Voor de hervorming van de lerarenopleiding ('Het pad naar de goede leraar', Knack nr.7) wacht minister Marleen Vanderpoorten nu met een ontwerp van decreet tot in mei. Ze heeft geen zin om in de komende verkiezingscampagne opnieuw een schietschijf te worden. Ja, wat wil je, als je het onderwijs'beleid' aanpakt en uitspraken doet zoals zij dat doet.
...

Voor de hervorming van de lerarenopleiding ('Het pad naar de goede leraar', Knack nr.7) wacht minister Marleen Vanderpoorten nu met een ontwerp van decreet tot in mei. Ze heeft geen zin om in de komende verkiezingscampagne opnieuw een schietschijf te worden. Ja, wat wil je, als je het onderwijs'beleid' aanpakt en uitspraken doet zoals zij dat doet. Eén. Wat heeft ze toch met die zo geprezen zelfde basiscomponent voor alle (sic!) lerarenopleidingen? Terwijl een effectieve praktijkgerichtheid net differentiatie impliceert vanaf het begin van de opleiding. Wil ze weer de farce van de oude 'gemeenschappelijkheid' (Decreet lerarenopleiding 1996) op de hogescholen loslaten? Hogescholen zijn zelf nu al wijs genoeg om studenten die een tweede lerarendiploma willen behalen efficiënt voort te helpen op basis van hun voorgeschiedenis. Twee. Als zou blijken (cijfers daarover zijn onbekend) dat licentiaten in plaats van voor een aggregatieopleiding kiezen voor een GPB-opleiding als gemakkelijkheidsoplossing, dan moet de minister dat verhinderen, want die praktijk zou haaks staan op de terecht benadrukte kwaliteit. Drie. Het zogeheten beleidsevaluatierapport met betrekking tot de lerarenopleidingen (najaar 2001), waar de minister graag naar verwijst, deed helemaal geen recht aan een aantal krachtige lerarenopleidingen secundair onderwijs groep 1. De minister pleegt dat te vergeten met haar ongenuanceerde uitspraken à la 'in de basis- en secundaire scholen is er te veel kritiek op de lerarenopleiding om te denken dat er niets aan de hand is'. Geen enkele lerarenopleider zegt dat er niets aan de hand is. Een instroom van jongeren uit het BSO in bepaalde lerarenopleidingen is in de meeste gevallen geen verrijking. Vier. Eerst de hogescholen financieel droogzetten zodat de lerarenopleidingen noodgedwongen moeten besparen op leerrijke stagebezoeken en dan de opleiders beschuldigen van te weinig contact met het onderwijs, is niet erg koosjer, toch? Vijf. De minister, én een bepaalde groep met haar, verwacht een overdreven en soms wat naïef heil van de inschakeling van praktijklectoren in de lerarenopleiding. Veel te gemakkelijk doet de minister alsof in een geïntegreerde lerarenopleiding 'theorie' en 'praktijk' twee verschillende werelden zijn, waarbij men onderwijsactiviteiten straffeloos en naar hartenlust maar kan verkavelen over verschillende mensen. Ik geloof veel meer in een lerarenopleider die zelf grotendeels voor die broodnodige afstemming kan zorgen, maar wel onder deze voorwaarden: (1) hij moet daarvoor voldoende en fysiek aanwezig kunnen zijn in de scholen zelf, want dat is een diepe leerervaring (en die wás er in het verleden) en (2) hij moet daarbij aan networking kunnen doen met 'bevoorrechte' getuigen in dat werkveld, die inderdaad op allerlei manieren zinvol ingeschakeld kunnen worden in de lerarenopleiding. Zo'n aanpak is iets anders dan de verborgen (?) agenda van de minister om die 'dure' lerarenopleiders zoveel mogelijk te vervangen door 'goedkope' praktijklectoren. Zelf heb ik een netwerkje van zulke bevoorrechte getuigen in het middelbaar onderwijs, maar vaak wordt dat verstoord door bepaalde, didactische ervaringen met andere zogenaamde praktijkmensen. Dat heeft hiermee te maken: een goede mentorenopleiding voor die mensen ontbreekt of als ze bestaat, bereikt men er slechts enkele - toegegeven: geëngageerde - leraren mee. Laat de minister ook niet zeggen dat zulk mentorschap een interessante, want niet te zware, loopbaanmogelijkheid is voor 'uitbollende' leraren: innovatief ingesteld, professioneel gevormd voor de opdracht en geëngageerd, dát heeft het onderwijs nodig en dus niet het heilige huisje van de 25, 30 jaar anciënniteit. Zes. Waar blijft de minister, ondanks haar retoriek ter zake, met de nodige middelen voor die mentoren? Het beleidsevaluatierapport met betrekking tot de lerarenopleidingen stelde het expliciet: een goede mentorenbijdrage staat of valt met een decente financiële regeling. Zeven. Hopelijk houdt de minister uiteindelijk rekening met het goede standpunt van de Vlaamse Onderwijsraad (d.d. 17 dec. 2002) (en andere betrokkenen) over dit verhaal vooraleer ze een ontwerpdecreet indient. Maar ja, we weten al langer dat haar luisterbereidheid erg selectief is. Wilfried Van Rompaey, Adviseur onderwijs CEDER - Studiedienst van CD&V.