We horen de militairen patrouilleren. 'Langs de kant van de huizen blijven', waarschuwt Zeher. 'Als het leger hier vreemde-lingen ziet, worden ze meteen buitengesmeten.' In een verlaten huis staan we voor een gat in de muur vanwaaruit de soennieten schieten op de alawieten honderd meter verderop. De broer van Zeher is sluipschutter. Hij wijst naar een raam aan de overkant. 'Daar zitten hun snipers. We kennen elkaar, we weten tegen wie we vechten. Tegelijk hebben we ook een hoop vrienden onder de alawieten, we wonen tenslotte al jaren naast elkaar. Momenteel is het rustig, maar dat kan elk moment veranderen. Ineens gebeurt er iets en breekt de hel los. We schieten op elkaar met granaten, machinegeweren en alles wat we maar te pakken kunnen krijgen.' Toen het geweld in Tripoli in 1976 escaleerde, draaide het vooral om de steun aan de Syrische president Hafez Assad ofwel aan de Palestijnse leider Yasser Arafat. 'Het ging louter over politiek, met sektarisme had het toen nog niets te maken', zegt Moustafa Allouch, leider van deFuture Movement in Tripoli, de anti-Syrische coalitie in Libanon. 'Maar dat veranderde stilaan. Tegenwoordig is het een complexe mix van sektarische en politieke verschillen, en van criminele bendes die de kant kiezen van degene die hen het meeste betaalt. De oorlog in Syrië heeft dat verscherpt. In Libanon hebben we achttien officiële religies en minderheidsgroeperingen (soennieten en sjiieten vormen met ongeveer 60 procent de grootste groep, naast bijna 40 procent christenen, nvdr.), dat heeft altijd al spanningen veroorzaakt, vooral in de armste buurten van Tripoli. De aanwezigheid van het leger maakt geen enkel verschil, want het doet niets concreets. Feit is dat de alawitische minderheid in Tripoli in gevaar is. Het leger is absoluut in staat om de boel onder controle te houden. Het kan aan beide kanten wapens in beslag nemen en mensen arresteren. Maar de raketten en granaten vliegen nog altijd over en weer. Er gebeurt niets omdat Hezbollah dat niet wil, en een deel van het leger staat onder controle van Hezbollah. Het Syrische regime en Hezbollah beschermen de alawitische minderheid in Tripoli dus niet, ze gebruiken ze. Als slachtoffers van de "terroristische soennitische oppositie" passen ze perfect in de propaganda van Assad en Hezbollah.' Volgens Moustafa Allouch is de kans niet onbestaande dat de oorlog in Syrië overslaat naar Libanon. 'Wij zijn klaar voor een burgeroorlog - voorbereid bedoel ik. De soennieten in Libanon zijn het aanhoudende geweld tegen hen beu. Geweld van Hezbollah en het Syrische regime. Dat geldt evengoed voor de andere kant. De sjiieten lijden onder de wreedheden van de soennieten. De sektarische spoken uit het verleden zijn nog altijd springlevend.' Op het kantoor van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Tripoli proberen ze een ander gevolg van de Syrische oorlog in te dammen. Momenteel is één op de vijf inwoners van Libanon een Syrische vluchteling: ruim 1 miljoen Syriërs tegenover 4,1 miljoen Libanezen. Met andere woorden: het kleine Libanon dreigt uit zijn voegen te barsten. De overheid is totaal niet toegerust om alle vluchtelingen op te vangen, terwijl er dagelijks zo'n 3000 nieuwe bijkomen. De gigantische instroom brengt het land in zware problemen - sociaal, financieel en simpelweg qua ruimte. 'Het is overdonderend, maar we kunnen het hier nog aan', zegt Bob Beerens, een Gentenaar die we tegen het lijf lopen. Beerens werkt als registratie-officier bij de UNHCR. 'Per dag komen hier 800 mensen binnen, legaal. Daarnaast zijn er nog een heleboel onofficiële vluchtelingen. Wie geregistreerd is, krijgt een basisinkomen van on- geveer 22 euro per maand, naast voedselpakketten. We betalen in sommige gevallen ook de huur, voor alleenstaande moeders met vier kinderen bijvoorbeeld. De vluchtelingen komen uit heel Syrië: Homs, Hama, Aleppo, Idlib, Damascus... Degenen die geen geld hebben om iets te huren, slapen in oude gebouwen, verlaten woningen, ruwbouw, in tenten. Libanon zit tot de nok toe vol. We kunnen een deel van de problemen oplossen, maar er is een enorm tekort aan geld.' Volgens de UNHCR is er 1 miljard euro nodig; goed een derde daarvan zou inmiddels door de VN-lidstaten neergeteld zijn. Binnen in de opvanghal zit een koppel met een kindje uit Hama. Ze zijn ruim een jaar in Libanon en moeten hun registratie hernieuwen. 