Er was wellicht niemand die meer titels had dan Jozef II: rooms keizer, koning, prins, aartshertog, hertog en ga zo nog maar even door. Hij was de vorst van meer dan twintig miljoen mensen en zijn lappendeken van een rijk strekte zich uit over Centraal-Europa, Italië, Duitsland en een deel van het huidige België en Luxemburg. Grote stukken daarvan maakten alleen in naam deel uit van het keizerrijk en vielen uiteen in hertogdommen en heerlijkheden. Een onontwarbaar kluwen van besturen, rechtbanken, vrijheden en privilegies.
...

Er was wellicht niemand die meer titels had dan Jozef II: rooms keizer, koning, prins, aartshertog, hertog en ga zo nog maar even door. Hij was de vorst van meer dan twintig miljoen mensen en zijn lappendeken van een rijk strekte zich uit over Centraal-Europa, Italië, Duitsland en een deel van het huidige België en Luxemburg. Grote stukken daarvan maakten alleen in naam deel uit van het keizerrijk en vielen uiteen in hertogdommen en heerlijkheden. Een onontwarbaar kluwen van besturen, rechtbanken, vrijheden en privilegies. Jozef II had dat rijk geërfd van zijn moeder, keizerin Maria Theresia, die in Wenen vanuit haar imposante bed (ze was zestien keer zwanger) behoedzaam enkele moderniseringen had doorgevoerd. Maar niet in de Zuidelijke Nederlanden, die zoveel opbrachten voor de schatkist. Eigenlijk wilden de Weense keizers dat verre landje helemaal niet. Maria Theresia koesterde ooit al plannen om er een apart koninkrijk van te maken en Jozef zelf was bereid het te ruilen voor het zoveel aantrekkelijker en dichterbij gelegen keurvorstendom Beieren. Maar daar kwam niets van. Jozef II raakte van z'n Nederlanden niet af. Die waren pas in 1713 na de zoveelste oorlog de Oostenrijkers weer in de schoot gevallen, pasmunt in het nieuwe evenwicht tussen de grote mogendheden. De Engelsen, de Hollanders en de Fransen keerden bijgevolg huiswaarts en in hun plaats kwamen de Oostenrijkers. Wel bleven in een fortengordel aan de grens met Frankrijk zo'n 12.000 Hollandse soldaten gelegerd. Die moesten op onze kosten de Fransen tegenhouden, maar dat bleek geld over de balk gegooid: in 1744 walsten de Fransen over die barrièresteden heen en bezetten de Zuidelijke Nederlanden. Vier jaar later werden de Zuidelijke Nederlanden opnieuw Oostenrijks en kwamen de Hollandse garnizoenen terug. Ondertussen was Frankrijk een bondgenoot van Habsburg geworden, wat bezegeld werd in het huwelijk tussen Lodewijk XVI en Marie-Antoinette, zus van Jozef II. De Hollandse troepen bleven vanuit hun versterkingen de grens afturen, al wist iedereen dat er met Frankrijk geen oorlog zou komen. Geen wonder dat de streekbewoners zich geregeld van de forten bedienden als afhaalzaak voor bouwmaterialen. En nu zou de keizer dus komen. Jozef II was 39 jaar oud en sprookjes hoefde je hem niet meer te vertellen. Hij had de mensen en het leven leren kennen en er zijn conclusies uit getrokken. Sinds de dood van zijn dochtertje was alle vreugde uit het leven van de tweevoudige weduwnaar verdwenen. Hij was pas 24 toen hem de keizersmantel om de schouders werd gehangen. Maar moeder Maria Theresia hield alle staatszaken in handen, zodat Jozef de tijd had om grote reizen te maken in de Habsburgse landen en daarbuiten. Zijn moeder vond dat maar niks, en noemde hem een gevaarlijke revolutionair. Jozef had de ideeën van de filosofen over de ideale staat gelezen én begrepen. Op zijn reizen had hij de armoede en de ongelijkheid gezien. Hij haatte de leegloperij en de luxe van de hovelingen in Wenen en de notabelen in alle rijksdelen. Het sterkte hem in zijn mening dat het 'de taak en de plicht van een vorst was om de toestand ter plaatse te gaan bekijken'. Behalve dan in de Nederlanden. Want hij had de grootste hekel aan zijn oom Karel van Lotharingen, landvoogd in de Nederlanden. Pas toen die intellectuele laagvlieger en bon-vivant in 1780 stierf, zag de keizer een bezoek wel zitten. Hij bereidde zich goed voor en wist dat hervormingen moeilijk zouden zijn. Er waren immers heel wat onlusten geweest als reactie op vroegere moderniseringspogingen. De dekens van Brussel hadden het in 1719 zo bont gemaakt bij de