De Belgen hebben hun frank opgegeven. Wat krijgen ze daarvoor in de plaats: een stabiele munt of een munt die in de onderste regionen van het monetaire spectrum blijft rondzwalpen?

Paul De Grauwe: Je moet een onderscheid maken tussen de interne en de externe stabiliteit van een munt. Interne stabiliteit heeft met de stabiliteit van de koopkracht te maken: met de euro, zoals vroeger met de frank, kun je jaar na jaar ongeveer hetzelfde pakket goederen en diensten kopen. Er is geen enkele reden om te denken dat de euro op dat vlak minder stabiel zal zijn dan de Belgische frank. Aan de andere kant is er de externe stabiliteit. Dan gaat het onder meer over de verhouding van de euro ten opzichte van de dollar. Die verhouding zal aan fluctuaties onderhevig blijven, zoals dat in het verleden ook met bijvoorbeeld de Duitse mark het geval was. Tussen 1980 en 1985 verloor de mark de helft van zijn waarde tegenover de dollar. Vanaf 1985 is dat gedurende een aantal jaren helemaal omgeslagen. Sinds het loslaten van de vaste wisselkoersen in 1971 zijn er altijd belangrijke schommelingen geweest. Dat zal met de euro niet anders zijn.
...

Paul De Grauwe: Je moet een onderscheid maken tussen de interne en de externe stabiliteit van een munt. Interne stabiliteit heeft met de stabiliteit van de koopkracht te maken: met de euro, zoals vroeger met de frank, kun je jaar na jaar ongeveer hetzelfde pakket goederen en diensten kopen. Er is geen enkele reden om te denken dat de euro op dat vlak minder stabiel zal zijn dan de Belgische frank. Aan de andere kant is er de externe stabiliteit. Dan gaat het onder meer over de verhouding van de euro ten opzichte van de dollar. Die verhouding zal aan fluctuaties onderhevig blijven, zoals dat in het verleden ook met bijvoorbeeld de Duitse mark het geval was. Tussen 1980 en 1985 verloor de mark de helft van zijn waarde tegenover de dollar. Vanaf 1985 is dat gedurende een aantal jaren helemaal omgeslagen. Sinds het loslaten van de vaste wisselkoersen in 1971 zijn er altijd belangrijke schommelingen geweest. Dat zal met de euro niet anders zijn. De Grauwe: De pensioenen zullen even waardevast zijn als vroeger. De Belgische frank heeft trouwens ook grote schommelingen ten opzichte van de dollar gekend. Maar externe schommelingen, die door speculatie op de wisselmarkten veroorzaakt worden, hebben weinig impact op de interne stabiliteit van een munt. De Grauwe: Dat klopt niet. De economische groei van een land wordt door andere dingen bepaald. De meest doorslaggevende factor voor economische groei is technologische vooruitgang, die tot een stijging van de productiviteit leidt. Technologische vooruitgang wordt dan weer bepaald door de kwaliteit van het menselijke kapitaal in een land. Hoe goed zijn de inwoners van een land in het aanwenden van wetenschap en techniek om nieuwe dingen te creëren? Dat heeft met de euro nauwelijks iets te maken. De Grauwe: Die stelling is overtrokken. Er wordt vaak gezegd dat er met de euro meer prijstransparantie komt, waardoor wij als consumenten de prijzen in de verschillende landen beter kunnen vergelijken. Maar wie zal dat in de praktijk ook doen? Voor wie vroeger geïnteresseerd was om in Italië een auto te kopen, was het waarschijnlijk geen onoverkomelijke barrière om met een rekenmachientje lires in Belgische franken om te zetten. Toch deden heel weinig mensen dat. En ze zullen dat nu ook niet doen, omdat er andere, belangrijkere redenen zijn waarom wij niet massaal auto's kopen in het buitenland. Denk aan de praktische obstakels en de administratieve rompslomp. Op de meeste markten zal de euro de concurrentie dus amper versterken. Behalve natuurlijk op de financiële markten, die nu al tot op zekere hoogte zijn geïntegreerd. De Grauwe: Op lange termijn wordt meer politieke integratie in Europa inderdaad onvermijdelijk. Want de Europese Centrale Bank (ECB), die veel macht heeft, dreigt in moeilijkheden te komen omdat een politieke tegenmacht op Europees vlak vandaag ontbreekt. De euro moet dus in een grotere politieke eenheid resulteren. Als de EU-lidstaten daar niet in slagen, zullen er binnen de Europese Monetaire Unie (EMU) ernstige wrijvingen ontstaan. Maar dat het gebrek aan politieke eenwording de verklaring is voor de zwakheid van de munt, betwijfel ik. De wisselmarkten worden vooral beïnvloed door psychologische factoren, die ook heel snel kunnen omslaan. Als de recessie in Amerika nog even aanhoudt, kan de euro weer gaan stijgen. De Grauwe: Stel dat een land in zware economische moeilijkheden geraakt, die het niet op eigen kracht te