Op 18 augustus 1960 vroeg toenmalig premier Gaston Eyskens (CVP) aan hoogleraar Jef Van Bilsen: 'Vindt gij niet dat die Lumumba daar weg moet?' Het was een retorische vraag. Eyskens wou dat Van Bilsen de Congolese president Joseph Kasa Vubu, wiens adviseur hij was, zou aanraden om Lumumba te ontslaan. Maar Eyskens verwoordde over zijn Congolese collega Patrice Lumumba een mening die niet geheel ondubbelzinnig was. Wat betekende 'weg moeten'? In die tijd circuleerden nog tal van soortgelijke uitdrukkingen omtrent Lumumba: elimineren, liquideren, uitschakelen, verwijderen, buitenspel zetten, onschadelijk maken et cetera. Kon zo'n term ook betekenen: vermoorden?
...

Op 18 augustus 1960 vroeg toenmalig premier Gaston Eyskens (CVP) aan hoogleraar Jef Van Bilsen: 'Vindt gij niet dat die Lumumba daar weg moet?' Het was een retorische vraag. Eyskens wou dat Van Bilsen de Congolese president Joseph Kasa Vubu, wiens adviseur hij was, zou aanraden om Lumumba te ontslaan. Maar Eyskens verwoordde over zijn Congolese collega Patrice Lumumba een mening die niet geheel ondubbelzinnig was. Wat betekende 'weg moeten'? In die tijd circuleerden nog tal van soortgelijke uitdrukkingen omtrent Lumumba: elimineren, liquideren, uitschakelen, verwijderen, buitenspel zetten, onschadelijk maken et cetera. Kon zo'n term ook betekenen: vermoorden? Soms wel. Toeval of niet, diezelfde achttiende augustus werd ook in Washington, op een bijeenkomst van de Amerikaanse president Dwight Eisenhower met zijn Nationale Veiligheidsraad (NSC), over Lumumba gesproken. Volgens sommigen een pion van de Sovjet-Unie, 'nog erger' dan de recalcitrante Cubaanse president Fidel Castro. Toen zei Eisenhower 'iets' wat een aanwezige meteen begreep als een opdracht om Congo's eerste minister te doden. De politieke moord in een covert action was in die tijd een uitzonderlijke, maar toch niet onbekende praktijk. Andere aanwezigen gaven Eisenhowers woorden niet dezelfde draagwijdte, al vonden ze het toch denkbaar dat de eveneens op de NSC-vergadering aanwezige Allen Dulles, directeur van de geheime dienst CIA, ze wel degelijk als een moordopdracht begreep. Eufemismen hebben hun functie. Ze zorgen voor wat Amerikanen plausible deniability noemen: verantwoordelijken kunnen voorwenden dat ze nergens van af weten, want een kiese zaak komt zo alleen met een eufemisme op papier. In haar boek The Congo Cables (1982) noemt Madeleine Kalb het voorval 'een klassieke situatie waarin een leider zijn dichtste medewerkers vraagt om iets te doen aan een probleem dat hem dwarszit. Zoals koning Hendrik II zei van Thomas Becket, die hem een doorn in het oog was geworden: Kan niemand mij van deze man verlossen? Hoewel dat niet neerkwam op een formele toelating om Becket te vermoorden, was de essentiële betekenis ervan duidelijk. Het hoefde dus niet te verbazen dat trouwe ondergeschikten - die hoe dan ook met de wens van hun leider instemden - zich haastten om diens impliciete bevel uit te voeren.' In delicate kwesties moet een goede verstaander aan een half woord genoeg hebben. BELGEN IN OPSPRAAKHet was Dulles' vak om een goede verstaander te zijn. De moordplannen van de CIA tegen Lumumba zijn voldoende bekend, onder meer dankzij Kalbs boek en het werk van de Church-commissie in de Amerikaanse Senaat (1975). De CIA mislukte in zijn opdracht, maar vijf maanden later werd premier Lumumba toch, samen met twee medestanders, vermoord. En daar had België de hand in, aldus Ludo De Witte in De moord op Lumumba (1999), een boek dat overtuigend genoeg bleek opdat de Kamer van Volksvertegenwoordigers een commissie oprichtte om de zaak te onderzoeken. De commissie wordt bijgestaan door vier experts, die de nodige informatie kunnen puren uit tal van archieven die voor 'gewone' historici gesloten blijven. Al blijft het de vraag of de experts wel alle nuttige documenten zullen kunnen inkijken, bijvoorbeeld in de archieven van koning Boudewijn, de veiligheidsdiensten of de Société Générale, een holding met indertijd enorme belangen in Congo. Het valt ook af te wachten hoe ver die experts (en de commissie) hun werk doordrijven. Want