'Wij hebben geluk', zegt de man. 'Als automonteur heb ik genoeg werk. We kunnen een flat huren met twee slaapkamers voor 250 dollar. Dan houden we nog net genoeg over om van te leven. We scharrelen bij waar we kunnen, puur om te overleven. In Syrië was ik al maanden werkloos. Toen onze straat werd gebombardeerd, zijn we vertrokken. Mijn vrouw was zwanger, we wilden ons kind niet in gevaar brengen. Maar het leven is duur in Libanon. De prijzen rijzen de pan uit, door het grote aantal vluchtelingen. Huizen zijn drie, vier keer zo duur geworden, eten ook. Veel Syriërs hebben zich diep in de schulden gestoken om in Libanon te kunnen overleven. Wij ook, ik heb geleend van mijn familie. Degenen die het geluk hebben een job te vinden, werken vaak voor belachelijk lage lonen. Omdat ze niet anders kunnen, ze worden zwaar uitgebuit. Het béétje geld dat ze ver- dienen, delen ze met vluchtelingen die niets hebben.' De man zucht. 'We weten dat de Libanezen zich meer en meer ergeren. Godzijdank zijn de meesten nog altijd gastvrij. Maar het wordt steeds moeilijker, voor iedereen. Wij willen terug naar ons land zodra het kan, we zitten hier echt niet voor ons plezier en het laatste wat we willen, is profiteren. We hebben ook onze trots. Hoe denk je dat het voelt om in je buurland je hand te moeten ophouden, om een hele bevolking tot last te zijn?' De tolerantie tegenover de horden vluchtelingen wordt bij veel Libanezen zwaar op de proef gesteld. Hun geduld raakt op. De economie wankelt, ondanks het extra geld van de Syriërs voor de huur van land, huizen en tenten. Er is een tekort aan jobs, woonruimte en aan onderwijs. De Libanese overheid wil geen officiële vluchtelingenkampen installeren omdat ze denkt dat ze daarmee nog meer Syriërs zullen aantrekken. Waardoor er overal grote of kleinere zelfgebouwde tenten-kampen opduiken, midden op de velden, maar ook pal naast appartementsgebouwen. Overal waar een plekje vrij is. 'Ik hou het niet meer vol, ik moet mijn gezin terug naar mijn geboortedorp Hermel sturen omdat ik de huur niet meer kan betalen.' Miled is een sjiitische Libanees en woont samen met zijn vrouw Najat en hun vier kinderen in Nabaa, een van de armste wijken van Beiroet. Vooral in achterstandsbuurten als Nabaa groeit de onrust en ergernis over de Syrische instroom. De bevolking bestaat van oudsher uit een mengelmoes van nationaliteiten, religies en etniciteiten. Miled en zijn gezin zijn naar eigen zeggen volledig omringd door Syriërs die de wijk inpalmen. 'In deze buurt wonen nog vijf Libanese families, de rest zijn Syriërs.' Het huis van Miled en Najat is een vervallen appartement in een donkere straat. Aan het plafond vol gaten schijnt een peertje een armetierig straaltje licht in de woonkamer. 'We wonen hier al zeven jaar', vertelt Miled, mechanicus van beroep. 'Sinds juli dit jaar betalen we ineens drie keer zoveel huur, hij steeg van 100 naar 300 dollar per maand. Nu wil de eige-naar naar bijna 350 dollar gaan. Omdat er opnieuw een hele groep Syrische vluchtelingen in de buurt is komen wonen, gaat het hard. Niet dat de Syriërs zo rijk zijn, maar ze huren met twee of drie families één appartement en betalen de huur een jaar vooruit. Daar kan ik niet tegen op, net als een hoop andere Libanese gezinnen. Ik loop drie maanden achter met de huur. Zodra mijn vrouw en kinderen terug naar ons geboortedorp zijn, zal ik met een paar andere mannen een huis huren, dat is de enige manier.' Miled vindt het vreselijk voor de Syriërs, maar hij is ze liever kwijt dan rijk. Het is een reactie die we de afgelopen dagen vaak hebben gehoord. 