verdediging van hun privilegies dat ze waren verbannen. En de oude leider van de opstand, de gildendeken Frans Anneessens, was onthoofd. De Nederlanden waren voor Jozef die 'aristocratische staat van grondbezitters, prelaten en rijke burgers', die alles onder elkaar bedisselden: wetten maken, rechters benoemen, politie organiseren, belastingen innen (waarvan ze een deel doorstortten aan Wenen). Zo'n selecte club van geprivilegieerden was Jozef een doorn in het oog. Zijn reis zou de opmaat worden voor grootse hervormingen. In de Nederlanden waren ze zich ondertussen van geen kwaad bewust en werd druk vergaderd over feestbanketten en luisterrijke ontvangsten voor de keizer. Maar Jozef II verbood alle officiële vieringen en plechtige ontvangsten. De blijde intredes en de eed op de privilegies bleven voorbehouden aan de nieuwe landvoogden, zijn zus Marie-Christine en haar man Albrecht van Saksen-Tesschen. Op 5 juni 1781 arriveerde hij om halfzes 's morgens in Namen, net toen de stadspoorten opengingen. De poortwachter herkende de keizer niet en de notabelen sliepen nog. Zo ging het overal: de incognito verplaatsingen van de matineuze Jozef brachten overal het protocol in de war. In Menen werd hij om zes uur 's morgens door het stadsbestuur ontvangen. In Brussel joeg een schildwacht hem weg toen hij om halfvijf het hek van het Warandepark probeerde open te wrikken. Dat park, met in het ontwerp de passer van de vrijmetselaarsloge, vond hij protserig en smakeloos. Op de loge, die toen nog vol prelaten zat, had hij het trouwens niet begrepen. Geheime genootschappen en contemplatieve kloosters hoorden volgens hem niet in een modelstaat thuis. De loge kreeg beperkingen opgelegd, de contemplatieve kloosters werden afgeschaft. De opbrengst van hun eigendommen diende voor de armenzorg en de betaling van parochiepriesters, die in 's keizers ogen wel maatschappelijk nuttig waren. En natuurlijk ook voor het nieuwe groot seminarie in Leuven, waar die priesters zouden worden opgeleid. In Leuven bezocht Jozef II de universiteit, en erg enthousiast was hij niet. De rector mocht zijn welkomstrede niet eens afwerken: de keizer wou z'n tijd nuttig doorbrengen, bijvoorbeeld door klachten aan te horen. Net als overal had hij in Leuven laten omroepen dat iedereen die een klacht had, die kon melden. Allerhande rekwesten kreeg hij in handen gestopt. Een Leuvenaar klaagde erover dat al wie ja of nee kon zeggen in het Latijn, blijkbaar bij de universiteit hoorde en dus vrijgesteld was van heffingen en belastingen. Berucht was het taxfree shoppen in de bierkelder onder de universiteitsbibliotheek op de Oude Markt. De opbrengst van de tap ging naar de bibliotheek. De aangroei van de collectie liep dus evenredig met het drankverbruik en daar hadden studenten en professoren wel iets voor over. Maar andere herbergiers waren niet te spreken over die ondergrondse concurrentie. De keizer en de universiteit raakten in de daaropvolgende jaren nog meer in onmin. Jozefs moeder was al begonnen met de onderwerping van de universiteit aan het centrale gezag, maar hijzelf stuurde regelrecht op een confrontatie aan. In 1788 besloot hij bijna alle faculteiten naar Brussel over te hevelen. Maar door de opstand kwam daar niets van terecht. De rekwesten aan de keizer zijn boeiende lectuur. Jozef II kreeg er zo'n 3500 en hij las ze allemaal. Als ze aandacht verdienden, gaf de keizer ze een code A mee, waarna de lokale besturen ze verder moesten opvolgen. De meeste vragen hielden verband met armoede, analfabetisme en werkloosheid. In Brussel waren 6000 armen op een bevolking van 74.000. Antwerpen spande de kroon. De stad vroeg om alle vreemdelingen eruit te mogen zetten omdat ze voor het eigen volk al niet genoeg had: een op de drie Antwerpenaren leefde 'van den arme' en dat zou niet veranderen zolang de Schelde gesloten bleef. De keizer wilde die Schelde wel open, maar makkelijk ging het niet. In 1783 probeerde hij, na mislukte onderhandelingen, de doorvaart te forceren. De Hollanders openden het vuur en één hunner kanonballen belandde in de keizerlijke soepketel. Dat was meteen het einde van de Keteloorlog. De Schelde bleef