er zullen hoe dan ook Belgische figuren en instanties 'in opspraak' komen - de vier experts gebruiken die term zelf in hun interimrapport van vorige maand. Veel wijst er inmiddels op dat hun conclusies wel degelijk in de lijn van De Wittes centrale stelling zullen liggen, vooral omtrent de rol van de toenmalige minister voor Afrikaanse Zaken, graaf Harold d'Aspremont-Lynden (CVP). De Belgische protagonisten achtten zich in 1960 verplicht tot krachtdadige actie omdat het met Congo al meteen na de onafhankelijkheid van 30 juni misliep toen muiterijen in het leger het land in een chaos stortten. Die actie begon met een omstreden interventie van Belgische troepen. Toen scheurde de rijke koperprovincie Katanga van Moïse Tshombe zich met Belgische steun van de Congolese centrale staat af. Katanga, dat was de Belgische mijnmaatschappij Union Minière, gecontroleerd door de Société Générale. Die holding had ook het diamantbedrijf Forminière in zijn portefeuille. Dat vormde de ruggengraat van Zuid-Kasaï, dat zich op 9 augustus eveneens onafhankelijk verklaarde. De Verenigde Naties (VN), die politiek door de VS werden gedomineerd, stuurden een troepenmacht (ONUC) uit om de rust in Congo te herstellen - maar vooral om dat land in het westerse kamp te houden. Tot grote frustratie van de nationalist Lumumba, die vooral de eenheid van zijn land hersteld wou zien, maakte ONUC aanvankelijk geen aanstalten om tegen de Katangese secessie op te treden.DE KROKODILLENDODER KOMT ERAANDe snelle politieke polarisering leidde ertoe dat velen Congo's eerste premier Patrice Lumumba in 1960-1961 uit de weg wilden hebben. Dat was niet alleen het geval in de hoofdstad Leopoldstad, in Katanga, Kasaï of Washington, maar ook in Brussel. Lumumba wou zich namelijk niet naar de Belgische neokolonialistische plannen voor Congo plooien. De nationalist wou niet de boy zijn die 's konings koloniale erfgoed of de Belgische economische belangen in Congo in stand diende te houden, zoals Brussel graag had gewild. Medio augustus 1960 was Lumumba's lot bezegeld. De politieke en diplomatieke agitatie tegen hem werd opgevoerd, de machtige katholieke kerk sprak zich openlijk tegen zijn regering uit. Het verzet groeide ook in vakbondskring, wat kan verklaren waarom de experts van de Lumumba-commissie ook interesse voor de ACV-archieven laten blijken. Maar, aldus hun interimrapport, in Brazzaville (dat alleen door de Congostroom van Leopoldstad gescheiden is) werden 'andere actiemiddelen' en 'andere doelstellingen' - andere dan strikt politieke dus - tegen Lumumba in stelling gebracht. Ook door Belgen. Hier liggen de kiemen van het door De Witte aan het licht gebrachte plan-Barracuda, een regelrecht moordcomplot, geïnstigeerd door d'Aspremont-Lynden en met als centrale figuren diens militaire adviseur majoor Jules Loos en kolonel Louis Marlière. Die laatste had goede contacten met Belgische veiligheidsdiensten en werd wat later adviseur van Congo's nieuwe sterke man, kolonel Joseph-Désiré Mobutu. In een vorige maand door het Duitse tv-station ARD uitgezonden interview verklaarde Marlière dat Brussel voor de opdracht een 'krokodillendoder' (versta: een huurmoordenaar) wou uitsturen. Maar net als de CIA kreeg Marlière het plan praktisch niet rond. Overigens, het misprijzen waarmee over Lumumba werd gedacht, weerspiegelt zich al in de codenamen die hij kreeg: Stinky bij de CIA, Satan bij de Belgen. De Belgische en Amerikaanse moordplannen liepen dus naast elkaar. In de zomer van 1960 waren de diplomatieke relaties tussen België en de VS dan ook tot 'een historisch dieptepunt' gezakt, aldus de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Leopoldstad, Clare Timberlake. De VS, zo schreef Jonathan Helmreich in United States Relations with Belgium and the Congo (1998), hadden moeite met de volgens hen alleen op direct economisch gewin gerichte Belgische steun aan Katanga en met de kortzichtige weigering van Brussel om zijn troepen in Congo door VN-blauwhelmen te laten vervangen. Terwijl België alle heil van Katanga verwachtte, meenden de VS dat de Congolese eenheidsstaat in stand moest