De Eerste Wereldoorlog was nog niet ten einde of George Grosz - nauwelijks 25 jaar - had zijn eerste vlijmscherpe parodieën op staat en vaderland al op doek staan. Zijn schilderijen tonen pastoors, generaals en professoren en op de achtergrond een chaos van kerken, bordelen, bedrijven, kazernes en appartementsgebouwen. Alles door elkaar, de aarde beeft. In het midden een reserveofficier, de eeuwige Duitse burger, een glas bier en een gevuld bord voor zijn kale, vette kop. De vleesgewo...

De Eerste Wereldoorlog was nog niet ten einde of George Grosz - nauwelijks 25 jaar - had zijn eerste vlijmscherpe parodieën op staat en vaderland al op doek staan. Zijn schilderijen tonen pastoors, generaals en professoren en op de achtergrond een chaos van kerken, bordelen, bedrijven, kazernes en appartementsgebouwen. Alles door elkaar, de aarde beeft. In het midden een reserveofficier, de eeuwige Duitse burger, een glas bier en een gevuld bord voor zijn kale, vette kop. De vleesgeworden domheid die zich van geen wanorde of kwaad bewust is. Zolang bord en glas gevuld zijn, kan niets de gewetensrust verstoren. Met die vernietigende kritiek op de elite die het land in de oorlog stortte, bekende Grosz van in het begin kleur. Hij deed dat al in 1914, toen hij veel creativiteit aan de dag legde om aan de mobilisatie te ontsnappen. De oorlogseuforie was aan hem niet besteed. Al in 1916 wou Grosz naar Amerika emigreren. "Hoe wondermooi is het", zo schrijft hij een vriend, "om vandaag in Duitsland te leven. De hele wereld haat ons. Gelukkig heeft ons wonderlijke Pruisenland zo'n prachtige militairen. Hen is het toevertrouwd om het zaad van de cultuur in de landen te strooien die we eerst moeten vernietigen." Toch bleef Grosz in Berlijn en zijn sarcasme werd steeds bijtender. Hij hield het trouwens niet bij woorden en schilderijen. Met John Hartfield was hij de drijvende kracht achter de Eerste Internationale Dadamesse in Berlijn. Hij zette zich in voor de Spartacus-beweging, moest enige tijd onderduiken en sloot in 1919 bij de communistische partij aan. SPD-leider Friedrich Ebert moest het in vele prenten ontgelden, omwille van zijn verraad aan de revolutie en zijn alliantie met de militairen. Voor Grosz was de Weimarrepubliek één groot bedrog. In 1926 schilderde hij zijn meest geruchtmakende allegorie van Weimar: "Stützen der Gesellschaft". Achter een jurist, een journalist met een nachtpo op zijn kop en een sociaal-democraat met een drol in zijn hoofd, waken de militairen over de orde. Ze kijken naar rechts. De knokploegen aan de linkerkant mogen ongestoord moorden en gebouwen platbranden. Tot driemaal toe werd Grosz veroordeeld. Hij beledigde de Reichswehr, maakte zich schuldig aan porno en werd n 1930 voor godslastering aangeklaagd. In 1933, achttien dagen voor Hitler aan de macht kwam, vertrok Grosz naar de Verenigde Staten en in 1937 kreeg hij een prominente plaats op de nazi-tentoonstelling "Entartete Kunst". Pas in 1958 keerde hij terug naar Berlijn. Zes weken later vond hij de dood bij een verkeersongeval. Paul Goossens