dicht en Antwerpen arm. Veel wist men in die tijd niet aan te vangen met de armen. Vaak werden ze opgesloten als misdadigers. Een modern man als Vilain XIIII ging daar niet mee akkoord. In zijn nieuwe tuchthuizen werden misdadigers en bedelaars van elkaar gescheiden. De gevangenen hadden eenpersoonscellen waar ze konden werken. Goed toch? Niet volgens de keizer, die meteen de verplichte arbeid afschafte. Jozef had wel plannen voor de tewerkstelling. Werklozen konden straten en pleinen schoonmaken of op het platteland worden ingezet. En hun kinderen moesten een opleiding krijgen. Bedelaars- en roversbenden moesten dan weer hard worden aangepakt. Op het platteland was de armoede nog erger. De adellijke en kerkelijke grondbezitters wentelden alle belastingen op de boeren af en gaven zelf handenvol geld uit. Jozef had al in 1775 in Bohemen gezien dat radeloze armoede tot revolte leidde. Hij had zelfs persoonlijk ingegrepen omdat de grootgrondbezitters hun boeren veel te hard aanpakten. Sindsdien zag hij zichzelf als de beschermer van de arme boeren, en van lieverlee gingen adel en Kerk hem als de vijand beschouwen. Dat lag anders bij zijn moeder. Die was er juist dankzij de goede relaties met de adel en de abdijen in geslaagd nieuwe gronden te laten ontginnen. Toch bleef de landbouwgrond in Vlaanderen schaars. Boerderijen waren vaak nauwelijks één hectare groot, landbouwers beschikten niet over paard, ploeg of kar. Vele boeren probeerden als losse landarbeiders te overleven. Zij zouden later de reserve aan arbeidskrachten vormen voor de industriële omwenteling. Nee, de armoede had de Vlaamse boer niet aan zichzelf te wijten. Die was in heel Europa beroemd voor z'n creatieve overlevingskunst. Ingenieuze meststoffen ? beer en afval uit de steden ? maakten zelfs arme gronden vruchtbaar. Nieuwe teelten ? aardappelen en tabak ? waren voor vele kleine boeren de redding. Zij leverden ook koolzaad voor de olieslagerijen, kemp voor de touwslagerijen, hop voor de brouwerijen in de steden. Veel daarvan was door Maria Theresia met staatssubsidies in gang gezet. Jozef II had in Wenen ongetwijfeld gehoord hoe hier in de voorbije decennia epidemieën onder het grootvee waren bestreden. Met brandstapels van kadavers, mest, besmet stro en hooi hadden hier toen de eerste preventieve massaslachtingen plaatsgevonden. De vergoeding had de schatkist hopen geld gekost. Maar hoe ingenieus en ijverig ook, de boeren verarmden. Alleen de eigenaars profiteerden van het verhoogde rendement van de gronden. En omdat adel en Kerk ook de wetten maakten, was daar haast niets tegen te beginnen. Al zou Jozef het proberen: de lijfeigenschap werd afgeschaft en in onze streken werden de boeren vrijgesteld van middeleeuwse karweien en betaling van alle mogelijke rechten aan hun grondheren ? die overigens tot in Wenen gingen klagen. De keizer moet wel geschrokken zijn van de zelfzucht van de standen en steden. En wat hij ook deed, altijd was er iemand ontevreden. De een vroeg protectionistische maatregelen, de ander wou vrijhandel. Zo klaagden de brouwers van Henegouwen over de steenkoolprijs. Engelse steenkool kwam het land niet meer in door de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, dat de Amerikanen in hun vrijheidsstrijd steunde. En daarom voerden de Henegouwse mijnen hun steenkool uit naar Frankrijk en stegen thuis de prijzen. Wilde de keizer dat verbieden? De Nieuwpoortse vissers vroegen en kregen het verbod op de invoer van door buitenlanders gevangen kabeljauw. Oostende kreeg een mooie toekomst voorgespiegeld als keizerlijke vrijhaven, een soort Trieste aan de Noordzee. Daar had de keizer natuurlijk wel iets goed te maken, na het failliet van de Oostendse Compagnie. De stad bloeide in die jaren op en dat was deels te danken aan de sinds 1765 met staatssubsidies gevestigde oesterkwekerijen en zoutziederijen. In Brugge werd de keizer uitbundig ontvangen en geprezen, tot ze daar vernamen welke voordelen Oostende als vrijhaven in de wacht had gesleept. En overal waren er klachten over de Hollandse garnizoenen in hun fortengordel. Die barrièresteden ergerden de keizer mateloos. De Nederlanden waren