worden gehouden (ook om de andere Afrikaanse landen niet tegen het Westen in het harnas te jagen) en dat alleen een sterke VN-macht in Congo de Sovjets kon buitenhouden. KENNEDY DENKT ER ANDERS OVERMaar Lumumba bleef voor iedereen een sta-in-de-weg. Zijn politieke liquidatie begon op 5 september, toen hij door de zwakke president Kasa Vubu als premier werd afgezet hoewel hij een ruime parlementaire steun bleef genieten. Op zijn beurt ontsloeg Lumumba dan maar de president. De patstelling eindigde op 14 september: stafchef Mobutu pleegde met Amerikaanse steun een coup. Hij 'neutraliseerde' de politiek en legde de macht formeel bij een technocratisch college van commissarissen-generaal. Lumumba kreeg huisarrest in Leopoldstad. Toen hij inzag dat zijn internationale steun aan het afkalven was, trachtte hij op 27 november naar het noordoostelijke Stanleystad te ontsnappen, om van daaruit de politieke strijd te hervatten. Maar het Congolese leger (ANC) kon hem op 2 december in de Kasaï-provincie arresteren, waarna hij naar Leopoldstad werd overgevlogen. Gilbert Pongo, de nummer twee in Mobutu's veiligheidsapparaat, kreeg er alle krediet voor - ten onrechte, zo lijken de experts van de Lumumba-commissie te denken. Inderdaad, zowel Belgische militairen, agenten van westerse ambassades als veiligheidsdiensten van Belgische bedrijven waren nauw bij de zoektocht betrokken. En de VN staken geen vinger uit om Lumumba te beschermen. De ONUC-leiding in de Kasaï sloot een akkoord met de lokale provinciegouverneur en een ANC-kolonel om te beletten dat de ex-premier Luluaburg zou bereiken. Eens gearresteerd moest Lumumba daar zo snel mogelijk ( 'with utmost speed') weg, anders bestond het risico dat hij door aldaar gelegerde, hem gunstig gezinde blauwhelmen uit Ghana zou worden bevrijd. 'Volgens de bevelen kwamen de VN nooit tussenbeide', kon ONUC-Luluaburg op 3 december aan Leopoldstad melden. Mobutu liet Lumumba in Thysstad opsluiten, een eind van de hoofdstad weg. Maar zelfs een gevangen Lumumba bleek gevaarlijk. Hij kon nog altijd op brede steun in de politiek, in het ANC en bij de bevolking rekenen. Verschillende Congolese politici stuurden op verzoening aan en ook VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld leek over zijn afkeer voor Lumumba heen. En bovendien trad begin 1961 een nieuwe Amerikaanse president in functie. John F. Kennedy wilde, aldus Richard Mahoney in JFK: Ordeal in Africa (1983), van de starre Congopolitiek van Eisenhower af. Ook hij overwoog, weliswaar slechts kortstondig, om Lumumba weer een plaats in Congo's politiek te gunnen. Dat zou gunstig vallen bij veel derdewereldlanden, waar de bevrijding van politieke gevangenen als Lumumba een prominent thema was geworden. En Kennedy besefte vooral dat Lumumba nu eenmaal de enige Congolese politicus van formaat was. BRIEF VAN BOUDEWIJNVerzoening of niet, België piekerde er niet over. Het wou Lumumba te allen prijze van de macht houden, zelfs al zouden daarmee de kansen op een herstel van de politieke stabiliteit in Leopoldstad de grond worden ingeboord. Koning Boudewijn stuurde Kennedy een brief waarin hij beweerde dat Lumumba's vrijlating tot een communistische machtsovername in Congo zou leiden. Of bedoelde de vorst eigenlijk dat zijn troetelkindje Katanga daarmee niet gebaat zou zijn? Boudewijns brief brengt een pijnpunt aan het licht waar ook het interimrapport van de Lumumba-commissie naar verwijst: er bestond niet één Belgisch Congobeleid, er waren er verschillende. Behalve dat het hof of grote holdings de politiek beïnvloedden, bleek dat het ministerie van Landsverdediging (Arthur Gilson) niet altijd op één lijn stond met Buitenlandse Zaken (Pierre Wigny) of dat er uiteenlopende beleidsinzichten groeiden uit de vage bevoegdheidsverdeling tussen Wigny en de hardliner d'Aspremont-Lynden op Afrikaanse Zaken. Dat nieuwe departement was pas in augustus 1960 opgericht en de titularis ervan was wellicht aan premier Eyskens opgedrongen. En ondertussen gingen actoren op het terrein zoals Loos of Marlière hun eigen gang. Zo bleef ook de CIA, aldus Mahoney, zijn 'klanten' in