'Ik kan de huur niet meer betalen omdat ik zeven maanden werkloos was. Ik werd ontslagen toen mijn werkgever een goedkope Syrische werkkracht had aangenomen. De Syriërs werken niet alleen voor een lager loon, maar ook in het zwart. De werkgever betaalt geen verzekering of sociale lasten voor hen. Die verrekte werkgevers buiten de Syriërs aan alle kanten uit, terwijl mensen als ik niet meer aan de bak kunnen. Gelukkig heb ik sinds een paar weken een baan bij een tapijtenhandelaar gevonden. Het was te nemen of te laten, voor mij 1000 anderen die goedkoper wilden werken. Ze betalen de Syriërs ongeveer hetzelfde als mij, maar als ik om vijf uur stop, werken de Syriërs door tot negen uur 's avonds. Van de 500 dollar die ik verdien, gaat bijna 350 op aan huur. Wat overblijft, is veel te weinig voor zes mensen.' In de uitgestrekte Bekaavallei, waar de meeste vluchtelingen een onder-komen zoeken, zit schooldirecteur Hisham met de handen in het haar. Zijn lagere school van 900 leerlingen in het dorpje Qab Elias heeft een wachtlijst van 700 Syrische kinderen. 'Van de 500 dollar die de VN jaarlijks per kind geeft, krijgt mijn school 100 dollar. Ik vraag me af waar de rest van het geld naartoe is. Nu ja, ik weet het wel: het verdwijnt in de zakken van de overheid, die is door en door corrupt. Het gevolg is dat ik uit geldgebrek geen tweede school kan openen, waardoor 700 kinderen in de kou staan. De enige oplossing is avondonderwijs - of beter: in de late namiddag.' De directeur windt zich op, slaat met zijn vuist op de kachel in zijn kantoor. 'Het probleem op zich is niet dat we ons land moeten delen, het probleem is dat de regering er niets aan doet. Hezbollah, deel van die regering, is de baas. En het kan Hezbollah niets schelen dat de vluchtelingen de soennitische gebieden in stromen. Laat die soennieten het maar onder elkaar uitvechten, denken ze. En als mensen als ik er iets van zeggen, vliegen we de gevangenis in of erger. Intussen zit ik hier met 700 wachtende kinderen. Die hebben ook recht op onderwijs. Ze zijn al getraumatiseerd genoeg, zonder onderwijs worden hun kansen nog kleiner.' Zo'n tien kilometer van de school vandaan huizen 75 Syrische families in een zelfgebouwd kamp. Hun tenten bestaan uit lappen, doeken en gigan-tische reclamespandoeken met vaak luxueuze producten - bizar en pijnlijk. Hier gaan maar heel weinig kinderen naar school. 'Te ver', zegt Halima uit de Ghouta-regio. 'We hebben geen vervoer en geen geld voor een bus of auto.' Ze nodigt ons uit in haar tent, de kou snijdt. 'De kou is onze grootste zorg nu. We hebben een klein beetje elektriciteit waarmee we kunnen verlichten en ons kookstel kunnen opwarmen.' Voor de tentmaterialen betaalde de familie bijna 300 dollar. De huur van de grond en de elektriciteit kosten hen 100 dollar per maand. Halima vluchtte met haar kinderen en zussen na een bombardement op haar huis. Haar man is dood, haar vader ook. De man van haar zus zit gevangen. 'Als we teruggaan naar Syrië, wacht er niets dan de dood', zegt ze stilletjes. 'We zijn halsoverkop ons land uit gevlucht, het enige wat we hadden waren de kleren die we droegen. Van een Deense ngo kregen we geld om deze tent te kopen. Anders had ik niet geweten waar we naartoe hadden, gemoeten. Per dag krijgen we ongeveer 15 dollar van de ngo. Soms werken we. De ene keer twee dagen per week, dan weer twee dagen per maand. We verkopen spullen op straat, gaan ergens schoonmaken of we werken op het land. Zo over-leven we. Als het hard regent, loopt de hele tent onder water en de kou begint nu al zwaar te worden. Maar alles is beter dan teruggaan naar de oorlog. Eerst maar eens zien hoe we de winter doorkomen, verder vooruit wil ik niet denken.'DOOR JOANIE DE RIJKE, FOTO'S JEROEN OERLEMANS'We kennen elkaar, we weten tegen wie we vechten. Tegelijk hebben we ook een hoop vrienden onder de alawieten: we wonen al jaren naast elkaar.' 'Wij willen terug naar ons land zodra het kan. We zitten hier echt niet voor ons plezier en het laatste wat we willen, is profiteren.'