deel van een modern keizerrijk en dus niet langer een tweederangsbufferstaat waar de Hollanders zomaar doorheen konden lopen. Hij wist dat de Hollanders hun garnizoenen en bevoorrading enkel gebruikten om tolvrij goederen naar het zuiden te brengen en op die manier de Nederlanden economisch te ontwrichten. Jozef II liet dat ongenoegen ook duidelijk blijken: in Dendermonde groette hij het Oostenrijkse garnizoen, maar negeerde ostentatief de Hollandse soldaten die hem stonden op te wachten. Het moet hem hoog hebben gezeten: in 1782 kreeg hij ze eindelijk weg. De laatste weken van zijn verblijf in de Nederlanden bracht Jozef in Brussel door. Hier kon hij zich uitgebreid ergeren aan de luxe in het nagelnieuwe paleis van zijn oom Karel van Lotharingen en aan alle prestigeprojecten in de directe omgeving. Dat de ruïnes na de paleisbrand van 1731 na veertig jaar eindelijk opgeruimd werden, was uiteraard positief. Maar het prestigieuze plan dat Barnabé Guimard voor het Lotharingenplein ? nu Koningsplein ? had ontworpen, vond hij te duur en daarbij nutteloos en smakeloos. De regering had voor de financiering van het project een beroep moeten doen op rijke prelaten zoals de abt van Grimbergen en die van Sint-Jacob-op-de-Coudenberg, die er een flinke financiële kater aan hadden overgehouden. Tot de geldschieters behoorde natuurlijk ook de onvermijdelijke gilde der brouwers. Die hadden na de vernietiging van de Grote Markt in 1695 door de Fransen het meest prestigieuze gebouw van de hele wederopbouw neergepoot. De brouwers draaiden mee met elke wind en hadden bij Karel van Lotharingen, bijgenaamd 'de vreugd van 't Nederland', een wit voetje gehaald door een beeld van hem boven op hun Brouwershuis te hijsen. Ter vervanging van zijn voorganger, de Spaanse landvoogd. Die mannen zouden wie dan ook in de kont kruipen om hun macht in de stad en hun privileges te behouden. Het was eigenlijk ongelooflijk dat de gilden, die hun economische betekenis al lang verloren hadden aan het platteland en de kleine steden, toch hun maatschappelijke positie en politieke macht hadden weten te behouden. Jozef II zou lang aarzelen om ze af te schaffen. De beruchte wet-Le Chapelier maakte in 1791 tijdens de Franse overheersing korte metten met alle nog resterende gilden. Tijdens zijn bezoek aan de Nederlanden had de keizer misschien een ietwat vreemde, maar zeker geen slechte indruk nagelaten. In progressieve kringen kon hij zelfs op heel wat aanhangers rekenen. Een van hen was advocaat bij de Raad van Brabant, Jean-Baptist Verlooy. Die richtte zich in 1785 met een uitvoerige brief in keurig Frans persoonlijk tot de keizer. Het verval van het Nederlands ? Karel van Lotharingen was uitgesproken francofiel ? was er volgens Verlooy de oorzaak van dat de emancipatie van de bevolking uitbleef. De elite en diegenen die zich als dusdanig beschouwden, spraken Frans of probeerden het althans. Velen maakten zich belachelijk met hun francomanie. De verlichte politiek van de keizer, aldus Verlooy, kon enkel slagen als de taal van de overgrote meerderheid van de bevolking werd geherwaardeerd. Ook in Brussel waar 87 procent van de bevolking Nederlandstalig was. Maar net als vele anderen zou Verlooy schrikken van de lawine van hervormingen: verbod op kaarsen, verbod op het kussen van relieken, minder feestdagen en minder processies. Jozef schafte alle lokale rechtbanken en raden af, centraliseerde het bestuur en joeg iedereen tegen zich in het harnas. Ook Verlooy. In 1788 publiceerde die anoniem de 'Verhandeling op d'Onacht der Moederlijke Tael in de Nederlanden'. Hij wees de autoritaire hervormingen van de keizer af en stelde al zijn hoop op de inwoners van de Nederlanden en de vertegenwoordigers van adel, Kerk en burgerij. Die zouden zelfs een revolutie ontketenen om hun privileges te behouden. Van alle grote plannen van Jozef II kwam vrijwel niets terecht. Hij stierf als een verbitterd man in 1790, een jaar nadat in Parijs de grote Franse revolutie een einde had gemaakt aan alle privileges. Zijn eenvoudige graf naast het praalgraf van keizerin Maria Theresia geeft mooi weer hoe anders hij de zaken zag. Misjoe Verleyen