Leopoldstad steunen, zelfs tegen de koerswijzigingen waarop Kennedy leek aan te sturen in. Tenslotte was Victor Nendaka, Mobutu's veiligheidschef die Lumumba's fatale transfer naar Katanga zou organiseren, ook een agent van Lawrence Devlin, de CIA- station chief in Leopoldstad. Enkele dagen vóór Lumumba werd vermoord, waarschuwde Devlin zijn baas Dulles nog per telegram voor de groeiende invloed van de afgezette premier: 'weigering om nu drastisch op te treden zal leiden tot mislukking [Amerikaans] beleid in Congo'. Was 'drastisch optreden' ook zo'n eufemisme? Tussen twee haakjes: deze zomer is Geert Versnick (VLD), voorzitter van de Lumumba-commissie, de nu hoogbejaarde Devlin in de VS gaan opzoeken. In de marge hiervan rijst de vraag naar het precieze statuut van de vele Belgen, zowel militairen, politiemensen als burgers, in Katangese dienst. Wie betaalde hen? Wie gaf hen welke bevelen? Een commissaris van de veiligheidsdienst van de Katangese minister van Binnenlandse Zaken Godefroid Munongo rapporteerde dat iemand als majoor Guy Weber, Tshombe's militaire adviseur, eigenlijk 'veeleer een louter Belgische dan een Katangese opdracht' vervulde. Uit een analyse van de structuur van het Katangese leger besloten de VN dat die gendarmerie niets meer met soortgelijke, met de ordehandhaving belaste strijdmachten in andere Congolese provincies te maken had. Het was daarentegen als 'een instrument van buitenlandse interventie' uitgebouwd. EXTREEM-RECHTSE INMENGINGTot hun verbijstering stelden de VN vast dat Munongo's veiligheidsdienst - die als peiler van de rechtse politiestaat Katanga vooral het politieke doel van de secessie diende - in zijn personeel en structuur als de rechtstreekse voortzetting van de Belgische koloniale Sûreté kon gelden. Uit Katangese archieven blijkt overigens dat d'Aspremonts ministerie voor Afrikaanse Zaken zeker tot eind 1960 Belgen voor Munongo's geheime dienst rekruteerde. België spande zich niet in om de wapenhandel met Katanga in te perken, terwijl in een kazerne in Aarlen, ondanks een VN-verbod, Katangese militairen bij het Belgische leger een opleiding kregen. En dan waren er nog de horden 'adviseurs'. In 1961 rapporteerde ONUC uit de Katangese hoofdstad Elisabethstad dat Tshombe's ministers 'zwaar geïndoctrineerd werden door vijandige bronnen', terwijl VN-generaal Indar Jit Rikhye zich meer bepaald zorgen maakte over 'de Belgische extreem-rechtse inmenging' in de Katangese regering. De eenzijdige oriëntering van de Belgische politiek op Katanga veranderde pas na de dood van Lumumba, nadat Theo Lefèvre (CVP) in april 1961 premier van een rooms-rood kabinet werd. Het bekommerde de nieuwe, socialistische minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak, een trouwe atlantist, dat de harde Belgische lijn voortdurend tot wrijvingen met Washington leidde en het land in de NAVO isoleerde. Hij vond ook dat België niet alleen in Katanga maar in heel Congo belangen te verdedigen had en dat daarvoor met sterke man Mobutu en met de nieuwe Congolese regering van Cyrille Adoula best zaken te doen vielen. Maar eind 1960 bleef Lumumba de belangrijkste opponent van België. Als hij weer aan de macht kwam - en dat was niet geheel denkbeeldig - zakte het Belgische kaartenhuis in Congo in elkaar en maakte zeker de Katangese secessie geen kans meer. Washington was die Belgische obsessie niet ontgaan. Begin januari 1961 drong onderstaatssecretaris voor Afrikaanse Zaken G. Mennen Williams er bij een Belgisch diplomaat informeel op aan dat Lumumba niet zou worden 'geliquideerd' - hadden de Amerikanen lucht gekregen van wat België kennelijk met de ex-premier in de zin had? Het gebeurde toch, op 17 januari 1961, nadat Lumumba vanuit Thysstad via Moanda naar Elisabethstad was overgevlogen. Volgens Ludo De Witte bestaat er geen twijfel over dat hij op bevel van d'Aspremont-Lynden aan zijn Katangese doodsvijanden werd uitgeleverd en dat hij daar, zoals te verwachten viel, gruwelijk werd vermoord - onder toezicht en met de actieve medewerking van Belgen in Katangese dienst. Eerst was nog gedacht aan uitlevering aan Bakwanga, in het