boven kan komen. Daartegenover staat de ECB, die een monetair beleid moet voeren dat het gemiddelde van de hele unie weerspiegelt. De bank kan geen rekening houden met wat er in één land gebeurt. Het probleem is dat er geen Europees mechanisme bestaat om eventuele verschillen tussen de lidstaten te compenseren. Als een regio in één land het minder goed doet, wordt in een gecentraliseerd budget normaal automatisch aan herverdeling van de inkomsten gedaan. In België gebeurt dat tussen Vlaanderen en Wallonië. We vinden dat in Vlaanderen niet altijd even leuk, maar dat is nu eenmaal het spel van een muntunie. Het centrale budget functioneert als een soort regionaal verzekeringssysteem dat de boel samenhoudt. Dat ontbreekt volledig in Europa en dat kan de EMU op termijn zuur opbreken. Het valt alleen te verhelpen door naast de muntunie een politieke structuur met een eigen budget te plaatsen. Maar op dit moment is de politieke wil daarvoor niet aanwezig. Welk land wil er nu meer middelen aan de EU afstaan? De Grauwe: Dat is dezelfde kritiek die de anti-globalisten op de mondialisering hebben. Hun redenering luidt ook dat door de toenemende concurrentiedruk landen met een sterk sociaal stelsel gedwongen zullen worden om dat af te bouwen. Want een goed ontwikkelde sociale zekerheid is duur en vermindert dus de concurrentiekracht. Sterkere mededinging zal volgens critici aanleiding geven tot de zogenaamde race tot the bottom, een nivellering naar beneden. Ik geloof daar niet in. Ik heb het verband onderzocht tussen het concurrentievermogen van landen en hun sociale uitgaven. Merkwaardig genoeg levert dat een positieve relatie op. De Scandinavische landen, bijvoorbeeld, hebben erg hoge sociale uitgaven, maar zijn tegelijk heel concurrentieel. Het paradoxale is dat mensen in die landen vaak méér risico's durven te nemen, juist omdat er een sociaal vangnet bestaat. De Grauwe: Daarom sta ik ook kritisch tegenover het stabiliteitspact. De EMU-landen zouden de flexibiliteit die in dat pact is vervat tijdens een recessie ten volle moeten kunnen benutten. Het pact zegt dat het begrotingsdeficit van een land niet boven 3 procent van het BBP mag uitkomen. Laten we die marge in tijden van recessie exploiteren. De meeste landen zijn op dat vlak té terughoudend, omdat ze bang zijn van de Europese Commissie die bij elk procentje tekort moord en brand schreeuwt. De Grauwe: De ECB zit wat met zichzelf in de knoop. Ze wil absoluut bewijzen dat ze een stabiele munt _ dus een munt met een lage inflatie _ kan creëren. Met de Duitse mark als grote voorbeeld. Maar de doelstelling voor de inflatie is te hoog gegrepen. Voor de ECB mag de inflatie niet meer dan 2 procent bedragen. Met tot gevolg dat de ECB systematisch te laat komt om de economie wat te stimuleren. De Amerikaanse centrale bank reageert veel sneller, omdat ze minder door inflatiepercentages geobsedeerd is. Of wij nu 2 of 2,5 procent inflatie hebben, wat maakt het uit? Wat we wel zien, is dat de economische groei van 4 procent begin 2000 tot ongeveer nul is teruggevallen. De ECB moet dus leren soepeler met inflatiecijfers om te gaan. De Grauwe: Daar moeten we ons niet te veel van aantrekken. De Grauwe: Dat is psychologie. Een zwakke munt heeft meer goede dan minder goede kanten. De goede kant is dat de economie door de zwakke euro vanaf 1999 een extra stimulans heeft gekregen. Dat heeft voor een groei van de export gezorgd en heeft veel mensen gelukkig gemaakt. Een zwakke euro is niets om droevig over te zijn. Het was daarentegen een goede zaak voor Europa. De Grauwe: Sinds het opheffen van de vaste wisselkoersen aan het begin van de jaren zeventig hebben we in Europa ondervonden dat we niet in staat zijn om de wisselkoersen stabiel te houden. We hebben dat tussen 1979 en 1993 met het Europees Monetair Stelsel (EMS) geprobeerd en het is faliekant afgelopen. In een wereld van almaar grotere financiële integratie blijkt het onmogelijk om de wisselkoersen echt te stabiliseren. Na verloop van tijd ontstaan er grote speculatieve bewegingen, die devaluaties en crisissen met zich meebrengen. Zulke crisissen dreigden de hele Europese constructie in gevaar te brengen. Toen in 1993 de peseta en de lire met 20 tot 25 procent devalueerden, voelden andere landen dat als onfaire concurrentie aan. Om de Europese eenmaking veilig te stellen, moesten die onstabiele wisselkoersen uit de wereld geholpen worden. Daarvoor was er maar één oplossing: de wisselkoersen uitschakelen door middel van een muntunie. Han Renard'De euro moet in een grotere politieke eenheid resulteren.'