opstandige Zuid-Kasaï. Ook daar zou Lumumba een gewisse dood te wachten staan. De plek was ook discreter, terwijl België er niet zo prominent aanwezig was. Maar die optie verviel wegens de aanwezigheid op het vliegveld aldaar van VN-troepen, die Lumumba mogelijks in bescherming zouden nemen. Zo'n risico bestond niet in Elisabethstad, waar een deel van de Luano-luchthaven onder exclusief Katangese controle stond.EEN NIET-OPPORTUUN ONDERZOEKHet was, zo men wil, een 'indirecte' methode om Lumumba uit de weg te ruimen: de Katangezen knapten het vuile werk op volgens een mechanisme dat zowel door de Congolese machthebbers, de CIA als een reeks Belgische instanties was bedacht. Maar hoe indirect ook, gezien hun grote invloed in Elisabethstad, kunnen de Belgische autoriteiten hun verantwoordelijkheid in de moord maar moeilijk minimaliseren. De keuze voor die methode was in alle geval geen ingeving van het moment. Ze stond begin december al vast, toen Lumumba op zijn vlucht werd gearresteerd, terwijl de Belgische veiligheidsagenten in Brazzaville er eveneens van uitgingen dat Lumumba spoedig aan Katanga zou worden uitgeleverd. De Belgische adviseurs van de Katangese president Tshombe vonden dat een slecht idee. Het zou diplomatiek niet goed staan voor het toch al internationaal als een pariastaat behandelde Katanga. Een telegram van d'Aspremont-Lynden (waarvan het origineel volgens de experts van de kamercommissie niet in diens handschrift is geschreven) maakte een eind aan die aarzelingen. Officieel raakte de dood van Lumumba pas op 13 februari bekend: volgens Munongo was hij uit gevangenschap ontsnapt en vervolgens door boze dorpelingen vermoord. Die versie stuitte overal op scepsis. Al kort na Lumumba's aankomst wou de geruchtenmolen in Elisabethstad dat hij meteen was omgebracht. Een VN-commissie werd met een onderzoek naar de zaak belast. In haar in november 1961 uitgebrachte rapport hechtte ze niet het minste geloof aan Munongo's verhaal. Ze was ervan overtuigd dat Lumumba al de avond van zijn transfer naar Katanga was vermoord, in aanwezigheid van onder anderen Tshombe en Munongo (die ze als de centrale figuur in het complot aanwees), met twee Belgische militairen, kolonel Carlos Huyghe en kapitein Julien Gat, als uitvoerders. De commissie kon de volledige waarheid nooit achterhalen omdat ze zowat overal op tegenstand stuitte. Katanga weigerde haar de toegang. Van de vijftien Belgen die ze wou ondervragen, kreeg ze er slechts drie te spreken. Van een aan d'Aspremont-Lyndens ministerie gericht rapport van de Katangese Sûreté over de zaak, beweerde Brussel niets af te weten. Maar ook de ONUC-top lustte het onderzoek niet. 'Er gaapt een psychologische kloof tussen de commissie en de VN', schreef de secretaris van de commissie, George Ofosu-Amaah, aan de juridische dienst van de VN in New York. 'En dat zou ertoe kunnen leiden dat er erg harde dingen over de VN zullen worden verteld.' ONUC-chef Sture Linner zag niets in een doorgedreven onderzoek in Leopoldstad. Hij voelde zich in verlegenheid gebracht omdat ONUC twee bij de moord betrokken Katangese huurlingen, Huyghe en de Zuid-Afrikaanse kapitein George Browne, ongehinderd uit Congo had laten vertrekken. Linner vreesde dat men hem zou verwijten de zaak in de doofpot te willen stoppen. Maar zijn terughoudendheid had vooral een politieke reden. Het onderzoek kon volgens hem 'alleen de sfeer van vertrouwen en eendracht verstoren die we hier willen laten heersen'. Linner wou de nieuwe regering-Adoula niet met spoken uit het verleden belast zien en hij schermde de Congolese politici doelbewust van de commissie af. Toen die bleef aandringen, stelde hij voor dat de Congolese regering dan maar zelf zou protesteren. En zo geschiedde: per note verbale liet ze weten dat ze het onderzoek 'niet opportuun en zonder voorwerp' achtte. Dat is de voorbije maanden ook geregeld beweerd van de kamercommissie die nu de rol van België in de moord op Lumumba moet onderzoeken.Behalve van de genoemde studies, werd ook gebruikgemaakt van niet eerder onderzochte archieven van de Verenigde Naties in New York.Marc Reynebeau